Interview

Lieve Joris: ‘Iemand in de put moet zelf zijn armen uitsteken’

Lieve Joris: 'Een kind kan zijn ouders niet leren wat zij moeten doen.' Beeld Patrick Post

Schrijfster Lieve Joris reisde naar de uithoeken van de wereld, maar voor haar nieuwste boek keerde ze terug naar het Vlaamse dorp van haar jeugd. ‘De kleine oorlog thuis heeft me voorbereid op het leven en het leed, op grote oorlogen elders.’

Op zijn 42ste verjaardag vliegt de oudste broer van de Vlaamse schrijfster Lieve Joris met zijn auto tegen een boom. Hij is onder invloed, maar overleeft de klap. Zelf woont Lieve Joris dan al jaren met haar vriend Marek in Amsterdam. Het is haar uitvalsbasis voor reizen naar onder meer Congo, Mali en China. Daar verblijft ze langdurig in het kielzog van de mensen over wie ze schrijft.

Het ongeluk van Fonny verstoort het schrijfproces. Ze werkt op dat moment (begin jaren negentig) aan een boek over Syrië, maar wordt steeds weer naar Neerpelt gezogen, waar haar ontspoorde broer revalideert. Hij laat de familie naar zijn pijpen dansen en troggelt zijn ouders geld af voor zijn drugsverslaving.

Op aanraden van haar vriend begint ze notities te maken. En dat zal ze de daaropvolgende decennia met tussenpozen blijven doen, waar ze ook is. Telkens weer graaft Joris in haar geheugen, naar Fonny en naar haar eigen turbulente jeugd als middelste van negen kinderen.

Of er een boek in zit, weet ze dan nog niet, vertelt ze. “Je vraagt je af of het oog voor verhalen dat je als schrijver hebt ontwikkeld, werkt als het over jezelf gaat. Ik stuurde weleens iets naar mijn uitgever, zij moedigde me aan.” Toch duurt het ruim twintig jaar voor ze de familiearchieven induikt en begint aan ‘Terug naar Neerpelt’, dat deze week verschijnt.

Aarzelde u om de vuile was buiten te hangen?

“Ik schaam mij niet voor de kleine oorlog die zich thuis afspeelde. Die heeft ons voorbereid op het leven en het leed elders – in mijn geval op grotere oorlogen. Toen ik begon te reizen kende ik al elf typetjes en de manier waarop die op allerlei toestanden reageerden.

“Ik denk dat ik er geen moeite mee heb mijn eigen geschiedenis te delen doordat ik dat tijdens mijn reizen ook al veel gedaan heb. Ik heb vaak mensen ontmoet in moeilijke situaties. Als je intensief met ze optrekt, laat je hen ook je eigen leven binnen, waarna hun verhalen makkelijker loskomen.

“Als ik in Neerpelt was gebleven, was dat misschien anders. In een dorp is er geen anonimiteit. Daarom ben ik juist weggegaan.”

Het was uitgerekend Fonny die haar de weg uit het dorp wees. Als pubermeisje is ze erg op hem gesteld. Hij laat haar voor het eerst de muziek van Leonard Cohen horen, neemt haar mee naar optredens. Fonny is creatief en muzikaal, maar ook manipulatief. Als jongetje zet hij het internaat op stelten, sluit hij zijn kleine broertje op in de kelder en op zijn veertiende rijdt hij de auto van zijn vader total loss. Later slaat hij de tv van zijn vriendin stuk en bedelt hij om geld bij zijn grootmoeder. ‘Bomma’, door wie Lieve als kind deels wordt opgevoed en bij wie ze soms in bed slaapt, noemt Fonny de antichrist.”

Wat was er met Fonny aan de hand? Heeft hij ooit een goede diagnose gekregen?

“Fonny had waarschijnlijk een psychopathische aanleg. En als hij die niet al had, dan had hij die zeker gekregen vanwege de drugs die hij gebruikte, heeft een gepensioneerde psychiater mij uitgelegd.

“Wij hebben allemaal het begin meegemaakt van Fonny’s verslaving. In het grensgebied met Nederland waar wij woonden, waren hasjiesj in de jaren zestig makkelijk te krijgen. We hebben bijna allemaal geëxperimenteerd met drugs. Maar op een bepaald moment begint het leven. Je gaat studeren, probeert recht te doen aan je talenten. Dat is bij Fonny nooit gebeurd. Hij voelde een leegte – dat las ik later ook in zijn dagboeken – die hij opvulde met drugs. Fonny was geen doorzetter. Hij begon met iets, maar gaf het altijd weer op.”

Uw ouders namen Fonny in bescherming. Uw vader hielp hem zelfs om na het ongeluk de voogdij over zijn dochter te krijgen. Begreep u dat?

“Mijn vader dacht dat Fonny daar beter van zou worden, dat die verantwoordelijkheid goed zou zijn voor hem. Hij begreep niet dat Fonny die in dat stadium allang niet meer aankon.

“Ik denk dat mijn vader eeuwig bleef hopen dat iets zou helpen. Het begon met een chalet in de tuin, daarna kwam er een gitaar, een elektrisch orgel, een stage bij een bevriende juwelier. Mijn vader probeerde voortdurend pleisters op de wonde te plakken. Zoals psychiaters zeggen: verwenning-verwaarlozing. Je geeft iets toe, maar het echte probleem wordt niet aangepakt. Als wij er iets van zeiden, zei hij altijd: ‘Fonny is mijn kind. De parabel van de verloren zoon, kent ge die niet?’

“Je mag er niet naar kijken met de kennis van nu. Wat wisten mijn ouders van psychologie? Zij begrepen niet wat drugs waren, wat verslaving was.”

U en uw broers en zussen wilden Fonny gedwongen laten opnemen na zijn ongeluk, maar dat is niet gebeurd omdat uw ouders het niet wilden. Hebt u daar spijt van?

“Nee. Een kind kan zijn ouders niet leren wat zij moeten doen. Mijn grootmoeder noemde Fonny de antichrist, dat was hoe haar generatie ernaar keek. Elke generatie heeft haar eigen manier om met problemen om te gaan.

“Je kunt niet even binnenkomen en de boel oplossen. Dat probeerden we wel, maar zo werkt het niet. Wij hadden ons eigen leven, mijn broers en zussen hadden kinderen die ze moesten beschermen. Zelfs als wij regelden dat Fonny naar een instelling ging, was hij na vier dagen weer thuis. Er was geen echte oplossing.

“Assani, de Congolese rebel over wie ik het boek ‘Het uur van de rebellen’ schreef, zei in die tijd tegen me: een man die in een put ligt, moet zich oprichten en zijn armen naar je uitsteken, anders is hij loodzwaar en kan je hem er niet uit halen. Dat mijn vader dat toch probeerde, leidde uiteindelijk tot een soort Griekse tragedie.”

Als Fonny overlijdt aan een overdosis keert de woede van uw vader zich tegen zijn andere kinderen. Die hebben Fonny laten stikken. Hoe ga je om met die verwijten?

“Hij vond ons harteloos. Natuurlijk was dat pijnlijk en dacht ik toen: je hebt ongelijk. Maar het heeft geen zin achteraf te zeggen dat mijn vader ongelijk had. Het is gelopen zoals het is gelopen. Zo is het leven.”

Hoe komt het dat u zonder wrok kunt terugkijken?

“Dat komt ook door wat er na Fonny’s dood is gebeurd. Ik heb mijn vader de laatste jaren van zijn leven vaak bezocht toen hij dementerend was en in een verzorgingshuis zat. Mijn moeder was al overleden. Dagenlang bekeken we fotoboeken van vroeger. Alle kwade woorden die tussen ons waren gevallen, spoelden weg. Hij was weer het kleine jongetje van vroeger. Mijn vader was niet iemand die je aanraakte, maar in die tijd trok hij je naar zich toe. Heel lief.

“Hij bladerde eens voorbij een foto van de kleine Fonny, sloeg de pagina terug en zei: ‘Dat is een heel speciale jongen’. Bij een foto van zijn ouderlijk huis zei hij: ‘Daar is iets ergs gebeurd’. Ik kon plotseling in de tunnel van zijn leven kijken, naar de dingen die belangrijk waren in zijn leven en die hij niet had kunnen oplossen. Wij waren allemaal uitgevlogen, maar Fonny niet.”

Wat vinden uw broers en zussen van het boek? Hebben zij het gelezen?

“Nee, ze hebben het niet gelezen. Maar ze wisten waar ik mee bezig was. Ik heb hen vaak om raad gevraagd en samen met hen herinneringen opgehaald. In het begin vroegen ze weleens: ‘Moet je dat wel opschrijven?’ Sorry, toen ik het leed van andere mensen beschreef, waren ze trots op me. Ze konden verwachten dat ik op een dag de blik ook naar binnen zou keren. En dat heb ik met veel mededogen en liefde proberen te doen.”

Je hoort vaak dat families na zo’n drama uit elkaar vallen.

“Het drama heeft ons misschien juist samengebracht. Bovendien hadden we de zorg voor Hildegarde, mijn zusje met het syndroom van Down. Dat schept een enorme band. Nadat mijn vader overleed in 2008 gingen we iedere zomer met haar op vakantie. Tot ook zij in 2014 overleed.

“Mijn broers en zussen komen allemaal naar de presentatie van mijn boek. Ja, de familie Joris werkt nog steeds als een familie.”

Wie is Lieve Joris?

Lieve Joris (1953) studeerde journalistiek in Utrecht en begon haar carrière bij de Haagse Post. Ze schreef twaalf non-fictieboeken over haar reizen door Afrika, Oost-Europa, het Midden-Oosten en China. Haar boeken zijn in negen talen, waaronder het Duits, Engels en Frans, vertaald. Voor haar werk kreeg ze onder meer de Henriëtte Roland Holstprijs, de Cultuurprijs van de Vlaamse gemeenschap en de Bob den Uylprijs. In 2010 benoemde Frankrijk haar tot ‘Ridder in de Orde van Kunst en Letteren’.

Lieve Joris, ‘Terug naar Neerpelt’, 256 blz., € 19,99

Lees ook:

Griet Op de Beeck: De opluchting die ik had verwacht, is absoluut niet gekomen

Schrijfster Griet Op de Beeck heeft de afgelopen maanden duizenden mails beantwoord van mensen, vaak lotgenoten, die reageerden op haar onthulling dat ze als kind is misbruikt. Het leidde tot heftige emoties, maar ze komt nu sterk terug als auteur van het Boekenweekgeschenk.

Hoe ga je verder na het verliezen van een dierbare?

Geerteke van Lierop (38) verloor twee jaar geleden haar partner Bas. Ze verwerkte het verlies in de novelle 'Een zee van glas'. "Op zijn sterfdag werd ik weer net zo misselijk wakker als toen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden