Review

LEO PLEYSIER EN HET MAXIMALE MINIMALE Ik schrijf proza met de concentratie van een dichter

Leo Pleysier voelt de schouderklopjes weer, als hij terugdenkt aan de uitreiking van de AKO-literatuurprijs 1989 in het sjieke Amstel Hotel. De Vlaming was met 'Wit is altijd schoon' voor velen de grootste kanshebber. Maar alle loftuitingen ten spijt gingen eer en geld naar Brigitte Raskin. Dit jaar is Pleysier genomineerd voor de eerste Librisprijs met 'De gele rivier is bevrozen'. Hij bedankt alvast vriendelijk voor een hernieuwde favorietenrol. “Want favorieten winnen meeestal niet”, weet hij inmiddels. Leo Pleysier wordt uitgegeven door De Bezige Bij in Amsterdam.

“Ik keek mijn vrouw aan”, herinnert Pleysier zich het voorval, “en vroeg haar of zij misschien wist waar die titel op sloeg. Ik ben nog gaan kijken of er wellicht ergens in mijn schuif een boek met die titel lag, maar nee.” De typiste bleek hem genomineerd te hebben met een boek van Rudy Kousbroek. Die fout werd uiteraard hersteld, de aanwijzing van de winnaar niet.

De uitverkiezing van 'De gele rivier is bevrozen' kwam voor Pleysier niet uit de lucht vallen. “Het boek was overal heel erg goed ontvangen, in de kritiek en in de verkoop.” Bovendien eindigde de Vlaming met zijn jongste roman in de topdrie van de strijd om de Mekka-wisselbeker, een prijs waarbij Nederlandse en Vlaamse critici gevraagd wordt een lijstje in te leveren met daarop hun tien 'mooiste' boeken. Over zijn kansen om met 'De gele rivier is bevrozen' de eerste Libris prijs te winnen en daarmee een geldbedrag van honderduizend gulden, weigert Pleysier evenwel te speculeren. “Het zou dwaas zijn om 16 mei naar de uitreiking te gaan met de gedachte dat ik die prijs ga winnen. Bij dit soort wedstrijden wint de favoriet gewoonlijk niet. Wie erop zit te wachten, komt vaak bedrogen uit.”

Over de concurrenten voor de Libris literatuur prijs wil Pleysier evenmin veel kwijt, eenvoudig omdat hij hun boeken nog niet gelezen heeft. “Ik heb wel bij de nominatie een pakketje met het werk van de anderen gekregen”, vertelt hij, “maar het zou verkeerd zijn om dat allemaal nog voor de uitreiking te gaan lezen. Dat heeft iets van het elkaar beloeren voordat de eindsprint wordt ingezet. Zo van, hoe staan de anderen ervoor? Onbevangen lezen lukt nu toch niet. Ik heb al wel hier en daar wat zitten bladeren, maar echt genietend lezen doe ik pas achteraf.”

'De gele rivier is bevrozen' gaat over de fascinatie van een jongetje voor zijn bevlogen tante Roza, die kort na de oorlog, tegen de zin van haar ouders, Vlaanderen achter zich laat, om in China - en later India - als non missiewerk te gaan doen. De ik-figuur vormt zich een beeld van zijn 'papieren tante', hoofdzakelijk door de brieven die ze het thuisfront schrijft en die zijn moeder aan hem en de andere kinderen voorleest, en door het commentaar daarop. En, niet te vergeten, de opmerkingen van ooms en tantes, die maar niet kunnen begrijpen waarom iemand zijn beschermde milieu verruilt voor een loodzwaar bestaan aan de andere kant van de wereld. Zo ontstaat niet alleen een portret van 'tante non', maar ook van het Vlaamse leven uit die tijd, met al zijn vooroordelen en vooringenomenheid. “De geschiedenis van tante Roza”, legt Pleysier uit, “is eigenlijk de geschiedenis van iemand die vreemd wordt. Zij gaat niet alleen met de rug naar haar familie staan, maar ook naar haar land, Vlaanderen. Tante Roza beschouwde zichzelf als een soldaat van de stoottroepen van de katholieke kerk, die destijds werden uitgezonden tegen het zondige, heidense en communistische China. Na zoveel jaren komt zij terug en blijkt dat niet alleen zijzelf veranderd is - ik ben ervan overtuigd dat ze al vrij snel met de voeten terug op de grond gekomen is - maar ook Vlaanderen, dat een halve draai om zijn as gemaakt heeft. Velen hier beschouwden tante Roza als een naieveling. Maar ik vind haar bijzonder, heb respect voor haar. Ze is realistisch geworden zonder haar bevlogenheid te verliezen.”

Een van de dingen die de ik-figuur het meest frappeert aan zijn tante is het taalgebruik in haar brieven. Sinds haar vertrek uit Vlaanderen is zij maar twee keer teruggeweest naar haar geboortegrond. 'Ginderachter' gebruikte ze haar moedertaal enkel om te schrijven. En dat is te merken. “De taal in haar brieven is die van voor de oorlog”, legt Pleysier uit. “Ook na 35 jaar missiewerk. Haar taal is als het ware bevroren, of liever: bevrozen. Dat woord refereert aan het archaische, vooroorlogse taalgebruik. Het geeft tegelijkertijd aan wat er met iemands taalgebruik gebeurt, die jarenlang weg is uit zijn moedertaal. Die taal blijft onveranderd, daar komt niks meer bij.”

Taal heeft Pleysier zijn hele leven al gefascineerd. In Vrij Nederland drukte hij het onlangs als volgt uit: “Ik ben overgevoelig voor taal. Taal doet mij pijn. De meeste woorden die mensen zeggen tegen mij, doen mij zeer. De meeste aansprekingen ( ... ) ervaar ik als geweldplegingen. Hoe lang, hoe luid, hoe zacht, de toon waarop: het doet er allemaal heel erg toe. Daar mag niks mis mee zijn, of ik klap dicht.”

Zijn passie en angst voor taal heeft ook zijn weerslag op het schrijfproces. Zelden zijn Pleysiers romans veel langer dan honderd pagina's. “Omdat ik proza schrijf met de concentratie van een dichter”, legt hij uit. En dat kost tijd. Veel tijd. “Je moet van mij niet elk jaar een boek verwachten. Van elke zin die ik opschrijf, moet ik het gevoel hebben dat ik het maximale eruit gehaald heb. Een zin moet ook ritmisch klinken, als muziek. Wanneer een boek af is, heb ik er zo'n stuk of acht versies op zitten. Als ik begin met schrijven, weet ik niet waar het op uit zal draaien. Ik werk niet met structuren. Ik ben een slecht planner. Vaak zie ik pas achteraf dingen, overeenkomsten waarvan ik tijdens het schrijven geen flauw benul heb.”

Op zijn zestiende wist Leo Pleysier van de ene op de andere dag dat hij schrijver wilde worden. Het lezen van een gedicht (“Vraag me niet welk”) had hem daartoe genspireerd. Niets kon hem daar nog vanaf brengen. En met die vaste wil debuteerde hij in 1971 als 26-jarige met 'Mirliton', een experimentele roman, door de uitgever van Stijn Streuvels uitverkoren om te worden gepubliceerd. “Twee jaar later ging de uitgever failliet”, herinnert Pleysier zich. Nadat zijn tweede uitgever, De Standaard, zich wel erg minimaal had ingespannen om zijn boek 'Negenenvijftig' aan de man te brengen, besloot hij een eigen stencilmachine te kopen. Die gebruikte hij om 'De razernij der winderige dagen' (1978) te produceren in een oplage van tien exemplaren.

“Om aan vrienden te geven”, legt Pleysier uit. Diezelfde vrienden vonden dat hij ook moest proberen het boek aan Nederlandse uitgevers te slijten. De Bezige Bij hapte als eerste. “Daar was ik zeer verguld mee. Zeker toen ik later hoorde, dat Remco Campert mijn manuscript uit de stapel getrokken had en gezegd had, dat ze mijn boek moesten publiceren.” Pleysier is zijn uitgever dankbaar dat hij hem is blijven publiceren, ook al was zijn werk aanvankelijk niet winstgevend.

De doorbraak in Nederland kwam pas bij 'Wit is altijd schoon' (1989), een schitterend boek, waarin een zoon gezeten aan het sterfbed, zijn overleden moeder maar hoort doorpraten, door niets of niemand af te stoppen en in een taal die Pleysier zelf 'omgangstaal' noemt. “Een taal die je niet dialect kunt noemen, want die wordt nergens zo gesproken, maar waarvan men zegt: zo zou het kunnen klinken. Het is een bewerkte taal, zeg maar een kunstvlaams.” Dat dit boek alom waardering oogste, streelde Pleysier, maar tegelijkertijd ergerde hij zich aan de onwetendheid van sommigen, die dachten met zijn debuut van doen te hebben. “Hoe traag moet de informatie van Vlaanderen naar Nederland wel niet verlopen, om te kunnen veronachtzamen dat ik al drie boeken geschreven had? ”

Een belangrijk element in het schrijverschap van Pleysier is zijn afkomst. Als zoon van een veehandelaar uit Rijkevorsel, een agrarisch dorp tussen Antwerpen en Turnhout, voelde hij zich al snel niet meer thuis in de omgeving waarin hij noodgedwongen opgroeide. De gewelddadige kant van dat leven stond hem als jongetje van tien al tegen. Pleysier vluchtte dan ook naar zijn eigen wereldje, dat van de boeken “in de hoop dat die wereld wat zachter, wat lieflijker zou zijn”.

Ook na bijna 49 jaar woont hij nog altijd in de plaats waar hij geboren werd, opgroeide en een tijd lang dorpsonderwijzer was tot 1990, het jaar waarin hij koos voor full time schrijverschap. Pleysier benadrukt dat wonen in die omgeving nog niet hetzelfde betekent als “er thuis zijn”.

Wie bij zijn witte, Rietveld-achtige woning in Rijkevorsel aanbelt, krijgt de indruk van een semi-bunker, waar de voordeur uit gepanserd materiaal lijkt vervaardigd en de architect ogenschijnlijk vergeten is ramen te tekenen. Pas wie vanuit de riante tuin aan de achterkant het huis beziet, moet wel concluderen dat er meer dan voldoende glaswerk in de woning is aangebracht. Een huis met optimale privacy.

Bovendien houdt Pleysier nog maar weinig contact met zijn omgeving en stelt hij dat je als schrijver niet noodzakelijkerwijs fysiek weg hoeft te gaan uit het milieu dat het jouwe niet meer is. “Ik woon nog wel hier, maar dat betekent niet, dat ik niet mentaal geemigreerd ben. Weggaan, dat doe ik in mijn boeken. Ik beschouw mijzelf als een avonturier van de geest. Je hoeft niet, zoals ik op mijn zestiende dacht, op een zolderkamertje in het Quartier Latin in Parijs te zitten, om te kunnen schrijven. Het feit dat ik schrijf, betekent al dat er een enorme afstand is, want anders doe je het niet. Als mij iets niet interesseert dan zijn het teksten over hoe mooi en prachtig het hier is. Ik heb niets toe te voegen aan die idylle. Kijk naar buiten en stel vast hoe lelijk het platteland ondertussen geworden is, hoe het naar de vaantjes geholpen wordt.”

In 'Waar was ik weer' (1990), een bundeling van de trilogie 'Razernij der winderige dagen' (1978), 'De weg naar Kralingen' (1981) en 'Kop in kas' (1983) heeft Leo Pleysier een soort van 'bronnenonderzoek' uitgevoerd naar zijn eigen schrijverschap. “Van kindsbeen af heb ik geprobeerd om weg te rennen uit het milieu waar ik vandaan kom. Later kwam ik tot het besef dat je op een gegeven moment ook eens stil moet staan, om na te gaan wat er nou eigenlijk echt aan de hand is. Is er sprake van enkel afkeer? Nee! Wie mijn werk goed leest, ziet dat die houding van mij zeer ambivalent is: aan de ene kant heel hard weg willen rennen, aan de andere kant is er toch ook een zekere fascinatie, aantrekkingskracht. Het is een haat/liefde-verhouding, waar mijn schrijverschap op teert. En zo hoort het ook, vind ik.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden