Voorlezen

Lees hier het verhaal van Kees van Kooten voor de Nationale Voorleeslunch: Een rooie brandweerauto

Beeld Nanne Meulendijks

Hank en Cato leven nu 144 dagen gescheiden en grosso modo gaat dat best goed. Op de bank fantaseren ze over het voorlezen aan zoon Fabian en dan onthult Hank een geheim. Kees van Kooten schreef dit verhaal voor de Nationale Voorleeslunch die vandaag voor de achtste keer plaatsvindt.

Ben jij momenteel nog iets aan het lezen?” vraagt Cato aan Hank, haar ex. Hank antwoordt: “Joseph Roth ja. Fantastische schrijver. Maandenlang in de bestseller-topzestig van de CPNB. Dat was een Duitse journalist die verliefd wordt op Frankrijk, tussen de twee wereldoorlogen. ‘In het land van de eeuwige zomer’, heet die bundel. Gisteravond las ik hier bijvoorbeeld:

‘Wij wisten meer dan de bejaarden; we waren de ongelukkige kleinzoons die hun grootvaders op schoot namen om verhalen te vertellen.’”

‘”Geestig”, zegt Cato. “Ik zie het voor me.”

“Ja, jij hebt makkelijk praten.”

“Hoezo?”

“Allebei jouw ouders leven nog.”

“Daar kan ik toch zeker niks aan doen?”

“Dat zeg ik ook niet. Maar daar moet je natuurlijk wel dankbaar voor zijn.”

Nationale Voorleeslunch

Kees van Kooten leest dit verhaal vandaag voor bij Omroep Max, NPO1 om 12.15 en om 16.40 uur. Een speciaal voor de gelegenheid samengesteld belpanel zal vandaag tussen 13 en 14 uur vanuit de Bibliotheek Amersfoort het verhaal voorlezen via de belservice voor ouderen van het Nationaal Ouderenfonds. Meer informatie via: nationalevoorleeslunch.nl.

Zij zitten thuis bij Hank – achtentwintig, leraar in het basisonderwijs – en ontspannen kibbelend drinken ze lauwe thee. Hanks kopje mist het oortje, maar het huishoudgeld voor oktober is tenminste weer eerlijk verdeeld. En als Cato – eenendertig, televisieproductiemedewerker bij Omroep Max– hun zoontje Fabian de komende week op dinsdag en donderdag doet, dan haalt Hank hem op maandag en woensdag uit school. Vrijdagavond slaapt de zevenjarige droomprins dan gezellig bij Oma Snor en Opa Biertje en óm het andere weekend logeert hij bij pappa of mamma in een van zijn twee bedjes.

Hank houdt dit allemaal keurig bij, onder vrolijke magneetjes op de koelkast.

“IJskast”, zegt Cato altijd. Dit ergert hem. Zodra de studentenverhuisdienst tijd heeft, sjouwen ze die ijskast trouwens naar haar nieuwe adres.

Zij leven nu honderdvierenveertig dagen gescheiden en grosso modo gaat dat best goed; de gemaakte afspraken worden zonder haperen nagekomen.

Cato moppert niet langer dat ze dan en dan eigenlijk niet kan oppassen omdat ze moet fitnessen of naar Franse les en dan heeft ze ook nog haar cursus Figuurtekenen en een babyshower bij hoe heet die hard pratende vriendin ook alweer.

En Hank speelt niet langer de getourmenteerde onderwijzer die er elke maand een lang weekend uit moet naar Terschelling of Schouwen-Duiveland, om zijn hoofd weer eens helemaal leeg te laten waaien.

“Lees je Fabian nog wel voor?” vraagt hij, zo terloops mogelijk.

“Megaveel”, antwoordt Cato.

“Klasse. Ook uit ‘Rolkoffertje’ en ‘De Lieve Wolf ’?”

“Dat kinderboek van Walter van Mierlo?”

“Van Dieren, bedoel je.”

“Met die agressieve schaapskudde ja. Dat vind ik zo gaaf bedacht. Dat lammetje met vijf pootjes is Fabian z’n lievelings.”

“Nee, ik bedoel de schrijver. Die heet Walter van Dieren. Jij zei Walter van Mierlo.”

“Oh. Mijn fout.”

“Waar zijn jullie nu?”

“Bij die eekhoorn met faalangst. Dattie niet van tak naar tak durft te springen.

En dat Rolkoffertje op woensdagmiddag terug moet naar opa’s hutje omdat het bos in brand staat, door de milieudroogte. Dat vind ik er ook zo goed aan, qua gendergelijkheid. Dat opa een trui zit te breien.”

“Dan zijn jullie bijna op de helft.”

“Heb jij het dan ook gelezen?”

“Keertje of twintig”, mompelt Hank, opzettelijk onverstaanbaar.

“Wat ik alleen lastig vind is dat de bladzijden steeds zo aan elkaar plakken. Omdat het van dat dunne papier is.”

“Dat heb je wel vaker met uitgaven in eigen beheer.”

Cato wil net een slokje thee nemen, maar laat haar kopje zakken en trekt angstrimpels in haar voorhoofd.

“Nee toch? Wat voor uitgaven nou weer?”

“Fabians boek”, sust Hank. “Dat heeft de auteur zelf laten drukken. Dan noem je dat een uitgave in eigen beheer.”

“Oh op die manier. Ik schrok al. Jammer dat er geen foto van de schrijver achterop staat. Fapie vond die bosbrand best wel supereng. Dan kruipt hij helemaal tegen mij aan en dan moet ik oppassen dat we niet uit bed rollen”, speelt Cato en zij knikt naar de deur van de slaapkamer.

“Ons bed was natuurlijk ook stukken breder”, herinnert zij zich.

“Centimeter of tien hooguit”, sust Hank. En hij denkt: veel plezier met je ijskast, maar dat bed blijft hier.

“Waarom heet die poes eigenlijk Rolkoffertje?”

“Omdat hij precies datzelfde geluid maakt, als hij spint van tevredenheid.

“En ook omdat de schrijver waarschuwt tegen het massatoerisme. Dat de rolkoffertjes zelfs in de natuur opduiken. Daarom heeft hij het ook over de Lieve en niet over de Boze Wolf. Omdat wij de wolf gestigmatiseerd hebben.

“En dan laat hij hem aanvallen door een kudde woedende schapen. Wat wij in feite zelf zijn. Waarna de wolf een soort van peptalk houdt, over de ideale samenleving, in die zandverstuiving, omdat wij uiteindelijk niks meer dan zandkorreltjes op de mouw van het universum zijn.”

“Daar moest Fabian erg om lachen, om die toespraak”, glundert Cato. Want Pa kan hilarisch Bor de Wolf nadoen.’

“Bor de Wolf?! Jouw vader?”

Awful joh! Dan is het gewoon of je weer naar de ‘Fabeltjeskrant’ zit te kijken, als Opa Biertje voorleest.”

“Wacht even! Sorry hoor Caat, maar dan heeft jouw vader er dus geen jota van begrepen! Wat vertel je me nóu toch! In plaats van zich zo gevoelig mogelijk te verplaatsen in het luisterende kind gaat Opa Bokma breeduit op het podium staan bekketrekken!”

“Mijn moeder krijgt vrijdag haar nieuwe leesbril, dus dan kan ze hem aflossen.”

“Om de sodemieterij niet! Ik verbied het jullie! Een kinderboek moet door één, in ons geval dus maximaal twee personen worden voorgelezen, zonder een woord aan de tekst te veranderen. En dat moet onder steeds dezelfde omstandigheden. Zit het kind – of je partner of je bejaarde vader of moeder lekker naast je of op je knie? Is het bedlampje aan of laat je de plafonnière met de ólifantjes gezellig branden? En hoe eindig je? Nooit het boek dichtslaan, ‘slaap lekker!’ roepen en dan maken dat je wegkomt. Nee, ik blijf Fabian zo lang mogelijk aankijken. Dus de kamer altijd achterwaarts verlaten. En dan zeg ik nog een paar keer ‘dagtruste’, omdat hij dat zo’n leuk woord vindt. Dagtrúste! Dágtruste! Maar als jouw vader die schitterende wolffiguur neerzet als een hysterisch uithalende neuroot met de kraaistem van wijlen Bor de Wolf, dan hou ik mijn hart vast voor die jongen zijn kijk op onze samenleving. Dan breng je zo’n kind een totaal verknipt mensbeeld bij!”

“Maar pa drinkt geen druppel, als Fabian d’r is. Terwijl hij van mijn vijfde tot mijn zevende een hele fles rode wijn leegklokte, bij het eten. Als hij mij daarna voorlas, had iedereen in Wonderland een dubbele tong, Alice voorop.”

“En ik weet het wel..” zucht Hank. “Ze bedoelen het allemaal goed, die opa’s en oma’s. Hier.

Pijnlijk mooi voorbeeld. Echt aangrijpend. Ik ben de gangkast aan het opruimen en weet je wat ik gisteren tegenkwam? Heb ik je nooit laten zien. Dat heeft mijn moeder ooit gemaakt, in het geheim, voor Fabian. Tweeduizenddertien. Zelf getekend en geschreven. Lees maar.”

“In een slootje”, begint Cato, “vlak bij de molen, wonen Pappa eend en Mamma eend met vier kleine eendekindertjes. De kleine eendjes heten: Kwek, Kwak, Krulstaartje en Wipsnaveltje. Echt schattig... nog getikt op een Remington, zo te zien.

En het is geen kritiek hoor, maar kijk: die eendjes zwemmen Op het water, en niet erin. Bekende beginnersfout, van tekenaars.”

“Daarom heb ik dit misschien nooit laten zien”, bekent Hank. “Uit schaamte, voor mijn moeder, omdat jij toen nog op de academie zat. Maar nu schaam ik mijn ogen uit mijn hoofd. Voortschrijnend inzicht, noem ik dat.”

“Voortschrijdend inzicht bedoel je.”

“Nee, voortschrijnend inzicht. Omdat die schaamte alsmaar meer is gaan schrijnen. Arme schat was het, mijn moeder. En mijn vader, godallemachtig, wat kon die heerlijk vertellen. Hij heeft me nooit voorgelézen, alles ging altijd uit zijn blote hoofd. Verhaaltjes waar ik dan in voorkwam. Een vorm van hoofdlezen, was het meer. Dat ging over een koning met een lakei, die alles verkeerd deed. Dan hattie bijvoorbeeld pruimen geplukt, maar veel te vroeg, zodat ze nog keihard waren. Maar dat hoorde zo, zei de luie lakei dan. En dan zei de koning elke keer: nou ik geloof er niks van. Maar beneden aan de weg in het rode huisje daar woont een jongetje dat Hank heet en die Hank heeft overal verstand van. Dus lakei, ga hem halen! Lakei mopperend op weg. En weer terug naar boven, met Hank. En dan zei de koning: Hank, jouw vader en jouw opa wonen al honderd jaar in mijn koninkrijk en jij hebt van alles van ze geleerd, van de dieren en de bomen en de vruchten. En nu heb ik trek in een pruim. Moet die hard of zacht zijn? En dan pakte ik er zogenaamd eentje. Veel te hard koning, zei ik dan. U moet er een beetje in kunnen knijpen. Ze moeten nog rijpen.”

“Hoor je nou wel, domme lakei? Dat wist jij weer eens niet hè? Maar Hank gelukkig wel. En daarom mag Hank nu een wens doen. Een geheime wens. En dan gaat hij morgen naar de koninklijke speelgoedwinkel en daar mag hij kiezen wat hij wil. En dan zei mijn vader elke keer: en Hank ging naar de speelgoedwinkel en wat was zijn grootste wens? En dan trok ik zijn hoofd naar mij toe en dan fluisterde ik, iedere keer: een rooie brandweerauto. Dat was magisch.”

“En heb je die rooie brandweerauto ooit gekregen?” wil Cato weten.

“Nooit een echte. Daar was geen geld voor. Maar daar was het ook niet om te doen. Dit was veel spannender. Dat je door iets wat pure fantasie was tien minuten lang in een andere werkelijkheid leefde. En het is als voorlezer ook zo dankbaar om te doen. Verzin een vader, een moeder, een jongen of een meisje, een opa of oma. En geef die figuur één bovennatuurlijke eigenschap. Hij of zij is oersterk, aartsgierig, oliedom of buitengewoon knap. En dat verzonnen type noem je Habbedassie, Bibberbeen, Pietepoe, doet er niet toe. En dan begin je met te zeggen: op een dag. Op een dag had het een meter gesneeuwd. Of: op een dag was het zo warm dat meneer Van Puffelen besloot om bloot uit wandelen te gaan. Maar wel met zijn hoed op. En laat de luisteraar af en toe mee verzinnen. Stel hem vragen. Wat zou jij doen als je een jong eendje vond dat verdwaald was? Doet meneer Van Puffelen het diertje zolang in zijn hoed? Ieder antwoord is goed. Want dat helpt jou verder als verteller en je zal verbaasd staan over je eigen fantasie.”

“Dat is een format!” jubelt Cato.

“Wat is een format?”

“Oma’s of opa’s van tachtig met kleinkinderen van twintig en dertig, die als team de verhalen proberen te reconstrueren die ze toentertijd verzonnen!”

“Dat doet niemand meer.”

“Daarom juist! Lijkt mij ook hartstikke goed tegen de dementie.”

“Die mensen vind je niet meer.”

“Maar ze zijn er nog wel! Twee koppels per uitzending. In hun eigen huiskamersetting met meubels van toen.”

“Ik maak me sterk dat als ik dit aan een jochie van zes laat zien, dat hij denkt dat het een game is en waar de knop zit om zo veel mogelijk eendjes mee dood te schieten. Dan verzin ik liever iets vredigers.”

“Jij zou eigenlijk een soort Walter van Dieren willen zijn.”

“Lieve Cato: IK BEN WALTER VAN DIEREN!!!”

“Schreeuw niet zo hard! Je maakt Fabian wakker.”

“Ik ben Walter van Dieren!”

“Dat kan iedereen wel zeggen. Jammer dat er geen foto achterop staat.”

“Ik heb Rolkoffertje en de Lieve Wolf geschreven en daar in eigen beheer honderd exemplaren van uitgegeven.”

“Maak dat de kat wijs.”

“Onee? Hier! Wat staat er op deze map?”

“Rolkoffertje en de Zeven Reuzen.”

“En verder?”

“Door Walter van Dieren. Deel twee in de Rolkoffertjereeks... Hank! Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik vind dit zo megacool...een boek voor je eigen kind schrijven..”

“Hier laat ik er vijfhonderd van drukken.”

“En weer in eigen beheer...dat vind ik ook zo woke. Komen hier wel illustraties in?”

“Daar heb ik geen budget voor.”

“Ik wil er best een paar proberen, voor niks.”

“Ach god...een rooie brandweerauto. Sorry hoor. Daar schoot ik weer even helemaal vol van...”

“Ik zie Rolkoffertje al helemaal voor me.”

“...ook omdat ik denk dat ik weet wat Fabian zou wensen.

Maar dat durf ik hem niet te vragen.”

“Ik ook niet.”

“Maar jij weet het ook, natuurlijk, wattie het allerliefste zou willen...

Wil je nog thee?”

“Heb je wijn?”

Lees ook: Voorleeslunch 2019: kater Godfried is vermist

Een kapotte tv, geen geld en dan dat briefje: ‘Kat vermist’. Leo ruikt zijn kans om tóch die belangrijke wedstrijd te zien. Maarten Spanjer schreef dit verhaal voor de Nationale Voorleeslunch, die vandaag voor de zevende keer plaatsvindt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden