Review

LEO PLEYSIER, 'DE GELE RIVIER IS BEVROZEN' SCHAATSEN OVER DE KLANK VAN WOORDEN

Leo Pleysier, 'De Gele Rivier is bevrozen', Amsterdam, De Bezige Bij, 1993, 147 blz. - F 27,50.

Het procede van de monoloog herhaalde hij in zekere zin in de roman 'De kast', waarin een oudere zuster haar broer in eindeloze telefoongesprekken van allerlei onbenulligheden op de hoogte brengt, waar hij meestal binnensmonds op reageert. Dit boek viel mij na het spectaculaire 'Wit is altijd schoon' enigszins tegen, het had iets teveel van een herhalingsoefening.

De nieuwe roman, 'De Gele Rivier is bevrozen', ziet er heel anders uit. De hoofdfiguur is tante Roza, een witte non die in 1946 voor de missie in China gaat werken, daar twee jaar later moet vluchten voor de Roden, allerlei nauwelijks nader genoemde narigheid meemaakt en ten slotte als een der laatste westerse religieuzen begin jaren vijftig door de Volksrepubliek het land wordt uitgezet. Zij keert dan terug naar Belgie en verblijft geruime tijd in het gezin van de verteller van de roman. Hij was een kind dat in de wieg lag toen zij vertrok, dan is hij een jongetje van een jaar of zeven.

Tante Roza fascineert hem: “De zwarte nonnen en de witte nonnen. De zwarte kende ik van op de kleuterschool. De witte, waar tante Roza bij hoorde, had ik nog niet eerder gezien. En ik vond haar soort en pluimage ook veel mooier. Eleganter vooral. Iets van een grote, trage vogel, had ze. Een meeuw. Een ooievaar. Een pelikaan die na een lange reis onverwacht bij ons thuis neergestreken was. En die hier kwam uitrusten en verse krachten opdoen.”

Zo iemand, die dan ook nog uit een ver, vreemd land komt, dingen heeft meegemaakt die niet zijn voor te stellen, en in het dorpse familieleven een type apart is, - zo iemand moet wel tot de verbeelding van het jongetje spreken. Een van de dingen die ze zegt, is het zinnetje 'De Gele Rivier is bevrozen'. “Zo'n stralende, heldere en welluidende zin, vond ik het, die zij nu ineens had uitgesproken. En hij klonk mij na in de oren alsof ik niet alleen over het ijs van die rivier maar evengoed over de klank van deze woorden kon schaatsen als ik dat wilde.”

Deze passage zegt iets over de aard van de roman. Die is enerzijds een herinneringsroman, waarin een beeld wordt gegeven van hoe de jongen, thans man, de tante heeft ervaren, in de familiekring en op afstand, in China en, later in India, waar zij zieken gaat verplegen. De roman zet twee werelden tegen elkaar aan, de dorpse en bekrompen wereld van de jongen (zijn vader, moeder, ooms en tantes, het gepraat over eten, over dagelijksheden, terwijl daar deze tante een volstrekt andere, geheimzinnige wereld vertegenwoordigd, die van een Chinse waaier of van een Indiase beschilderde kokosnoot). Bovenstaande passage laat zien dat de roman enerzijds handelt over deze werkelijkheid, maar anderzijds ook een taalkunstwerk is. Schaatsen kan op ijs, maar ook op de klank van woorden.

Pleysier schrijft onmiskenbaar autobiografische boeken, maar hij is er zich ook sterk van bewust dat hij als schrijver iets moet doen met taal. Vandaar de vele prachtige, naar poezie neigende opsommingen, zoals: “De stof van haar habijt had de kleur van melk, room ('zaan' noemde moeder dat altijd), biest. Het had de kleur van het karretje van de ijsventer dat op zondag kwam langsgereden. De kleur van papier dat in de zon had gelegen, van beddelakens die te lang in de kast zijn gebleven, melk met saffraan, rijstpapier en ivoor, vers geschaafd vurehout. De kleur van gedroogd riet, woestijnstof, verduurde glasgordijnen. Maar soms, als ze buiten was en de zon scheen op haar kleed, dan zag ze weer zo verblindend wit dat ik er helemaal draaierig van werd.”

De roman roept tante Roza's leven en wereld maar zeer indirect op, via brieffragmenten, vage gesprekken, half vernomen inlichtingen. Zij blijft een lege plek in een overigens door middel van gesprekken en gedragingen uitstekend getypeerde familie. De collagetechniek die Pleysier ook in zijn twee hieraan voorafgaande romans toepaste, zorgt voor associatieve verbanden, verrassende overgangen en dergelijke die de lezing van het boek tot een genoegen maken. De taal is soms een kunststreektaal. Zo zegt iemand: “Ze had zij daar eigenlijk toch niks te stellen ook niet.”

Hoe verschillend tante Roza is van de anderen, blijkt wel uit deze vergelijking:“ Tante Gabrielle, tante Yvonne, tante Wis..., dat waren nog eens echte tantes en zo gedroegen die zich en zo zagen ze er ook uit. Rond en blozend in hun openhartige bloemetjesjurken en met hun haar vers gepermanent en aldoor maar kwetterend en taterend onder elkaar gelijk mussen. De bakker en de beenhouwer en de doktoor. En van bij de naaister tijdens het passen van de nieuwe overjas die ze in de maak hadden en van onder de haardroger bij de kapper. Maar zij daarentegen, eigenlijk was ze precies wat ze altijd al geweest was voor mij: een tante van papier, een brief die je openvouwt en afleest. En die je daarna dichtplooit en lichtelijk verwonderd weer wegsteekt.”

Van papier is tante Roza nu helemaal geworden. Een boek, waarin zij het verschil tussen twee werelden demonstreert en bovenal het feit dat alles voorbijgaat, ouder wordt en verdwijnt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden