Essay

Leve de moderne architectuur! (Maar Baudet heeft wel een punt)

Hangwoningen in Amsterdam-Osdorp. Beeld MVRDV architecten

De architectuur moet bijdragen aan de gemeenschap. Daar heeft Thierry Baudet een punt. Maar zijn recept is erger dan de kwaal.

Architectuur wordt gewoonlijk niet zo serieus genomen door politici. Bij Thierry Baudet ligt dat anders: in zijn inmiddels veelbesproken overwinningsspeech op de avond van de provinciale verkiezingen kwamen architectuur en stedenbouw een aantal keren langs. Cruciale zin: “We worden ondermijnd door universiteiten en journalisten, door de mensen die onze kunstsubsidies ontvangen en die onze gebouwen ontwerpen.”

Baudets aandacht voor architectuur hoeft geen verrassing te zijn. Hij haalt regelmatig uit naar de kunstsector en architectuur, die, al dan niet gesubsidieerd, hun elitaire smaak - moderne kunst, moderne architectuur, atonale muziek - aan het publiek opdringen. Eerder noemde hij de moderne architectuur al niet minder dan ‘een daad van agressie tegen de gemeenschap.’ En met een kwinkslag omschreef hij Rem Koolhaas, al decennia Nederlands bekendste architect, ‘een misdadiger tegen de menselijkheid.’

In de analyses van zijn speech werd Baudets kritiek op ‘degenen die onze gebouwen ontwerpen’ en zijn geloof in de traditionele stedenbouw niet meer genoemd. Alleen architecten lachten deze opmerkingen meewarig weg op Twitter. Mij is dat te gemakkelijk. In Baudets reflecties op ‘de brokstukken van de beschaving’ is zijn kritiek op de architectuur immers nooit ver weg. Architectuur is dan ook geen private hobby van Baudet, maar zou wel eens een cruciaal inzicht kunnen bieden in zijn politieke programma.

Karikatuur

Wanneer hij het heeft over zijn politieke ambities, komt altijd de kritiek op de bestaande elite langs, die het land en zijn culturele schatten uit cultuur-marxistisch schuldgevoel of pure oikofobie - een term die hij van de Britse filosoof Roger Scruton overneemt - openstellen voor vreemde elementen. Zijn politieke programma wil het tegenoverstelde: de eigen culturele traditie omarmen, om daarmee de oikos (een thuis) te herstellen.

Volgens Baudet bestaat dit ‘thuis’ voor een gemeenschap uit drie niveaus: politiek, ethisch en esthetisch - een ‘wij’, waar ‘onze’ regels gelden, en waar we ‘iets doen wat wij mooi vinden’. Vandaar dat wat politiek, ethisch en esthetisch al te afwijkend of vooruitstrevend is met argwaan wordt benaderd.

Baudets programma is het mijne niet, en de oikofobie herken ik niet - zeker niet binnen de hedendaagse architectuur. Ironisch genoeg sluit zijn programma meer aan bij de moderne architectuur dan hij zal willen geloven.

In lijn met zijn leermeester Scruton lijkt Baudets kritiek vooral geënt op een karikatuur van de moderne architectuur, waarbij vooral de Zwitserse Fransman Le Corbusier (1887-1965) het moet ontgelden. Le Corbusier wordt gezien als een van de grondleggers van de moderne architectuur, en staat vooral bekend om zijn radicale plannen die geïnspireerd lijken op de snelle ontwikkelingen in de techniek in die dagen, waarbij auto’s, vliegtuigen en oceanliners zijn voorbeelden waren. De architectuur kon niet achterblijven, en moest breken met de traditionele kaders van de stad en de architectuur.

Als het aan Le Corbusier had gelegen, zag Parijs er nu zo uit. Beeld Corbusier

Megalomaan plan

Le Corbusier had een radicaal plan voor het hele centrum van Parijs. Dat wilde hij, op monumenten als het Louvre en de Notre Dame na, slopen en vervangen door enorme kruisvormige wolkenkrabbers in een uitgestrekt parklandschap. Inderdaad ligt er een marxistisch ideaal ten grondslag aan dit plan: verzet tegen de mensonterende omstandigheden waaronder de arbeiders van de snelgroeiende industrie moesten wonen.

De goede bedoelingen ten spijt is er van dat plan niets geworden. En gelukkig maar, want het zou een enorme aanslag zijn geweest op sociale en gewortelde gemeenschappen. Een dergelijk megalomaan plan is achteraf gezien natuurlijk een wake-up call voor alle architecten die, gedreven door goede bedoelingen, de emancipatoire kracht van architectuur overschatten. Grootschalig pakt, zo kunnen we na bijna een eeuw experimenteren wel concluderen, eigenlijk nooit goed uit. Dat hebben talloze architecten, Le Corbusier incluis, wel begrepen, zowel zijn geestverwanten als zijn opponenten.

Baudets suggestie dat traditionele stedenbouw en architectuur de oplossing is, overtuigt niet. Althans, niet per definitie. Je hebt prachtige traditionele architectuur, maar evenzoveel mislukte projecten. Juist in Nederland kregen architecten als de Luxemburger Rob Krier alle ruimte. Hij greep terug op middeleeuwse stadspatronen. Neem de wijk Brandevoort bij Helmond, een plan gebaseerd op een oud stadscentrum. Maar wat opvalt is dat er dezelfde kunststof kozijnen en goedkope bouwdeuren zijn gebruikt als in andere wijken. De huizen hebben dezelfde standaard woningindeling, dezelfde verdiepingshoogte. Parkeren gebeurt in het binnenterrein, en daardoor kunnen de bewoners rechtstreeks van de auto hun tuin in, zonder de buren te ontmoeten. Het ziet er misschien schattig uit, maar draagt niet echt bij aan de vorming van een duurzame gemeenschap.

‘Alles-kan’mentaliteit

Het probleem is niet ‘moderne’ architectuur, maar dat vandaag de dag alles mogelijk is, óók traditionele architectuur. Door die ‘alles-kan’ mentaliteit is het vak ontdaan van zijn evidente publieke belang, en verworden tot de toevallige smaak van de opdrachtgever, die er het juiste architectenbureau bij zoekt. Op de percelen naast Brandevoort gaat nu Ben van Berkel en zijn Amsterdamse bureau UNStudio (bekend van het hypermoderne Centraal Station van Arnhem) aan de slag met ‘smart data’. Een totaal ander ideaal. En niemand die er wat van zegt.

Dat is precies wat we missen in de samenleving: een gedegen gesprek over architectuur is er sinds de tweede helft van de jaren 1990 en de beginjaren van 2000 niet meer. Het waren de ‘zeven vette jaren’ van de architectuur. Rem Koolhaas had met zijn scherpe analyses van de hedendaagse samenleving en de geglobaliseerde steden, en zijn ongewone keuze voor vormen en materialen, de weg naar het wereldtoneel voor de jonge Nederlandse architecten geopend. Met hun conceptuele architectuur trokken ze wereldwijde aandacht.

Het kon zo gek niet bedacht worden, of het kon ook gebouwd worden: van de hangende woningen in Amsterdam Osdorp (MVRDV, 1997) tot de in de geluidswal geïntegreerde dealer van luxe auto’s bij Utrecht (Kas Oosterhuis, 2006), van opgeblazen Zaanse huisjes in Zaandam (Sjoerd Soeters, 2008) tot de koffiebar met basketbalveld op het Uithofterrein in Utrecht (NL Architects, 2000).

De Helmondse nieuwbouwwijk Brandevoort is ontworpen met een nostalgische inslag, en nadruk op het individu. Beeld Werry Crone

Bijdrage aan de gemeenschap

De architect werd een rock-star, die vaker in het vliegtuig zat dan op kantoor. Maar in al dat architectuurgeweld werd steeds minder duidelijk waar het vak over gaat. Is de meerwaarde van architectuur de fancy gevel, de iconische vorm, de originaliteit? Dit gebrek aan inhoud werd al te pijnlijk duidelijk toen in 2008 de financiële crisis toesloeg. Er bleken alleen nog ‘leuke ideetjes’ over, en daarvoor wil natuurlijk niemand betalen.

Baudet heeft een punt als hij verwacht dat architectuur bijdraagt aan de gemeenschap. Maar of dit nu met moderne of klassieke vormen is, is minder relevant. Beter kan hij pleiten voor meer kwaliteit, die zich vertaalt in goede materialen, fijne ruimtes en spannende ruimtelijke relaties, zowel in gebouwen als in wijken. En of dat belangrijk is!

Er zijn vele niveaus waarop de gebouwde omgeving van invloed is op de samenleving, bewust en onbewust. Kunnen we school, werk en winkel op prettige manier lopend of met de fiets bereiken? Is er goed openbaar vervoer, of moeten we gebruikmaken van de auto? Dat beïnvloedt onze gezondheid, maar heeft ook impact op het sociale leven, op de gemeenschap. Een hofje of een centrale speelplaats nodigt meer uit tot sociale contacten dan simpele straten met parkeerplaatsen. Wie lopend naar school kan, komt nog eens iemand tegen. Die ontmoetingen hebben op een of andere manier invloed op ons, net als de (vormgeving van de) ruimte zelf en het materiaal. We worden erdoor geconditioneerd. Het bepaalt onze blik op de wereld, en in zekere zin ons zelfbewustzijn. Winston Churchill had dit door toen hij in zijn pleidooi voor de herbouw van het Britse parlementsgebouw stelde: we shape our buildings, thereafter they shape us.

Architectuur moet, zo kun je concluderen, geen hobby van architecten zijn, noch het kunstzinnige speeltje van elitaire bestuurders. Het is iets wat de hele samenleving aangaat, omdat het mens en samenleving conditioneert.

De moderne agenda

Bouwen aan de gemeenschap is een mooi streven. Maar wat betekent dit? Cultuur is, zo kunnen we in navolging van de filosofe Hannah Arendt stellen, het voorzichtig omgaan met het bestaande, maar toch ook zonder angst om in te grijpen waar nodig. Dat geldt ook voor de architectuur. In een dichtbevolkt land als Nederland, met zulke mooie historische kernen, is de inpassing (niet noodzakelijk aanpassing) van het nieuwe in de bestaande omgeving de cruciale opgave. Maar ook andersom: de aanpassing van het bestaande aan nieuwe wensen en patronen, nieuwe gemeenschappen en nieuwe vormen van samenleven.

Juist dat perspectief is in de architectuur - uitzonderingen daargelaten - vervaagd onder haar grootschalige succes. Maar nu komt het: de zoektocht naar een architectuur die bijdraagt aan gemeenschapsvorming in tijden van verandering was precies wat de moderne architecten nastreefden: zoeken naar een architectuur die een samenleving in ontwikkeling accommodeert.

Als mobiliteit verandert en gezinnen niet langer de hoeksteen van de samenleving zijn, heeft dat gevolgen voor de structuur van de stad en het ontwerp van (woon)gebouwen. De moderne agenda dus, maar dan met een gezonde portie zelfkritiek en wantrouwen ten opzichte van grootschalige verwachtingen die ten grondslag liggen aan megalomane projecten.

De nieuwe openbare bibliotheek van Seattle, ontworpen in samenwerking met Rem Koolhaas. Beeld AFP

Op zoek naar een thuis

Dit brengt ons dan ook meteen naar de ethische dimensie van het vak, die eigenlijk parallel loopt met het vak van politici. Interventie in een gedeelde wereld, in de politiek via wetten en regels, in de architectuur via projecten, is een verantwoordelijke taak, waarover aan de samenleving verantwoording moet worden afgelegd. Dat te beseffen maakt ruimte voor de nodige gezonde (zelf)kritiek.

Daarom kom ik terug bij Baudets ambitie: het herstellen van de oikos. Ligt het gevoel verloren te zijn wel aan de oikofobie van de elite? Is het niet veel fundamenteler - onderdeel van de condition humaine? Het is immers een thema dat in elke levensbeschouwing, en zeker ook in het christendom aan de orde komt. Vanaf het allereerste begin, de verdrijving uit het paradijs, tot aan de laatste pagina’s, de belofte van een nieuwe hemel én aarde (en God die tussen de mensen zal wonen) biedt de Bijbel een verhaal over mensen op zoek naar een thuis.

Het gevoel van thuisloosheid toont eerder dat hunkeren naar geworteld-zijn al te menselijk is, en dat de aarde niet onmiddellijk geschikt is voor de mens om zich te vestigen. Vandaar de behoefte om telkens maar in te grijpen. Om voor verhuizing het huis aan te passen, een jaar later een andere bank te kopen, alsnog een nieuwe keuken te plaatsen.

Dat is precies ook een beeld voor de politiek: telkens nieuwe projecten, wetten en regels, om te beantwoorden aan nieuwe wensen, gevoelens, uitdagingen, ontwikkelingen. Thuisloosheid is niet op te lossen met een politiek programma, laat staan met een traditionele vormentaal in de architectuur.

De architect kan het thuis voor de gemeenschap niet bouwen, de politicus kan het niet regelen. Sterker nog: met de ambitie zo’n thuis te creëren, lopen - om met Baudet te spreken - beide het gevaar een regelrechte ‘aanslag’ op de samenleving te zijn.

Hans Teerds (1976) is architect en stedenbouwkundige. Hij doceert stadstheorie aan de ETH in Zürich. In 2017 promoveerde hij op een onderzoek naar de publieke aspecten van architectuur.

Lees ook:

De uil van Minerva en de boreale wereld: wat zei Baudet nou eigenlijk?

Thierry Baudet hield een opzienbarende overwinningstoespraak. In zijn bombastische stijl sprak hij achtereenvolgens over de ‘uil van Minerva’, ‘beschavingsfamilie’ en ‘boreale wereld’. Wat betekenen die termen eigenlijk?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden