Review

LARS GUSTAFSSON, 'DE TENNISSPELERS' De filosofie van de tennisservice T. VAN DEEL

Lars Gustafsson, 'De tennisspelers', vert. door Bertie van der Meij, uitg. De Bezige Bij, Amsterdam 1992, 136 blz. - 27,.

TOM VAN DEEL

Zo zijn er ettelijke boeken te noemen waarin heel specifieke beroepen of belangstellingen aan de orde zijn, die de aandacht van de lezer gevangen houden. Toch is het meestal niet zo dat zulke boeken over, zeg, jagen, wielrennen, jongleren of tuinieren ook echt gaan over die bezigheden.

De dikwijls zeer gedetailleerde informatie die we er over krijgen, kennelijk uit eigen ervaring afkomstig of anders verkregen na onderzoek, roept een wereld in een wereld op, die van het wielrennen bij voorbeeld, waarin van alles aan de hand is dat we herkennen, ook al zitten we nooit op de fiets.

De fascinaties zijn in feite dieptepeilingen naar welke opvattingen we hebben over ons bestaan. Uitzonderlijke hoofdpersonen, met uitzonderlijke interesses, zijn juist bij uitstek in staat om algemene kwesties en gevoelens tot uiting te brengen.

De Zweedse schrijver Lars Gustafsson houdt er blijkbaar wel van om zijn personages een duidelijke obsessie te geven.

In zijn roman 'De eigenlijke relaas over de heer Arenander', helaas niet meer verkrijgbaar, is het de ballonvaart. De reis naar en door de hogere luchtlagen wordt zo sensibel en precies beschreven, dat het concrete gegeven volautomatisch symbolische trekken krijgt en kan worden opgevat als een reis van de geest.

Ook in de roman 'De dood van een imker', eveneens niet meer te krijgen, is de bijenteelt meer dan dat en worden er weidse perspectieven achter zichtbaar.

In zijn poezie kiest Gustafsson dikwijls verrassende onderwerpen (ballonvaart, machines), maar altijd om er iets mee te onderzoeken en er iets in of achter te zien.

Een subliem gedicht, in 'De stilte van de wereld voor Bach', gaat over de voetpaden in een Zweeds landschap: ze liggen er, men ziet ze bijna niet, maar ze zijn er en ze gaan op een onvoorspelbare, maar door oeroude ervaring bestuurde manier op hun doel af, ook 's winters, als ze ongebruikt liggen te wachten onder een dik pak sneeuw. Zo'n gedicht gaat over veel meer dan over voetpaden.

De novelle 'De tennispelers' die zojuist is verschenen, dateert van 1977 en is een van de minst zwaarwichtige boeken van de prozaschrijver, dichter, filosoof, criticus, literatuurwetenschapper en toneelschrijver Gustafsson. Het is een licht gehouden, ironische vertelling, een universiteitsnovelle, heel in de verte verwant aan Nabokovs 'Pnin'.

De hoofdpersoon heet eenvoudigweg Lars Gustafsson. Hij is, in 1974, gasthoogleraar in de Scandinavische letteren aan de universiteit van Austin, Texas.

Zijn colleges worden druk bezocht. Hij heeft succes, hij voelt zich sterk en tot alles in staat, een ander mens dan hij in Zweden was. Met milde spot bekijkt hij het Amerikaanse academische milieu, de studenten en hun instelling:

"Ik zal nooit ophouden mij te verbazen over hun emotionele broosheid, hun volmaakte tennisservices, hun bijna angstaanjagende vermogen zich in dingen te verplaatsen, in de Akritcyclus van Gunnar Ekelof, in niet-abelse groepen en in Nietzsches Jenseits von Gut und Bose, alles vrijwel in een adem, hun hevige en hartstochtelijke belangstelling voor het bestaan van God, hun merkwaardige overtuiging dat de wereld buiten Texas bestemd is voor oorlog en toeristische reizen."

Er gebeurt van alles in de novelle, die ruim van personages is voorzien. Het belangrijkste is wel de vondst van een van de studenten van een boekje dat een heel ander licht zou werpen op Strindbergs Inferno-periode. Het voert te ver om alles hier precies uiteen te zetten, maar het komt er op neer dat de twee boeken, Strindbergs 'Inferno' en de 'Memoires d'un chimiste' van een zekere Zygmunt I. Pietziewzskoczsky, ingevoerd worden in de computer van de Amerikaanse luchtverdediging en de bewerkingen die ze daar ondergaan zorgen ten slotte voor heel wat tumult.

Het muzikale leidmotief in die fase is Wagners 'Gotterdammerung' (er is veel, toepasselijke, muziek in de novelle).

Het is wel duidelijk dat al deze gebeurtenissen niet serieus genomen hoeven worden, maar tot het divertissement van het boek behoren.

Er wordt gespeeld met een wereldramp, er wordt gespeeld met het universitaire milieu, er wordt gespeeld met de geamuseerde distantie van een buitenstaander die over enige maanden toch weer weg zal zijn. Er zit evenwel een kwestie in het boek die buiten dit ironische kader valt, al wordt er ook luchtig over geschreven, en die aansluit bij wat ik aan het begin besprak: het tennissen.

Gustafsson, het personage, is het hele boek door een fanaat tennisspeler. Hij staat elke morgen vroeg op en gaat dan eerst een tijd, op een onooglijk baantje, tennis spelen. Er zijn ook anderen die dat doen en bij hen sluit hij zich aan. Dat blijken fenomenale spelers te zijn, eentje is zelfs in het wereldtenniscircuit opgenomen geweest en is twee keer tweede geworden op Wimbledon. Maar hij wilde geen carriere maken en vindt het nu leuk om daar, om niets, te spelen. Van hem leert Gustafsson veel:

"Hij was een fascinerende leermeester, en langzaam maar zeker begon ik te begrijpen dat wat hij mij eigenlijk leerde geen tennis was, maar levenskunst, met het tennissen als medium."

In een notitieboekje heeft hij de wijsheden van deze filosofisch ingestelde tennisser opgetekend:

"Ooit, aan het eind van mijn leven, zal ik zijn uitlatingen uitgeven met een uitgebreid commentaar. Maar pas als ik zo'n rijpheid heb verkregen, dat ik kan doordringen in de geheime, diepste betekenissen van deze uitlatingen die schijnbaar over topspin, slice en overhead-backhand-volleys gaan." Ironie, zeker, maar toch ook weer niet.

Dat blijkt uit de vele passages in de novelle die nauwgezet het tennisspel beschrijven en die zonder enige twijfel tot de mooiste behoren. Het begint al met deze overwegingen over de service:

"Hoe je een tennisservice eigenlijk uitvoert, weet niemand. Natuurlijk wel hoe het in principe gaat, maar iemand die net op het punt staat te serveren kan er nooit zeker van zijn dat het zal lukken. Er is eigenlijk maar een manier, en dat is de zaak over te laten aan de duistere, de woordloze kant van je persoonlijkheid, daarop te vertrouwen en die absoluut niet te storen. Alleen die is in staat het duizelingwekkende kunststuk van spiercoordinatie, ballistische berekeningen, tot op de millimeter nauwkeurige bewegingen van polsen, enkels en rugspieren die samen een tennisservice maken, te volbrengen.

De tennisservice is een venster naar het onbekende."

Uit dit soort beschrijvingen wordt direct duidelijk dat tennis meer dan tennis is. En al helemaal blijkt dat uit de keiharde bal die even later op Gustafsson afkomt en waardoor de wereld "in een enkel ding veranderde, een tennisbal. (...) Nadat hij op de grond was gestuit hing hij in de lucht, een woordloze uitdaging in een wereld buiten de woorden om, en scheen te willen zeggen:

In werkelijkheid ben je niemand.

En toen voerde een lange, harde backhand langs de linkerzijlijn die onverdraaglijke en bevrijdende waarheid weer van mij weg."

Onverdraaglijk en bevrijdend om niemand te zijn.

Wie zo'n bespiegeling naadloos kan verbinden met het tennisspel, is een lucide schrijver. In al zijn lichtvoetigheid is 'De tennisspelers' dan ook allerminst oppervlakkig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden