De eerste 'daguerrotype' uit 1839. Van al het voorbijkomende verkeer op de Boulevard du Temple tijdens de twintig minuten opnametijd is niets meer te zien.

BeeldverslagLeegte

Lege straten hebben een speciale plaats in de kunst

De eerste 'daguerrotype' uit 1839. Van al het voorbijkomende verkeer op de Boulevard du Temple tijdens de twintig minuten opnametijd is niets meer te zien.Beeld Louis Daguerre

Straten die normaal gesproken bruisen van bedrijvigheid, zijn nu vrijwel uitgestorven. Die ongebruikelijk lege ruimtes kom je ook in de beeldende kunst en vroege fotografie tegen.

De eerste mens die gefotografeerd is, kwam op de foto omdat hij stil stond. Hij moest wel: z’n schoenen werden gepoetst. Toen Louis Da­guerre in 1839 in Parijs zijn camera naar buiten richtte, op de Boulevard du Temple, zag hij een drukke straat. Karren, koetsen in alle maten, en mensen van alle rangen en standen die over de brede weg heen en weer bewogen. Toch was daar op de foto die hij maakte, niets van te zien. De boulevard was perfect eenzaam, schreef de Amerikaanse schilder en uitvinder Samuel Morse verbaasd toen hij de foto zag.

Op dat ene individu na dan, linksonder in beeld, dat zijn laarzen liet poetsen. De sluitertijd was zo’n twintig minuten geweest en het grootste deel van die tijd had deze heer in dezelfde houding gestaan, zodat zijn silhouet op de koperen plaat was achtergebleven. Daguerre was nauwelijks bezig met wát er op zijn foto, de da­guer­re­o­ty­pe, te zien was, het ging hem erom de techniek geschikt te maken voor een groter publiek.

Het ging niet om de mensen

Hoewel de fototechniek die eerste jaren met sprongen vooruitging, bleef de sluitertijd – de tijd die nodig is om voldoende licht op de gevoelige plaat te laten vallen – nog lang aan de lange kant voor de beweeglijke mens. Toen Charles Marville tussen 1865 en 1877 van de stad Parijs de opdracht kreeg de straten van de stad te fotograferen, leken ze nog steeds uitgestorven. Alleen een grijzige nevel boven het straatoppervlak verraadt een grote bedrijvigheid. Dat kwam de opdrachtgevers en de fotograaf juist goed uit: het was hen niet om de mensen te doen, maar om de gebouwen. Alleen de nieuwsgierige buurtbewoners, die lang genoeg uit hun raam hingen om naar die zeldzame fotograaf te kijken, werden vereeuwigd.

Charles Marville's opname van de Parijse Boulevard Saint Germain in 1877.Beeld State Library Victoria

In de schilderkunst maakte de Italiaanse kunstenaar Giorgio di Chirico ­begin twintigste eeuw in Parijs veel indruk met zijn schilderijen van lege straten en pleinen. Vaak zijn ze gedramatiseerd met lange, scherpe schaduwen, en voorzien van een of meer klassieke standbeelden of juist iets moderns, zoals een stoomtrein. ‘Metafysische schilderkunst’ noemde de kunstenaar het zelf: hij wilde schilderen wat onzichtbaar was. Hij was daarbij sterk beïnvloed door de filosoof Friedrich Nietzsche, die diepere betekenissen suggereerde achter de oppervlakkige verschijning van dingen. Zelf had De Chirico onverwachte gevoelens bij vertrouwde plekken. Ook gebruikte hij vaak Romeinse arcades, omdat die volgens hem het noodlot verbeeldden. Na de Eerste Wereldoorlog ging hij andere kanten uit in zijn schilderijen, maar in de jaren zestig kwam hij weer terug bij zijn lege steden met de scherpe, sur­reële schaduwen.

Giorgio De Chirico. De beloning van de waarzegster uit 1913.Beeld Philadelphia Museum of Art

Ook Nederlandse kunstenaars verbeeldden die onheilspellende stemming, alleen niet bij een blauwe lucht. Carel Willink maakte meerdere schilderijen waarop de straten leeg of bijna leeg zijn, er een felle zon schijnt én de hemel een dramatische regen- of hagelbui aankondigt. ‘Imaginair realisme’ noemde hij het zelf, hij zag De Chirico als een van zijn grootste voorbeelden. In het werk van Willink – in normale omstandigheden uitgebreid te zien in kasteel Ruurlo – zijn dezelfde klassieke beelden te zien als bij de Italiaanse kunstenaar. Die standbeelden brengen de toeschouwer in de war, alsof de laatste mensen als bij toverslag versteend zijn. Willink zet daarnaast vaak een of twee personages. Niet om er een verhaal mee te vertellen, maar om de schaal aan te geven. En juist door met die enkele persoon de afwezigheid van meerdere mensen te benadrukken. Precies zoals Pieter Saenredam eeuwen eerder al deed bij zijn grootse, bijna lege kerken.

Carel Willink, Straat met standbeeld, 1934.Beeld Collectie Museum MORE-Kasteel Ruurlo ©Ms Sylvia Willink-Pictoright

Misschien wel de meest bekende en geroemde verbeeldingen van de mens in de leegte komen van Edward Hopper. Anders dan bij Willink ligt de nadruk bij Hopper meer op de ruimtes waar de moderne mens zich veel ophoudt – de huiskamer, de bar, de bioscoop. De lichtbronnen – de zon of kunstlicht – zijn zelden in beeld, maar bepalen als in een film de sfeer.

Er is nog iets dat Hoppers werk zo geliefd maakt: hij geeft zijn personages een uitzicht dat alleen zij kunnen zien. Ze zijn verdiept in een boek, een gesprek of een film waar wij, toeschouwers, de inhoud niet van weten – het verhaal moeten we zelf verzinnen. Of hij laat ze in stilte turen uit het raam, naar het landschap buiten.

In Bazel is op dit moment een tentoonstelling ingericht met vooral de minder bekende schilderijen van Hopper, die van het landschap. Maar die tentoonstelling is inmiddels gesloten. Ook dat uitzicht is overgeleverd aan onze verbeelding.

Edward Hopper, Cape Cod Morning, 1950.Beeld Gift of the Sara Roby Foundation ©Heirs of Josephine Hopper

Lees ook:

Het regent het regent - maar niet in de schilderkunst

‘Het regent en het is november’ schreef J.C. Bloem, maar de beeldende kunst houdt het opmerkelijk droog. Al lieten schilders het rond 1850 wel plenzen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden