Review

Laten wij Chinezen lezen!

Over de Chinese politiek is veel gezegd, zo in de aanloop tot de Spelen. Maar hoeveel Chinese romans kent u? Een boeiende nieuwe gids praat de Nederlandse lezer bij.

Laten we literatuur opvatten als dat wat je vooral leest omdat het lezen zelf genot verschaft, niet met een praktisch doel zoals vernietiging van de vijand of het halen van een trein. In dat geval kunnen veel van de ontelbare teksten die de Chinese beschaving heeft voortgebracht gelden als literatuur, al was hun oorspronkelijke bedoeling uiterst praktisch. Zo wilden Sima Qians ’Optekeningen van de hofhistoriograaf’ (ruim twee millennia oud) de vorst bijstaan in het landsbestuur en dienden boeddhistische preken (ruim één millennium oud) om geld te verzamelen voor de kloostergemeenschappen, maar zijn beide ook aan te raden voor wie geen vorst is en geen hel vreest.

Die onpraktische lezer kan verder putten uit zeeën van onversneden literaire teksten, zoals de klassieke Chinese poëzie, beroemd in talloze talen – al had ook dát genre ooit zijn praktische, maatschappelijke functie. Dat klinkt als het gemompel van een studeerkamergeleerde, maar raakt aan een essentiële eigenschap van de Chinese literatuur van vroeger én nu. De aanname dat literatuur iets aan de samenleving moet doen is ook de afgelopen eeuw in China wijdverbreid gebleven. Tegelijk heeft die eeuw pleidooien voor autonomie van het kunstwerk opgeleverd, en ontstaat dus een ongemakkelijke, soms pijnlijke wisselwerking tussen maatschappelijke betrokkenheid en artistieke onafhankelijkheid.

Die wisselwerking is één van de kwesties waarover Mark Leenhouts essayeert in ’Chinese literatuur van nu: aards maar bevlogen’. Een andere is de moeizame verhouding van de moderne Chinese literatuur tot literaturen in Europese talen. Moderne westerse en Latijns-Amerikaanse literaturen zijn veel invloedrijker in China dan omgekeerd, en dat sommige van die moderne buitenlanders zelf rijkelijk hebben geput uit klassieke Chinese teksten doet daaraan niets af. Bij kunst en literatuur bestaat geen verdelende rechtvaardigheid, maar die ’scheve’ verhouding blijft vele Chinezen een doorn in het oog. De buitenlandse partij is zich van geen kwaad bewust.

Leenhouts’ behandeling van dit punt is tekenend voor zijn aanpak. Enerzijds toont hij waar die buitenlandse onwetendheid vandaan komt en probeert hij er iets aan te doen. Daarbij relativeert hij de afstand tussen China en de rest van de wereld, in het besef dat culturele interactie zelden eenrichtingsverkeer is. Anderzijds vervalt hij niet in een apologie voor zijn onderwerp, of krampachtige pogingen verschillen tussen Chinese en Westerse literatuuropvattingen glad te strijken. Kijkend uit een Westers perspectief is hij vaak kritisch, een enkele keer zelfs op het bevoogdende af. Hij zit dus een dikke tweehonderd bladzijden lang in een spagaat.

Dat Leenhouts erin slaagt in die houding ontspannen te blijven, levert een boeiend en toegankelijk boek op, al is het jammer dat hij zich beperkt tot fictie. Uitstapjes naar poëzie en drama hadden het verhaal verrijkt. Wel maakt Leenhouts’ specialistische kennis van die fictie zijn boek meer dan een vlak literair-historisch overzicht. Hij legt inzichtelijke verbanden, bij voorbeeld tussen moderne en prémoderne verteltradities, en vermengt algemene kennis met zijn persoonlijke opvattingen en belevenissen als vertaler.

Chinese literatuur van nu bestrijkt de republikeinse en maoïstische tijdperken (jaren tien tot veertig respectievelijk veertig tot zeventig), de periode van China’s sociaal-economische openstelling en hervorming sinds 1978, auteurs buiten China en vertalingen.

Sommige hoofdstukken zijn opgezet rond auteurs, andere rond een thema, zoals dat rond het fenomeen Shanghai. Ze brengen inhoud, ontstaansgeschiedenis en binnenlandse en buitenlandse receptie van de teksten bij elkaar. Zo passeren belangrijke trends de revue: modernisering van de schrijftaal na de ineenstorting van het keizerrijk, internationalisering en engagement van de vroegmoderne literatuur, isolationisme en politisering onder Mao, kosmopolitisme in Taiwan, vrijmaking en commercialisering in de Volksrepubliek sinds de jaren tachtig en negentig, en exil.

Door alles heen klinkt wrijving tussen literatuur en politiek, en het geweld van China’s twintigste eeuw, vol ontwrichtende verandering: revoluties en politieke campagnes, (burger)oorlogen, uitwassen van het Wirtschaftswunder en de herrijzenis als grote speler op het wereldtoneel.

Zo maakt de lezer kennis met vele schrijvers uit modern China en Taiwan: waar zijzelf en hun teksten vandaan kwamen, waarvoor ze staan in de Chinese wereld en hoe je er van elders tegenaan zou kunnen kijken. Dat begint bij Lu Xun, uitentreuren aanbeden als ’vader’ van de moderne Chinese literatuur, verscheurd tussen traditie en moderniteit.

Meteen daarna toont zich de spagaat, want veeleer dan met ’de grote drie’ romanciers uit de republikeinse periode: Mao Dun, Ba Jin en Lao She, loopt Leenhouts weg met ’de andere drie’, te weten Shen Congwen, Zhang Ailing (Eileen Chang) en Qian Zhongshu. Hier zijn officiële canonisering in China en westers-literaire waardering omgekeerd evenredig. Bij maoïstische modelschrijvers Zhao Shuli en Hao Ran vermijdt Leenhouts het lacherige commie-bashing waarvoor deze teksten zich al te gemakkelijk lenen. Tegelijk toont het hoofdstuk over Pai Hsien-yung en andere auteurs uit Taiwan ex negativo wat er decennia lang in de Volksrepubliek allemaal níet kon.

Leenhouts is op zijn best als hij schrijft over eigentijdse romanciers. Een greep: de ideologisch stugge Zhang Jie, antropologisch fantast en meesterverteller Han Shaogong, Mo Yan, Su Tong en Yu Hua met hun kronieken vol wrede geschiedenis en absurd geweld, ’literair vandaal’ Wang Shuo en ’literaat in verval’ Jia Pingwa, scandaleuze sex-’n-drugs-’n-rock-’n-roll babes Wei Hui en Mian Mian, moraliserende én immorele, stokoude en piepjonge bestsellerauteurs als Jiang Rong en Han Han, het fascinerende geval Yan Lianke – decadent cynicus of toegewijd socialist? – en Gao Xingjian, Nobelprijswinnaar en ’man van de marge’, al vraag je je af wanneer iemand eens wat harder gaat zeggen dat Gao vrouwen tot gezichtsloze seksbediendes maakt, wier woorden en daden weinig meer zijn dan ornamenten aan het zelfbeeld van de mannelijke hoofdpersoon.

Er is in de Chinese literatuur van de afgelopen eeuw te veel gebeurd om op te noemen. Leenhouts komt een heel eind, in een handzaam, prachtig vormgegeven boek. Hij eindigt met een vogelvlucht langs etnisch-Chinese auteurs buiten China en moderne vertaaltradities, gevolgd door een overzicht van vertalingen: vooral Nederlandse maar ook Engelse en Franse, voor teksten die nog niet in het Nederlands bestaan.

Het is spannend te zien hoe de Nederlandstalige omgang met een ’nieuwe’, oeroude buitenlandse literatuur zich ontwikkelt. In de toekomst verwacht Leenhouts uit China als gevolg van Chinees-westerse interactie geen westerse literatuur met Chinese eigenaardigheden, maar eerder een Chinese literatuur met westerse trekjes. We zullen zien. Ook als ’puur’ Chinese – en ’puur’ westerse! – boeken zeldzaam worden, zal dat de pret niet drukken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden