Laat God er maar buiten

Deze anti-abortusactivisten weten zeker dat ze God aan hun zijde hebben. Maar moeten we van God wel 'standpunten' verwachten? Beeld
Deze anti-abortusactivisten weten zeker dat ze God aan hun zijde hebben. Maar moeten we van God wel 'standpunten' verwachten?

Laten we God niet bij aardse zaken en discussies betrekken, schrijft de theologe Karen Amstrong, want dan gaat het fout. God is veel meer dan wij kunnen bevatten. Haar opvatting onderbouwt ze met een diepe duik in de traditie.

Marinus de Baar

’Er wordt deze dagen veel te veel over God gepraat’, luidt de openingszin van ’De kwestie God’ van de Britse theologe Karen Amstrong, waarna er pakweg vijfhonderd bladzijden volgen die over God gaan. Of nauwkeuriger uitgedrukt: die over allerlei uitspraken over God gaan. Want weten we eigenlijk wel waar we het over hebben als we God het ’Opperwezen’ noemen, of als we ’Hem’ kwalificeren als ’absoluut’, ’het Zijnde zelve’ en ’almachtig’? Wat houden die termen eigenlijk in?

Alleen al het woord ’term’ zou ons hier tot nadenken moeten stemmen. Want dat is afgeleid van het Latijnse terminus dat grens of einde betekent, en hoe vermetel is het wel niet om God te willen vatten binnen de begrenzing van onze begrippen? Geen woord, geen taal, geen gedachte, is in staat om het onbegrijpelijke weer te geven of het onzegbare uit te drukken: God is groter dan wat mensen kunnen bevatten. Wat rest, dat is een gepast zwijgen; stilte.

Nou dan zijn we gauw uitgepraat. Of toch niet, want Karen Armstrong heeft vijfhonderd bladzijden nodig om deze sprakeloosheid op formule te brengen. Die formule is de zogenaamde ’apofatische theologie’, afgeleid van het Griekse ’apophanai’, wat zoveel betekent als ontkenning. Dit doet denken aan wat in de Middeleeuwen ’negatieve theologie’ werd genoemd (een begrip dat bij Armstrong overigens ontbreekt): God is totaal anders en wij zijn enkel in staat om te zeggen wat Hij niet is.

Wat Armstrong voorstaat is een woordloze spiritualiteit; een zich leeg maken zoals bij yoga-oefeningen wordt beoogd waardoor men zich bevrijdt van knellende begrippen; en het zich wenden tot riten en oefeningen die van religie ervaring en levenspraxis maken, in plaats van leerstellingen en abstracties. Dat klinkt hip en trendy, zou je zeggen. Maar een flink deel van die vijfhonderd bladzijden besteedt Armstrong aan het betoog dat de ’apofatische theologie’ ver teruggaat en een belangrijke traditie vormt in de grote godsdiensten.

In een mooi hoofdstuk dat ’Stilte’ heet, gaat Armstrong in op een tekst van de pseudo-Dionysius, een monnik die voorgaf door Paulus zelf te zijn bekeerd, wat zijn geschriften veel aanzien gaf, maar die feitelijk in de vijfde eeuw na Chr. leefde. In ’De goddelijke namen’ schreef deze pseudo-Dionysius dat God in de Bijbel wel 52 namen heeft. God wordt een rots genoemd, vergeleken met een krijger, en geduid als de hemel en de zee.

Maar al die namen ontsluiten maar een klein deel van wat God is. Een rots, bijvoorbeeld, wijst op Gods bestendigheid maar is levenloos terwijl God het leven zelf is. Moeten we dan proberen het concrete te overspringen en op een hoger niveau zeggen dat God één is, of ’het Ene’? Dat is als getal echter een duiding die een beperking inhoudt omdat elk getal eindig is. Zelfs als we zeggen dat God bestaat komen we niet tot een nader begrip want onze ervaring van bestaan is beperkt tot individuele existenties; van het bestaan als zodanig hebben we geen flauw idee.

De verwarring die hieruit voortkomt maakt eigenlijk deel uit van een spirituele oefening die de vorm aanneemt van een dialectische drieslag: allereerst proberen te zeggen wat God allemaal is; daarna de ontkenning daarvan en het onttakelen van de taal omdat we inzien dat definities tekort schieten; en tenslotte de intellectuele vervoering die volgt uit de vrijmaking van onze geest en het besef dat we in dat proces op een niet te bevatten manier ergens zijn waar God ook is.

Dat maar weinigen tegenwoordig van deze pseudo-Dionysius hebben gehoord, „zou wel eens kenmerkend kunnen zijn voor de huidige religieuze malaise”, schrijft Armstrong. Daarmee bedoelt zij dat we tegenwoordig vergeten zijn dat het vaak beter is te zwijgen over God dan Hem te betrekken bij wat wij ondernemen omdat God dan de inzet wordt van kruistocht en kerktwist, van ideologie en idolatrie, van scherpslijperij en slachtpartij. Dat komt omdat we van God verwachten dat die ons heldere antwoorden geeft op existentiële en ethische vragen: waarom we leven en wat goed en kwaad is. We willen uitsluitsel.

En als we dat door bijbelexegese, thorastudie of koran-onderricht hebben verkregen, begint de uitsluiting van anderen. Het concept, begrip, of idee kan alleen bestaan bij de gratie van een omslotenheid die als een heldere vlek drijft op een zee van omringende duisternis. Het verstand ontsluit niet de werkelijkheid maar omsluit deze; een verschil van een paar letters en veel pijn.

Schuld daaraan is het moderne denken. Met de moderne wijsbegeerte en natuurwetenschappen ontdekt het verstand zichzelf als het licht dat eerder als middeleeuwse metafoor met een hoofdletter werd geschreven. Welk een aanspraak schuilt er niet in de uitspraak ’Ik denk, dus ik ben’? Armstrong heeft nog wel een paar goede woorden over voor Descartes (1596-1650) die, getekend door de Dertigjarige Oorlog, naar een waarheid zou hebben gezocht die voor iedereen – katholieken, protestanten, enz. – aanvaardbaar was, maar dat niettemin deed in een denken dat geen ontzag meer kende en de verwondering wilde elimineren. Er ontstond een manier van redeneren die de principiële kenbaarheid van de werkelijkheid claimde en zich uitspraken veroorloofde over de Maker ervan.

Vreemd overigens dat de Duitse filosoof Leibniz (1646-1716), die veel te melden had over God, goed en kwaad, totaal niet aan bod komt. En de voor velen volslagen onbekende maar in zijn tijd vermaarde Vlaamse theoloog Leonardus Lessius (1554-1623) krijgt wel enkele bladzijden, maar daarbij vertelt Armstrong weer niet hoezeer deze al probeerde Gods Voorzienigheid in definities te vangen. Sommige accenten hadden dus ook, en misschien beter, anders gelegd kunnen worden.

Niettemin maakt Armstrong zich verdienstelijk door te verhelderen dat waar men God betrekt bij de kenbaarheid van de wereld, en die kenbaarheid onderwerp wordt van wetenschappelijke discussie, God daarbij het slachtoffer wordt van een slijtageproces. Dat was het geval met de ’natuurtheologie’, dat wil zeggen dat men God zou kunnen kennen uit de orde van de natuur; ’intelligent design’, zouden we nu zeggen. Armstrong situeert die natuurtheologie in de negentiende eeuw maar feitelijk was de discussie daarover al rond 1750 stevig op gang en God voer daar niet wel bij.

We zouden moeten inzien dat religie een praktische discipline is, schrijft Armstrong, en religieuze inzichten stammen niet uit abstracte discussies en speculatieve betogen maar vloeien voort uit spirituele oefeningen en een leven van toewijding. Daar heeft de moderne geest geen vrede mee en de tegenwoordige mens geen rust voor; die wil alles beheersen en benoemen.

Armstrong leerde als kind uit de cathechismus wie en wat God was: „de oneindig volmaakte Geest [die] alle goede eigenschappen zonder beperking bezit”. Wat kan een kind (of eigenlijk ook een volwassene) daar nu mee? We leren over God op ongeveer dezelfde leeftijd als dat we over Sinterklaas horen, maar het verhaal over de laatste zit in ieder geval begrijpelijker in elkaar dan dat over de eerste, merkt Armstrong op. Een ander verschil is dat we over Sinterklaas gauwer uitgepraat raken dan over God.

Zo’n actuele discussie als die over ’intelligent design’ maakt wel duidelijk dat God inderdaad een ’kwestie’ is geworden en dat er meer over God wordt gepraat dan goed voor Hem en goed voor ons is.

Deze anti-abortusactivisten weten zeker dat ze God aan hun zijde hebben. Maar moeten we van God wel 'standpunten' verwachten? (FOTO AFP ) Beeld AFP
Deze anti-abortusactivisten weten zeker dat ze God aan hun zijde hebben. Maar moeten we van God wel 'standpunten' verwachten? (FOTO AFP )Beeld AFP
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden