75 jaar bevrijdingOorlogsklassieker

Lafbekken en opportunisten in ‘Alleen in Berlijn’

Hans Fallada

Tot Bevrijdingsdag bespreekt Letter&Geest wekelijks een oorlogsklassieker. In februari: het verzet. Vandaag ‘Alleen in Berlijn’ van Hans Fallada.

Op het eerste gezicht past Hans Fallada’s roman ‘Alleen in Berlijn’ (‘Jeder stirbt für sich allein’, 1947) goed in de trend. Helden zijn weer in, en zeker ook verzetshelden. Het boek werd enige jaren geleden herontdekt en is inmiddels wereldwijd een succes. En terecht. Fallada schrijft overrompelend direct proza, in reportagestijl, vol levensechte karakters en dialogen. En hij doet dat bovendien zonder het moralistische gezever dat veel Duits proza van later tijd – toen ‘iedereen’ zo goed wist waar het fout was gegaan met het land – zwaar verteerbaar maakt.

Maar verzetsroman is ‘Alleen in Berlijn’ alleen op het eerste gezicht. Het boek wordt doorgaans beschreven als de dappere, eenzame strijd van de kleine luiden Otto en Anna Quangel tegen het nationaal-socialistische regime. Hebben deze commentatoren het verhaal wel tot zich laten doordringen? Het lijkt alof ze zich vooral baseren op de recente internationale filmproductie ‘Alone in Berlin’. Daarin zien we de Quangels met hun briefkaarten vol anti-Hitlerspreuken in de weer. Ze leggen deze in veelbezochte panden neer en drijven de politie, de Gestapo, de NSDAP daarmee tot wan­hoop – totdat het doek valt (de valbijl).

Maar in ‘Alleen in Berlijn’ viert Hans Fallada (schrijvers­naam van Rudolf Ditzen, 1893-1947) geen helden. Hij schetst met grote invoelbaarheid een wereld waarin angst, lafheid en opportunisme heersen. Daartoe volgt hij een tiental personages door Berlijn in oorlogstijd, van nazi tot nieuw-rijke en nietsnut, en van sjoemelaar tot verrader en moordenaar – enfin, het hele palet van menselijk onvermogen passeert de revue. Zwart-witbeelden zoek je bij Fallada vergeefs. Een diep donkergrijs doortrekt zijn roman.

“Wij weten van niets.”

Wie het ene moment iets ‘goeds’ doet, meest­al per ongeluk, maakt dat in een volgende scène met laaghartig gedrag weer ongedaan. Idealisten komen niet voor, hooguit enkele ambivalente karakters als de Quangels. Wat beklijft zijn een kruiperige Vrouwenbond, een meedogenloze communistische cel en buren die met elkaar vechten om het linnengoed van hun Joodse bovenbuurvrouw. Je hoeft echt geen nazi te zijn om je medemens af te persen.

Zelfs het echtpaar Quangel wordt niet door heldenmoed gedreven. Ooit trouwe volgelingen van Hitler, zoeken Otto en Anna na de dood van hun zoon een nieuw levensdoel. Ze zijn daarbij niet geïnteresseerd in het lot van hun naasten. Wan­neer die bovenbuurvrouw uit het raam springt – of wordt geduwd – zegt Otto tegen zijn vrouw: “Wij weten van niets. We hebben niets gezien en niets gehoord. Wij kennen die vrouw nauwelijks.”

De briefkaarten tegen Hitler van de Quangels vormen de motor van het verhaal – een geniale zet van de auteur. Nagenoeg iedereen die tegen zo’n subversieve kaart aanloopt, probeert het lot van potentië­le verdachte direct op anderen af te schuiven. Veelzeggend is de dialoog tussen een toneelspeler en een advocaat, in wiens pand zo’n verrekte kaart op­duikt. Hun vriendschap verliest het opeens van beider angst, en ze beseffen: “Je wordt een slecht mens in deze stad.” “Een slecht mens worden? De mensen zijn al slecht.”

Geschreven vanuit een psychiatrische kliniek

Fallada’s verhaal is een waargebeurde geschiedenis. De treurige conclusie is dat bijna niemand zich door hun actie in het hart gesterkt voel­de. Eerder dacht men: hoe kan iemand ons dit gevaar aandoen? De driehonderd kaarten kwamen bijna alle direct bij de politie terecht.

Rudolf Ditzen schreef zijn ‘Alleen in Berlijn’ eind 1946 binnen een maand, in een roes vanuit een psychiatrische kliniek. Hij stierf, volkomen uitgeput, voordat zijn boek uitkwam. Als gekwelde ziel uit een gegoed Berlijns milieu kon hij zijn personages zo levensecht beschrijven, omdat hij ze in de gevangenissen en klinieken, waarin hij als verslaafde en dief belandde, had leren kennen.

Ditzen was in Duitsland gebleven, tijdens het Derde Rijk. Dan doe je het al snel verkeerd – net als zijn draaikonterige personages. Hij heeft hen uit schuldgevoel gecreëerd. Hij had zich Goebbels lof namelijk laten aanleunen, en schreef zelfs door Hitlers propagandaminister opgelegd werk. Ook na de oorlog was zijn opportunisme nog niet verdwenen. Ditzen leefde nu onder sovjetregime en voorzag ‘Alleen in Berlijn’ nog van een positieve epiloog, die wringt met de teneur van zijn boek. Gauw vergeten. Dan blijft Fallada’s boodschap fier overeind: dat de mens, en niet slechts tijdens Hitlers Derde Rijk, maar tot weinig goeds geneigd is.  

Hans Fallada
Alleen in Berlijn
Cossee, 512 blz., €18,99. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden