Review

LIJDEN, LIEFDE, VROUWEN, IDIOTEN, HOLLANDERS ...

Albert Helman: De G. G. van Tellus. In de Knipscheer, Amsterdam, 1994; 331 blz. - ¿ 44,50.

Het ontstaan van deze roman, de produktie van het boek, de weg naar de lezers en de invloed ervan is een van de verhaallagen in de nieuwste roman met de mysterieuze titel 'De G. G. van Tellus' van de negentigjarige Albert Helman (pseudoniem van Lou Lichtveld). Hij maakt de kachel aan met veel uit het literaire leven. Allereerst met een schrijver als Norman Angus, die het geheim van zijn artistiek succes door heeft: je moet niet te zwaar op de hand zijn en niet te waar. Via Angus moet ook de huidige trend van verstandelijk maakwerk het ontgelden, omdat het weliswaar spiritueel, maar niet doorleefd is. Vervolgens de uitgevers die wilden dat “goede gerijpte, maar naar hun mening verouderde taal moest worden vervangen door modernere uitdrukkingen.”

De recensent krijgt de hardste klappen. Hij ziet in een roman voornamelijk een goede aanleiding zijn eigen gedachtengoed onder de aandacht te brengen. De boekhandelaar is vooral een handelaar in bedrukt papier die geen risico wil lopen en eerst de recensie maar eens afwacht. Zijn bediende is begonnen met liefde voor de literatuur, maar hij merkte al gauw dat hij in de zaak blijft waar hij “weliswaar weinig verdiende, maar dit dan ook op keurige wijze”.

Dan zijn er de lezers in een stadje dat er uitziet alsof er geen boekhandel thuishoort. Met het ongenoemde stadje sneert Albert Helman naar de Nederlandse bekrompenheid. De lokale recensent vindt dat geen volk ter wereld “ons Hollanders” kan evenaren “in het uitwerken en duidelijk onderstrepen van zedelijke normen en waarden”. De mening dat men niet voor zijn plezier leest, maar tot verrijking van zichzelf wordt er alleen weersproken door de enige buitenlandse, Hella Bentram, een vroeger pseudoniem van Lou Lichtveld.

De verhaallaag over Angus' roman 'Mysteries van de pijn' geeft niet alleen veel leesplezier, maar verbergt ook een tweede laag. Albert Helman zet figuren uit alle milieus neer en beschrijft hun problemen. Er zijn mensen die vluchten in de toekomst, zoals de vakbondsman, of in het verleden, zoals de gevluchte grootvorstin Canna. En relaties zijn er in alle stadia: van beginnend tot eindigend. Zo krijgen de grote thema's van het leven op een alzijdige, maar nergens opdringerige manier gestalte: geluk en ongeluk, vrede en agressie, man en vrouw, liefde en haat, leven en dood, miskenning en erkenning, bemoeizucht en vrijheid.

Het is niet toevallig dat ik de thema's in polariteiten weergeef, dat gebeurt ook in de derde verhaallaag, die van de G. G. van Tellus. De G. G. is een oudere heer die alles te weten komt door detectives die hij op pad stuurt. Om een reden die hemzelf onduidelijk is, heeft hij bijzondere belangstelling opgevat voor het geval van de slager die zijn vrouw sloeg en wat dat via de roman allemaal teweeg heeft gebracht.

Deze verhaallaag heeft iets van een omgekeerde detective, want wat er gebeurt en is gebeurd, maken de detectives haarscherp duidelijk, maar de figuur van de G. G. wordt het grote mysterie. Aan het eind van het verhaal brengt hij alle betrokkenen samen op Rottummeroog en met de figuren probeer je als lezer dan te achterhalen wie die alwetende detective is: de Goede God, de Gouverneur-Generaal, Grand Gousier, de vader van de veelvraat Gargantua, of Grand Guignol. Of is er verband met de mythologie? Tellus is tenslotte de godin van Moeder de Aarde.

Het zijn volgens mij allemaal dwaalsporen, zoals ze in een goede detective ook voorkomen. De G. G. heeft het over zijn Bedenker, die hij en passant aanroept met: 'Bij Albert'. De G. G. wil de mensen nog eenmaal de ware oorzaken van hun ellende laten zien. Het korte leven is alleen maar zinvol als mensen elkaar liefhebben, durven te liefkozen en zich te laten liefkozen zonder angst, zonder heerszucht, zonder onderworpenheid. Kwaad en pijn zijn noodzakelijke stadia voor lust en leven; plezier en geluk kunnen alleen bestaan door hun schaduwzijde. “Kwaad en goed zijn toch beide mooi, juist samen mooi?” zegt de G. G. dan ook.

Juist in de verscheidenheid van mensen steekt de redding tegen verveling en zelfverstikking. De agressie van mensen komt voort uit de indelingen die ze maken. Bij voorbeeld die in man en vrouw, waarbij ze vergeten dat elk mens bijna evenveel mannelijks als vrouwelijks in zich heeft. Of de indelingen naar godsdienst of ras.

Een samenvatting van de ideeën van een roman heeft altijd een flets karakter, omdat ze hun waarde ontlenen aan de manier waarop het verhaal is geschreven. Daar komt nog eens bij dat de boodschap van de G. G. en van Albert Helman uiteindelijk nogal optimistisch is. Die levensomarming, de balans van een negentigjarig leven, zal men niet zo gauw in werken van historisch zwaar belaste Europese schrijvers vinden. Maar niet-westerse schrijvers als de Surinamer Albert Helman staan daar heel wat onbevangener tegenover. Zij kiezen niet alleen de duisternis, maar brengen ook de lichtzijde. De klemtoon die de waardevolheid van polariteiten krijgt, is soms bijna letterlijk wat de Antilliaan Cola Debrot propageerde met het beeld van het kristal.

De verhaallaag van de G. G. laat ook zien hoe een schrijver werkt. Hij oriënteert zich overal, duikt in zijn stof en gebruikt alles wat anderen hem aanreiken. De G. G. heeft een oud archief, waaronder de bijbel, en legt zelf een archief aan. Met enige uitdagendheid brengt Albert Helman ook anachronismen aan: de geest overwint de tijd.

In 'De G. G. van Tellus' komen alleen Europeanen voor en toch is het werk doortrokken van de Caribische geest van Albert Helman. De optimistische levensvisie is niet het enige. Hij vermengt genres: nu eens heeft de roman trekken van een sleutelroman, dan weer van een detective. Hij wisselt stijlen af: het woord 'weshalve' gebruikt hij evengoed als 'oerlullen.' Een houding tegenover taal spreekt eruit die ik niet anders kan noemen dan woordgeilheid, net zoals bij Frank Martinus Arion, of buiten het Nederlandse taalgebied Patrick Chamoiseau in 'Texaco', om een recent werk te noemen. Er is een merkwaardige mengeling van luchtigheid en ernst. Binnen het zeer omvangrijke oeuvre van Albert Helman is 'De G. G. van Tellus' het meest vermakelijke werk en tegelijk het meest persoonlijke. Er is een categorische afwijzing van het vermaledijde Europese 'hokjesdenken' dat alles in categorieën indeelt en geen mensen van vlees en bloed meer ziet. De Caribische schrijvers hebben voor geen van de genoemde punten het alleenvertoningsrecht, maar het is juist de combinatie van deze elementen die typisch Caribisch is.

Er is nog een allerlaatste verhaallaag. Albert Helman maakt de balans van zijn lange schrijversleven op. “Waarom moet ik door de ogen en oren van mijn detectives, eeuwig, eeuwig, eeuwig met dezelfde onverzadigbaarheid doordringen in hun binnenste?” vraagt de G. G. zich af. Hij weet het antwoord niet, het is de taak die de Bedenkende hem heeft opgelegd, wie of wat die ook mag zijn. “Ik heb tenslotte geen andere opgaaf dan mijzelf te zijn ( . . .) en zolang wij er nog zijn, is alles even belangwekkend voor de precieze archivaris die ik behoor te zijn - lijden, liefde, vrouwen, kinderen, idioten, Hollanders . . .”

'De G. G. van Tellus' is een uitzonderlijke roman over het schrijverschap. Het is ongelooflijk dat een negentigjarige zo'n fris werk schept, zo recalcitrant luchtig en ernstig tegelijk kan zijn, nog steeds nieuw aspecten aan zijn omvangrijke en al zo verscheiden oeuvre weet toe te voegen. Onbegrijpelijk dat van deze auteur tot nog toe alleen 'De laaiende stilte' is bekroond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden