Review

Lieske in gevecht met de engel van de werkelijkheid

Sommige prozawerken zouden eigenlijk tussenboeken moeten heten: geen roman, geen verhalen- of essaybundel en ook geen autobiografie, maar op een inventieve en ook vernieuwende manier van alles wat. Een goed voorbeeld van zo'n tussenboek is 'Het gemillimeterde hoofd' van Gerrit Krol. 'Een wak in het kroos' en 'Pop op de bank' van Willem Brakman neigen er sterk naar.

T. VAN DEEL

Niet toevallig zijn dat alle drie boeken waarin de schrijvers hun kunstopvattingen uiteenzetten, soms regelrecht, soms indirect via al dan niet autobiografische verhalen of bespiegelingen. Het tussenboek wordt, zo bezien, ook werkelijk de verbindende factor of het fundament van het oeuvre.

Tomas Lieske heeft met 'De achterste kamer' zijn tussenboek geschreven, overigens zonder er enige verwijzing in op te nemen naar zijn andere werk. Dat wordt er wel degelijk door verduidelijkt, of liever gezegd: de instelling van de schrijver, zoals die bij voorbeeld blijkt uit zijn roman 'Nachtkwartier' of zijn verhalenbundel 'Oorlogstuinen', krijgt door middel van dit boek een steuntje in de rug. Het sleutelwoord is 'werkelijkheid' en wat de moeilijkheden precies zijn om daar literatuur van te maken, daarover gaat het in alle toonaarden:

“Literatuur en werkelijkheid: zij staan op gespannen voet met elkaar. Tenminste de literatuur die mij interesseert. Het weergeven, nabootsen, navertellen van de werkelijkheid: het lukt niet en het gaat er niet om in de literatuur. Evenmin is de literatuur een verzameling psychologische casussen. Er is nog steeds (of opnieuw) een soort kritiek die beoordeelt of de boeken wel realistisch genoeg zijn, wel overeenkomen met de werkelijkheid en of de personages wel psychologisch kloppen. Er is nog steeds (of opnieuw) een groep lezers die alleen leest om zichzelf te herkennen en om in de spiegel te kijken. De literatuur wil associatie, het tot stand brengen van verbanden die nog niet bestonden, een andere kijk op het leven en op de wereld. De schrijver werkt niet met psychologische handboeken maar met innerlijke muziek, met woorden en met beelden.”

Dit is een principiële, heldere passage, we weten na dit gelezen te hebben waar Lieske staat en we weten ook dat we van een roman van zijn hand iets geheel anders kunnen verwachten dan eenvoudig realisme met psychologisch verantwoorde personages. Lieske is er zich te zeer van bewust dat een schrijver niet naschrijft, maar voorschrijft. In het schrijven wordt een werkelijkheid gemaakt, niet nagebootst.

Misschien moet het nog anders gezegd worden: het schrijven moet de werkelijkheid laten zien zoals die werkelijk is. De Amerikaanse dichter Wallace Stevens ontwierp een 'angel of reality', een engel van de werkelijkheid, door wie we in staat zouden zijn de wereld op een andere manier te zien.

Lieske vertelt in het openingsverhaal dat hij in 1950 met deze engel in één huis heeft gewoond. Zijn ouders hadden namelijk voor negen maanden een Duits meisje van zeven jaar, even oud als hij, in huis genomen, Rosemarie. Zij was als de dood voor mannen, had verschrikkelijke nachtmerries en sliep in de treurige, vochtige achterste kamer van het huis.

En deze Rosemarie opende de ogen van de jonge Lieske voor het bestaan van wat hij de zwarte kant of de nachtkant noemt, waar wreedheid en angst heersen. De demonische wereld onder of achter de geruststellende, het ware gezicht achter het masker, de binnenkant van de buitenkant. Lieske denkt voortdurend in termen van een dergelijk dualisme.

Daar komt nog bij dat hij in de tijd van Rosemarie woonde bij het platgebombardeerde Bezuidenhout, waar een groot terrein vol puin een spannende en door kinderen drukbezochte tussenruimte was: “Ons huis lag aan deze zijde van het puin, de rest van het leven, kerk, school en dropwinkel, bevond zich aan gene zijde van het puin. We kruisten het puin minstens vier keer per dag. Als ik door Rosemarie ben veranderd en als er met die verandering in mij een waanzin of onaangepastheid is gevaren, is het in dat puin gebeurd. Hoe heerlijk ook als speelterrein, dit puin is een gebied geweest dat zich in mij wild heeft voortgezet.”

Wordt zo zijn schrijfopvatting gefundeerd in biografische gegevens, in de loop van zijn uiterst gevarieerd gecomponeerde tussenboek blijken ook andere schrijvers, Stevens noemde ik al, aan inzichten te hebben bijgedragen. W. F. Hermans in de allereerste plaats: van hem leerde Lieske “dat wat er in ons hoofd gebeurt, minstens zo belangrijk is als wat er in de werkelijkheid om ons heen plaatsheeft. De werkelijkheid kan literair vervormd worden; de werkelijkheid is slechts schijn; wat ik denk is van een grotere orde dan wat er om me heen gebeurt”.

Behalve Hermans komen er nog verschillende andere schrijvers in de levens- en leesgeschiedenis van 'De achterste kamer' aan de orde. D. Hillenius, die in zijn notitie-achtige gedichten voortdurend in gevecht lijkt met de engel van de werkelijkheid, die het raadsel van de werkelijkheid op de staart wil trappen, maar ook inziet dat we het instrumentarium missen om dat te kunnen, dat alleen soms, als bij toverslag, een sluier lijkt opgetrokken en wij even zicht krijgen op de werkelijkheid. Ook Eva Gerlach, Leo Vroman en Hans Faverey, drie andere dichters, komen met veel affiniteit ter sprake.

Het hoeft niet te verbazen dat een schrijver die evenzeer een werkelijkheid aantreft in het eigen hoofd, zich zal bezighouden met het geheugen, met de tijd en met de dood. Hoewel 'De achterste kamer' anders in elkaar steekt, ik bedoel: veel samenhangender is, dan een essaybundel als 'Ontroeringen' van J. Bernlef, heeft Lieske's tussenboek toch wel trekken daarvan en zijn hun beider denkbeelden beslist verwant. Ook Lieske put zijn materiaal uit andere kunsten, toneel, film, fotografie, en ook hij heeft daarbij een obsessieve belangstelling voor 'De noodzakelijke engel' van Stevens, ook de titel van een dichtbundel van Bernlef.

Maar Bernlef zou toch niet gauw een zo meanderend en ten slotte toch weer associatief sterk samenhangend essayverhaal over Venetië schrijven, dat met enkele persoonlijke ervaringen start, dan overgaat op de dichter Wilfred Smit (wie kent hem nog?), vervolgens Joseph Brodsky laat passeren, doorloopt naar Vestdijk met zijn Venetiaanse roman 'De leeuw en zijn huid', en dan bij Kees Verheul terechtkomt, in wie om zo te zeggen de drie vorige schrijvers zijn opgenomen.

Ik heb veel aspecten van het boek onaangeroerd moeten laten - het is bijzonder concies geschreven en doet nog weer extra beweringen door zijn associatieve bouw in delen en hoofdstukken - maar één interesse van Lieske mag ik niet onvermeld laten: voor foto's die het verdwijnen zichtbaar maken, zoals foto's doen van uitstervende dieren of van opgezette dieren in vitrines. Een aantal van deze naar ik veronderstel zelf genomen foto's besluit het boek. Ze zijn voorzien van poëtische onderschriften die de sloop en het verval door de tijd onder ogen zien. Ook die maken onderdeel uit van Lieske's artistieke gevecht met de engel van de werkelijkheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden