Review

'Literatuur staat in mijn ogen boven eerbiedig- of oneerbiedigheid'Hafid Bouazza (26) wil niet over de positie van migranten schrijven'Ik ben er achter gekomen dat identiteit totaal niet belangrijk is'

'De voeten van Abdullah', Hafid Bouazza, Uitgeverij Arena, ¿ 24,90, ISBN 90 6974 241 1.

NANDA ROEP

Dit schrijft Hafid Bouazza (26) in zijn debuut, de verhalenbundel 'De voeten van Abdullah'. Een bundel met acht op zichzelf staande verhalen, waarin veelal dezelfde personages terugkeren. Bovenstaand citaat is afkomstig uit het verhaal 'Apollien'. De ik-figuur krijgt een relatie met de blonde Apollien, een meisje dat sterk beantwoordt aan zijn droombeeld dat hij creëerde naar foto's uit de Playboy. Zij dwingt hem zich - ook seksueel - aan te passen aan zijn nieuwe land.

Bouazza: “Iemand schreef dat Apollien een bitch is, maar dat is niet waar. Niet de ik-figuur, maar Apollien heeft gelijk. Wat hij van haar leert, is dat je niet in het heden kunt leven wanneer je het verleden niet loslaat. De ik-figuur leeft nog in Marokko, terwijl Apollien hem dwingt nieuwsgierig te zijn naar het nieuwe.”

Bouazza is geen 'gewone' allochtone schrijver. Opvallend is dat de situering van zijn verhalen in Marokko zo vanzelfsprekend is, dat ze ook voor een Nederlander dicht bij huis lijken. Of: dat ze ook voor een Marokkaan ver weg lijken. Bouazza schetst een sfeer die doet denken aan 'Honderd jaar eenzaamheid' van Márquez, en in geen geval aan een Nederlandstalige allochtoon die over zijn afkomst schrijft. Met veel fantasie schrijft Bouazza bizarre verhalen die surrealistische elementen hebben. Bovendien is zijn taalgebruik rijker dan dat van de meeste jonge schrijvers. Nee, hij is een Néderlandse schrijver die zijn verhalen 'toevallig' in Marokko situeert.

“Ik ben er achter gekomen dat identiteit totaal niet belangrijk is. Dat hele gezeik over 'ik voel me meer Marokkaan dan Nederlander'; je moet eerst maar eens uitzoeken wát of wie zo'n persoon dan is. Het conflict is voor mij niet belangrijk en ik doe niet aan de discussie mee. Ik vind de discussie saai en sentimenteel en ze komt het schrijversschap niet ten goede; je verhalen lijken dan meer op dagboekfragmenten. Ik schrijf geen pamfletten; ik wil niet over de positie van migranten schrijven. Het enige dat ik wil, is dat mensen net zoveel plezier beleven aan het lezen van mijn verhalen, als ik deed toen ik ze schreef.”

Toen Bouazza zeven was, verhuisde hij uit Marokko naar Nederland waar hij Arabische taal- en letterkunde ging studeren om de verhalen van '1001 nacht' in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen. Het dorpje waar hij werd geboren, vertoont veel overeenkomsten met het dorp dat hij beschrijft: 'Het was een vrolijk dorp met een eigen gek en moskee. Het had één kraan die door alle bewoners werd gebruikt.' Vrijwel alle vrouwen heten Fatima en de mannen Abdullah. “Daarvoor heb ik gekozen omdat die personages niet een echte ontwikkeling doormaken. Alleen de personages die dat wel doen, hebben een andere naam.”

De jonge jongens Khadroen, Moehand en Hafid zijn geobsedeerd door seks en doen het met pedofielen, een geit en een ezel. Zusjes worden door hen lastig gevallen met ongewenste intimiteiten. Hafid wordt meermalen betrapt als hij masturbeert. 'Uiteindelijk viel ik, vervoerd, dromend, met napijn in mijn geslagen handen, in slaap.'

Bouazza: “Ik heb natuurlijk in Marokko wel gezien hoe geobsedeerd jongens zijn met seks, ook op heel jonge leeftijd. In het dorp dat ik beschrijf, is een strenge controle; zijn jongens en meisjes van elkaar gescheiden. Hoe meer je gedwongen wordt je seksuele gevoelens te onderdrukken, hoe meer je zijweggetjes gaat zoeken. Als je de deksel erop zet, gaat het broeien. Ik vind het mooi hoe seksualiteit zich ontwikkelt ondanks alle beperkingen. Hoe de natuur toch haar gang gaat. Mijn personages willen hoe dan ook weten wat neuken is, en zoeken hun heil dan maar bij de geit. Daarnaast vond ik het een uitdaging iets als seks te beschrijven zonder banaal te worden.”

De islam lijkt hij op de hak te nemen. Bijvoorbeeld door in het verhaal 'Satanseieren' te beschrijven hoe de vrouwen zich tegoed doen aan komkommers en aubergines wanneer de mannen bidden. De imam krijgt ook een veeg uit de pan: 'En onze imam raakte aan de wijn. Uiteraard wisten de bidders niet, konden zij niet weten dat de wankelheid van onze imam, in beweging en preek, veroorzaakt werd door de wijn. Onder zijn onberispelijke djellaba zwalkten zijn benen alsof hij elk moment flauw kon vallen.' En: 'De schoot van de imam, die ons het Arabisch alfabet en enige verzen uit de Koran moest bijbrengen, waren wij al ontgroeid en op de schoot van zijn djellaba, die ooit onze billen had gedragen, zaten nu andere knapen, hun geheugen gestimuleerd door zijn stille extase.'

Bouazza is niet bang dat hij een gehele islamitische gemeenschap tegen zich krijgt: “Eén Marokkaan zei me dat ik oneerbiedig was, maar literatuur staat in mijn ogen boven eerbiedig- of oneerbiedigheid. Over de imam heb ik met humor geschreven en dan bedoel ik: met een bepaalde liefde. Ik denk dat ik de dingen overigens beschrijf zoals ze ook wel zijn, maar ik ga geen blad voor de mond nemen.”

“Bovendien: als ik mezelf op de hak neem, waarom dan niet de islam. Die is groot genoeg en kan best een tik hebben. De islam geeft mij nou eenmaal bepaalde pionnen om mee te spelen, dus doe ik dat. Als je daarover valt, kan je net zo goed zeggen dat de schrijver van Ali Baba alle Arabieren als criminelen afschildert. Dan houdt het niet meer op. Dan zou ik de dierenbescherming op mijn dak krijgen omdat ik over seks met dieren schrijf. Of het commentaar moeten krijgen dat ik alle Nederlandse vrouwen als hoeren afschilder. Nee hoor, ik heb gekozen voor vrijheid van geest en lichaam. Ik wil me nergens aan binden, niet aan politieke organisaties en niet aan een geloof. Zolang ik in een land als Nederland woon, met haar vrijheid van meningsuiting, zit ik goed.”

Het titelverhaal 'De voeten van Abdullah' luidt een viertal verhalen in dat zich als een geheel laat lezen. Voor Bouazza een vingeroefening om te kijken of hij misschien toe is aan het schrijven van een roman. Hafids oudste broer Abdullah is vertrokken om te strijden in de Heilige Oorlog die woedt. Zijn moeder heeft naar gedroomd en gelooft dat het betekent dat haar zoon is overleden. Maar dan komt hij terug: 'Op de grond, voor de deurdrempel, stond Abdullah: twee voeten, fraai boven de enkels geamputeerd in wat op salamischijfjes leek. De enkels waren bestoft en de nagels zwart van de lange tocht. (..) De aders waren opgezwollen. Onmiskenbaar: het was mijn broer Abdullah.'

De hysterische blijdschap die de terugkomst van (de voeten van) de oudste zoon losmaakt, is voor Bouazza een ironie naar het hele idee van een Heilige Oorlog, van strijden voor God. “Het dorp is afgesloten van de rest van de buitenwereld en de imam staat ver van de regering af. Maar als er een Heilige Oorlog is, wordt er direct meegestreden.”

De vier verhalen die als geheel te lezen zijn: 'De voeten van Abdullah', 'Liefde onder de olijfboom', 'Satanseieren' en 'Vliegenheer', zijn in de ogen van Bouazza vier delen van een symfonie. Hij houdt van klassieke muziek en componeert zelf ook wel eens wat.

“Een melodie en een zin, componeren en schrijven, hebben voor mij veel met elkaar gemeen. Het enige is dat je in zinnen geen tonen kunt pakken en dat is frustrerend. Daarom probeer ik soms woorden te combineren, zodat je toch een akkoord krijgt. 'Apollien' is opgebouwd als een sonate. In het begin, de expositie, introduceer ik de thema's: Apollien, Marokko en het water dat Marokko weerspiegelt. Dan ontwikkelen de thema's zich. Aan het einde keren de thema's terug en kijkt de hoofdpersoon in Marokko in het water, maar ziet hij Amsterdam erin weerspiegelt; herinnering en het heden vallen samen.”

Hoewel hij zich in het componeren nog verder hoopt te ontwikkelen, schrijft hij toch liever. “Ik heb een obsessie voor woorden. Ik ben er dol op. Zoals een schilder kleuren gebruikt om een bepaalde sfeer op te roepen, heb ik mijn woorden; die vormen mijn palet met kleuren. Taal leeft echt voor mij. Toen ik Arabische klassieke poëzie vertaalde, heb ik veel oude Nederlandse literatuur gelezen en kwam ik woorden tegen die jammer genoeg niet meer worden gebruikt. De Nederlandse taal is veel rijker dan onze juffen en leraren ons doen geloven. Misschien gebruik ik ongebruikelijke woorden die niet iedereen meteen begrijpt, maar ik wil bepaalde dingen gewoon zo precies mogelijk beschrijven. En misschien zou het mooi zijn als mensen anders naar de Nederlandse taal gingen kijken dan ze nu doen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden