Review

Laatste zomer van eenzame prairiewolf

In het bezit van pens, pils en paardenstaart dromden mannen van middelbare leeftijd samen om wellicht voor het laatst hun bluesidool te kunnen aanschouwen. In 1997 zou hij al komen, de albino met het zwarte hart, maar om gezondsheidsredenen werd die tournee afgezegd.

Stan Rijven

Woensdag was het eindelijk zover in een al dagen uitverkocht Paradiso, onderdeel van een Europese toernee die hem langs Finland, Duitsland en Spanje voert.

De in Texas geboren Johnny Winter (1944) is een heel grote, ook al deed zijn verschijning anders vermoeden. De uitgemergelde blues-veteraan verdween ongeveer achter de microfoonstaard, zo schimmig en iel oogde hij. Overdadige, tot de polsen reikende tatoeages verrieden een ruig leven. Zijn priemende ogen onder een vale stetsonhoed suggereerden coolness, de dwangneurotisch wippende benen een fataal ongemak. Winter is een man van weinig woorden. Een poor lonesome cowboy die als een spierwitte tegenhanger van Phil IJzerdraad zijn gitaar als revolver hanteert.

Vanaf zijn plaatdebuut in 1969 zou hij als een gevaarlijke outsider invloed blijven uitoefenen op de 'blanke blues'. Want zo heette in de jaren zestig het Britse antwoord op de grote Amerikaanse 'zwarte' voorbeelden. In de schaduw van Beatles en Kinks maakten John Mayall, Eric Clapton en Peter Green er furore mee. In Noord-Amerika heetten ze Paul Butterfield en Mike Bloomfield, die als blanken de blues in ere hielden.

Eén gitarist stak er met kop en schouders bovenuit, een albino met de symbolische naam Johnny Winter. Nauwelijks 20 jaar oud speelde hij al met Big Joe Williams en andere grootheden uit de Chicago-blues.

In de jaren zeventig was Winter degene die de in vergetelheid geraakte Muddy Waters een geslaagde comeback bezorgde. Het album 'Muddy Mississippi Waters live' ontving zelfs een Grammy Award. Maar met de opkomst van punk en new wave taande de interesse voor de elektrische blues.

De laatste jaren is echter sprake van een revival. Nieuwe sterren vinden een enthousiast publiek, oudgedienden krijgen waar ze recht op hebben. Gezien Johnny Winters verdiensten (en zwakke gezondheid) werd verlangend naar zijn concert uitgekeken. Daarom was het even slikken in Paradiso. Een dunne stem en een bewegingloze artiest, die als het ware uit een winterslaap gewekt moest worden. Hij speelde op de vierkante millimeter, nauwelijks van zijn plaats wijkend en zonder noemenswaardig gebruik van effectapparatuur.

Het duurde dan ook even eer zijn jankende Chicagoblues en boogiënde bluesrock op gang kwamen. Als twee obers die het hoofdgerecht maar niet mochten uitserveren, vervulden de drummer en bassist een ondankbare aangeversrol. Krap vijf kwartier duurde het evenement, waarin geleidelijk aan het respect kwam bovendrijven. Ook al bracht hij voornamelijk klassiekers als 'Got my Mojo working' en 'Roll with me baby', uit zijn aarzelende spel maakte zich een propeller-effect los. De trance, opgewekt door een blues-sjamaan.

Een toegift kon er net vanaf, waarna Winter met zijn wiegende witte lokken wegschuifelde. Een heel oude man, omgeven door een zorgzame hofhouding. Geen koning, maar een prairiewolf die waarschijnlijk zijn laatste zomer beleeft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden