Beeld Trouw

PoëzieJanita Monna

Laat ons tot elkaar behoren

Het is nauwelijks nog voor te stellen, maar er was een tijd waarin poëzie zich comfortabel in een ivoren toren had verschanst. Die tijd ligt inmiddels ver in het verleden en de toren, zo die al zo onneembaar was, is tot ongeveer de laatste steen afgebroken. Tegenwoordig stroopt de poëzie de mouwen hoog, begeeft ze zich midden in het gewoel.

Ook ‘Liefde in tijden van brand’, de nieuwe Mark Boog, doet dat, al vertelt die bundel op het eerste gezicht vooral een verhaal over lief­de. Een verhaal van een ‘ik’ (‘Ik heb mij nooit erg op mijn gemak gevoeld / in dit de wereld, tussen hen de mensen?’) en een ‘jij’ die samen een plek maken waarin het bed als het oog in de storm is, een plek waarbuiten geen leven is, maar slechts woestijn. De liefde als een huis met muren van vuur, een schild tegen een kale buitenwereld.

Maar deze gedichten gaan over veel meer dan die ‘wij’ en hun verzengende liefde en het gezinsgeluk waarop gezinspeeld wordt: “Er zal gewelddadig veranderen / op de allerzoetste manier, / en de verwarring zal een naam / hebben, een naam die wij kozen.” De clichés die met zo’n thema azen op een kans om toe te springen, pareert Boog, die voor ‘De encyclopedie van de grote woorden’ de VSB Poëzieprijs kreeg, vernuftig. Of hij trapt ze op hun staart.

Op het koude veld

Maar vooral ontdoet hij zijn taal van vrijwel iedere anekdotiek, maakt die zo onthecht dat er ruimte ontstaat voor nieuwe betekenissen. De woestijn, aanvankelijk symbool voor de liefdeloze wereld buiten, komt in het derde deel van de bundel in een ander licht te staan, als plaats waar zich een oorlog voltrekt of een grote (klimaat)ramp. De brand uit de titel is als de ‘cholera’ uit de roman van Márquez. “Op het koude veld liggen lichamen, / inmiddels zwijgende lichamen. / Ze liggen op hun rug. // Ze kijken met dode ogen naar de hemel.”

Beelden van ‘brandhaarden in de verre verte en om / de verre hoek’ laat Boog in zijn kalme en even zo schurende taal resoneren. Wat buiten gebeurt is niet op afstand te houden, dringt door de poreuze muren van huizen en kan niet onverschillig laten. Of toch? Hier en daar lijkt een speldenprik te worden uitgedeeld, met onverhoedse vragen over betrokkenheid en verscholen kritiek op de wijze waarop wordt omgegaan met schuld: “Rituele/ wassingen, schuldbetuigingen, we maken alles publiekelijk goed.”

De bundel stemt onbehaaglijk, maar uiteindelijk niet somber. De liefde dooft niet maar groeit mee met het leven. “De herinnering klopt zo nu en dan / haar poetsdoek uit boven onze oude uren.” Het vuur dat verzengt, is ook het vuur dat zin geeft, en misschien zelfs een sprankje hoop. Ook al staat de wereld in brand. “Laat ons tot elkaar behoren, / omdat het niet anders kan.”

De wereld brandt zoals wij branden.

Dit stenen landschap wordt geweld

aangedaan. Het breekt, brokkelt, barst.

Boven de horizon rijzen rookpluimen op.

De geur van verschroeid vlees dringt door

tot in deze kamer, tot in dit bed.

Nog gretiger grijpen we elkaar aan.

De geruchten over volksverhuizingen

langs de grenzen van het rijk raken ons,

raken ze ons? We zeggen van niet,

we zeggen van wel. We kunnen niet

meer doen dan blijven branden, almaar

blijven branden. Kaarsen in kerken.

Mark Boog

Beeld Cossee

Mark Boog
Liefde in tijden van brand
Cossee; 72 blz. € 19,99 

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden