Review

Laat een gemaal, station of huis van vroeger vertellen

Nationalistische geschiedenis kan niet meer, en sindsdien is nationale geschiedenis niet zo leuk meer als vroeger. De wetenschap probeert het weer spannend te maken. Door in te zoomen op ’plaatsen van herinnering’. Dit voorjaar verscheen deel twee van een serie met die naam.

Wat doe je met een nationale geschiedenis als je die niet meer op nationalistische wijze kunt vertellen? De geschiedenis van de schoolplaten, van ’1600 – Slag bij Nieuwpoort’, is zélf tot het verleden gaan behoren, en het is de vraag of we dat erg moeten vinden. De nationalistische mythe, de glorieuze herkomstleer, het verhaal is op zoveel plekken lekgeslagen dat het bootje wel moest zinken.

Probleem is alleen: wat zet je ervoor in de plaats? De serie ’Plaatsen van herinnering’, waar nu deel twee van uit is, probeert een antwoord te geven. In vier delen worden telkens veertig ’plaatsen’ behandeld die staan voor een stukje verleden van Nederland. Tezamen proberen ze het ’verhaal van Nederland’ op een nieuwe manier te vertellen.

Sinds het verdwijnen van op nationalisme gegrondvest geschiedonderwijs bleef één probleem urgent: wat voor geschiedenis vertellen we nu? Historisch bewustzijn helpt de burger bij het bepalen van zijn of haar positie in het heden. Welk verhaal moest die taak verrichten nu de oude school van ’dan liever de lucht in’ en het glorieuze vaderland niet meer kon?

Het probleem is niet specifiek Nederlands: alle oude natiestaten hebben er last van. Het is dus niet gek dat sinds een tiental jaren een Frans idee wordt omarmd waarin de nationale geschiedenis op een elegante wijze kan worden herverteld, zonder de bijsmaak van een vanuit de overheid opgelegde en geretoucheerde historie.

De Franse historicus Pierre Nora werkte tussen 1984 en 1993 een concept uit dat onder de naam ’Les lieux de mémoire’ naam heeft gemaakt, de ’plaatsen van herinnering’. Het idee is dat door in te zoomen op een bepaalde plek – dat kan een gebouw zijn, maar ook een meer, een berg – er herinneringen, geschiedenissen opgeroepen worden.

De ’lieux’ zijn te zien als plekken waar het geheugen van een land ligt verankerd, als een groot openluchtarchief. Eén tikje van de toverstaf en zij beginnen te vertellen. Een blik op Paleis Soestdijk roept op die manier direct het verhaal van Bernhard en Juliana op; het Achterhuis ’vertelt’ bijna uit zichzelf het verhaal van Anne Frank en alleen het woord ’Heiligerlee’ doet de Nederlandse Opstand als vanzelf herbeginnen. Er is alleen een verteller nodig.

De aanpak bleek voor Frankrijk zó succesvol dat andere landen hun eigen lieux-projecten begonnen. Ook Nederland ontkwam niet aan de nieuwe mode. Onder leiding van historicus Niek van Sas werd in 1995 in NRC Handelsblad een serie artikelen gepubliceerd, die later onder de naam ’Waar de blanke top der duinen’ werd gebundeld. Hierin werd Nora’s idee als het ware getest voor de Nederlandse geschiedenis, met interessante resultaten. Niet alleen in gebouwen als ’Naatje op de Dam’(het verdwenen oorlogsmonument voor de Tiendaagse Veldtocht van 1831) maar ook in liedjes (’Waar de blanke top...’ en ’In Holland staat een huis’) bleek het nationale geheugen te zijn verankerd. De auteurs gingen zelfs zo ver om Johan Cruijff tot een ’lieu de mémoire’ uit te roepen: een teken van hoe breed het begrip kan worden opgerekt.

In de nieuwe serie gebeurt dat niet. Een criterium voor ’Plaatsen van herinnering’, waar een keur aan schrijvers aan meewerkte en waarvan nog twee delen op stapel staan, was dat de behandelde plaatsen fysiek ’aanwijsbaar’ moesten zijn: een grafkelder, een huis of een strand mochten wel, maar Johan Cruijff – fysiek wat te dynamisch – dus niet.

Een tweede criterium was het aantal artikelen: veertig stukken per boek, wat een indrukwekkende staalkaart van onderwerpen mogelijk maakt. In het juist uitgekomen deel, dat handelt over Nederland in de negentiende eeuw, zijn dat heel uiteenlopende onderwerpen: van stoomgemaal de Cruquius springen we naar het kloosterdorp Steijl en van de militaire erebegraafplaats Peutjoet in Atjeh in voormalig Nederlands-Indië naar de nieuwe Haarlemse St. Bavo-kathedraal.

Een bijzondere eigenschap van de lieux-benadering, is dat het zich leent voor een gelaagde vertelling die toch zijn focus behoudt. ’Het verhaal’ van de ontwikkeling van het Haarlemse centraal station, in het boek opgeschreven door Guus Veenendaal, is óók het verhaal van de ontwikkeling van de spoorwegen in Nederland.

Tegelijkertijd is die gelaagdheid de achilleshiel van elk lieux-project: het gevaar bestaat dat de tekst teveel van de directe betekenis van de plaats in kwestie afdwaalt naar telkens weer een nieuwe betekenislaag. Als Thomas von der Dunk in zijn mooie stuk over het Paleis op de Dam al associërend uitkomt bij diverse Duitse vorsten in de hoge Middeleeuwen, gaat hij sommige lezers misschien een brug te ver.

Zo is voor Guus Veenendaal het Haarlemse station ook een architectonisch verhaal, dat van een ’sober-rustieke baksteenstijl, met veel houtwerk’. Zo komt via een zijdeur een historische hulpwetenschap – architectuurgeschiedenis – om de hoek kijken, die zich niet goed verdraagt met het doel van de serie om aan steen en hout verhalen over mensen te onttrekken.

Hetzelfde gebeurt in een artikel van literatuurwetenschapper Marita Mathijsen, die het verhaal van het roemrijke tijdschrift De Gids koppelt aan een redactielokaal op de Amsterdamse Leliegracht 25 – de eigenlijke plaats van herinnering. Helaas struikelt zij over stokpaardjes uit de literatuurwetenschap, waardoor moeilijke woorden als ’efemere tijschriften’, ’utilitaire poëzie’ en dergelijke de leek van een avond historisch leesplezier wegjagen. Hopelijk bladert hij of zij door naar andere stukken, die soms prachtig zijn: Adri Gorissens stuk over de Napoleonsbaan in Limburg en George Harincks stuk over Nederlandse emigranten in Holland, Michigan, horen tot de mooiste van dit tweede deel.

Zo dringt zich onvermijdelijk de vraag op welke lezer de redactie in het hoofd heeft gehad bij het (laten) schrijven van deze serie. De stukken zijn zeer verschillend waar het betreft de lengte van hun vergezichten, de reikwijdte van de associaties en de behoefte aan nadere uitleg. Een keuze voor een lezer die iets minder achtergrondkennis heeft, had het boek veel sterker gemaakt, is mijn indruk.

Men leze bijvoorbeeld een ander boekje dat zich met de plaatsen van de Nederlandse geschiedenis bezighoudt, Jan Blokkers ’Waar is de Tachtigjarige Oorlog gebleven?’ In deze rondreis door het land worden alle plekken die met de Opstand van 1568-1648 te maken hebben met het toverstafje van Blokkers pen aangeraakt om ons stijlvol en onderhoudend aan ons verleden te herinneren. Je leest het in een zucht, je raakt enthousiast van de eenvoudig vertelde verhalen en het is leuk geïllustreerd. Drie eigenschappen die het boekje een aura van onnadrukkelijkheid verschaffen, eigenschappen die de Plaatsen-reeks op iets te veel van haar pagina’s moet ontberen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden