Literatuurcriticus Carel Peeters neemt zijn twintig favoriete literaire tekenaars onder de loep

Beeld Siegfried Woldhek

Wat is de kracht van een literaire tekening? Criticus Carel Peeters duidt leven en werk van twintig tekenaars.

Literatuurcriticus Carel Peeters heeft een boek geschreven waarin hij zijn twintig favoriete literaire tekenaars onder de loep neemt. Het is een filosofische verkenning van wat hem aanspreekt in zijn favorieten. Een aantal van deze tekenaars heeft hij gekend en als redacteur van Vrij Nederland een plaats gegeven in zijn tijdschrift. Peeters werkte daar toen het een prachtige vrijplaats was voor tekenaars.

Peeters, van huis uit filosoof, duidt op een speelse manier wat de kracht is van een literaire tekening. En dat verschilt van tekenaar tot tekenaar, maar wat hen bindt is hun drang om verder te willen kijken. “Ze tekenen met resonantie. Er klinkt humoristisch, psychologisch of literair iets mee dat niet vervliegt bij de eerste blik, zoals zo vaak met cartoons”, concludeert hij. Peeters probeert die resonantie aan de hand van tekeningen te verklaren. Soms staan de tekeningen in het boek, vaak ook niet. Dat zorgt ervoor dat ik soms moet raden wat Peeters bedoelt.

De kracht van een literaire tekening (ik houd deze defintie van Peeters maar aan bij gebrek aan een betere) zit ’m in het overrompeld worden door de intuïtieve juistheid van de gedachte die de tekening tot uitdrukking brengt. Die gedachte kan filosofisch, speels, erotisch, surrealistisch of diep-intellectueel zijn, maar het erdoor overvallen worden - die aangename tinteling in het hoofd die de ogen dwingen nog dieper in het plaatje weg te zakken - is essentieel. De overrompeling uit zich in een glimlach, een denkfrons, een lach of een traan.

Geheim van de smid

Peeters probeert twintig keer dat tintelgeheim van de tekenaars te verklaren en twintig keer levert dat boeiende portretten op. Hij schrijft tekenaars aan elkaar, vergelijkt stromingen en stijlen. Voor hem is de literaire tekening een volwaardige kunstvorm met diepe wortels in de negentiende eeuw.

Slechts met pen en papier weten ze ons op het verkeerde been te zetten; het is een gave. Voor dat talent heeft Peeters veel bewondering maar het weerhoudt hem er niet van met alle filosofische nuances proberen door te dringen in het geheim van de smid. Over Joost Swarte schrijft hij dat hij de lichtvoetige omgang introduceerde van alles wat met leescultuur te maken heeft. “Dat vloeide voort uit de vermenging van twee werelden: die van betere strips en de literatuur.”

Het boek zelf reikt ook verder dan alleen de pure literaire tekening. Zo wijdt Peeters een hoofdstuk aan Dick Bruna, die wel voor de literatuur tekende, maar dan vooral omslagen van de beroemde Bruine Beertjespaperbacks. Peeters is op zijn best wanneer hij tekenaars probeert te duiden die geen duiding nodig lijken te hebben. Het werk van Sempe gaat over het nietige wezen tegen de grote wereld. Peeters ziet dat de tekenaar wat uit te vechten heeft. De boze buitenwereld die als het maar even kan het individu vermorzelt.

De Britse tekenaar Baxter - bekend om z’n surrealistische tekeningen vol droge humor - was de zoon van een man die een uitvinding tegen roos patenteerde. Peeters ziet die roos weer terug in het werk van Baxter. Net als zijn strijd tegen stotteren die hij verbindt aan het kunstenaarschap. Hij citeert de kunstenaar: “De angst om te stotteren is wel bepalend geweest voor de manier waarop ik communiceer. Net als de surrealisten werkte ik als stotteraar met een boog om de hete brij heen.”

Ik heb liever een tekening van een auteur dan een foto. Ik ben vaak gefotografeerd, slechts weinig getekend. Auteurstekeningen brengen naar boven wat in een schrijversfoto aan de oppervlakte verborgen blijft. Dit klinkt paradoxaler dan het is, maar de tekenaar kan veel meer dan de fotograaf in zijn afbeelding zijn idee over de schrijver leggen. De roman, geesteswereld, het hele oeuvre, zit erin.

De keizer van het literair portret is David Levine - jarenlang de tekenaar van de New York Review of Books. Levine was maatschappijkritisch en belezen. Dat zijn niet alle literaire tekenaars. De Nederlandse tekenaar Peter van Straaten die het ongemak van het literaire leven beschreef, was geen lezer. “Boekwinkels bezocht hij alleen als hij zijn eigen boeken kon ontwijken”, schrijft Peeters.

 Verhevigde nostalgie

Terug naar Levine die wel las en dat in zijn tekeningen laat zien. Hij tekent de allang vergeten maar in zijn tijd beroemde criticus Edmund Wilson. De literaire kracht van de tekenpen is hier op zijn sterkst. We hoeven niks te weten van Wilson en toch zien we een grote intellectueel. De man is fors, draagt een panamahoed en gaat in driedelig pak. De handen nonchalant maar zelfbewust in de zakken. De ogen kijken onder de grote, chique Panamahoed door ons heen. De dunne lippen die door schrijvers wordt gevreesd om hun harde oordeel. De bibberende lijn brengt dynamiek in de monumentaliteit van de Amerikaan.

Het is om die reden dat ik een tekening van mij altijd confronterder vond dan een foto. Aan de tekenaar kan ik zien dat de tekenaar iets van mijn werk vindt. Peeters vertelt dat Woldhek, opvolger van de overleden Levine bij New York Review of Books, het werk van de schrijvers ook leest. Woldhek heeft me twee keer getekend. En beide keren was ik er een tikkeltje van van slag.

Lezen in het boek kan leiden tot verhevigde nostalgie. Es war einmal. Een tijd waarin je tijdschriften kocht voor een totaalbeleving waarin tekeningen een belangrijke rol hadden, misschien wel de belangrijkste: de wereld van het woord met een beeld scherper stellen. Vrij Nederland was zo’n tijdschrift en Carel Peeters prees zich gelukkig met bijdragen van de kleine en grote meesters.

Ik zie weinig tekenaars in digitale tijdschriften, ze hebben niet die status meer. Film en fotografie tiranniseren de boel. Online is in de greep van het totale design die de identity van het tijdschrift in een huisstijl moet vangen. Het aardige van tekenaars is dat ze in geen enkele huisstijl passen. Zij zijn de huisstijl. En ze staan alleen tegen de wereld.

Lees ook:

Hoe overleef je als jonge kunstenaar?

Kunstenaars moeten een eerlijke beloning krijgen, vindt minister Van Engelshoven. Daar is nu nog geen sprake van. Trouw volgt sinds een jaar vier veelbelovende jonge kunstenaars. Zij verdienen weinig, schrappen de vakantie, wonen anti-kraak en lopen door op oude schoenen. Maar ze klagen niet.

Abdelkader Benali (1975) is schrijver. Lees ook zijn column die hij om de week voor Trouw schrijft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden