Kwakkelwinters zijn van alle tijden

Ook een kwakkelwinter als die in 1911-1912 beleefden mensen als erg koud. FOTO © OPENLUCHTMUSEUM ARNHEM Beeld
Ook een kwakkelwinter als die in 1911-1912 beleefden mensen als erg koud. FOTO © OPENLUCHTMUSEUM ARNHEM

Lag er vroeger met Kerst altijd sneeuw en kon je de hele winter schaatsen? 'Winterconservator' Leendert van Prooije van het Openluchtmuseum in Arnhem weet wel beter. Hij maakte een tentoonstelling over de extreem zachte winter van 1911-1912, toen de leeuweriken zongen en de madeliefjes bloeiden. "Arme mensen hadden niet genoeg turf om te stoken, ook een zachte winter was voor hen nog koud."

Het kwakkelt deze winter in het Openluchtmuseum. Met name in de boerderij uit Zuid-Scharwoude, waar verhalen worden verteld over de kwakkelwinter van 1911-1912. Maar daarnaast is het er ook volop écht winter. Net als in voorgaande jaren zijn er een ijsbaan en sleebaan met koek en zopie. In de boerderij uit Varik staat de pan op het kolenfornuis. De boerin bereidt een feestelijk maal van stokvis, vette gans en rijstebrij met bruine suiker. Maar ook de keerzijde wordt belicht: de armen die moesten leven van aardappelen met spek. Ook wordt de tombola verbeeld die rijken organiseerden en waarvan de opbrengst naar arme gezinnen ging. Lichtpunten in de donkere wintermaanden vroeger waren de ijsfeesten en winterkermis, met attracties als de 'kop-van-jut' en de 'vroolijke keuken' (ballen gooien). En zoals dat past bij het Openluchtmuseum wordt en passant ook verteld waar toch die benaming kop-van-jut vandaan komt.

Hendrik Jacobus Jut vermoordde in 1872 samen met zijn vriendin Christina Goedvolk de rijke Haagse weduwe Van der Kouwen en haar dienstbode. Goedvolk werkte daar als huishoudelijke hulp en tipte haar vriend dat de weduwe erg rijk was. Na de moord vluchtte het duo met de buit naar het buitenland, maar keerde uit heimwee toch weer terug naar Nederland. Toen Jut zo dom was om zijn mond voorbij te praten werd hij opgepakt. Het volk was in rep en roer over de brute moord en eiste herinvoering van de doodstraf die in 1870 was afgeschaft.

Jut kreeg levenslange tuchthuisstraf. Zes weken na zijn veroordeling waren de frustraties onder het volk nog zo groot dat op de kermis in Utrecht de gelegenheid werd geboden om die van zich af te slaan op de kop van Jut. Daarna werd de kop-van-jut een attractie op menige (winter)kermis. Twee jaar na zijn veroordeling overleed Jut in het tuchthuis.

Koek en zopie, en de kop-van-jut

Een horrorwinter gaat het worden, net als vroeger. Dat voorspellen sommige meteorologen voor deze winter. Maar waren de winters vroeger echt zoveel strenger, wat onze ouders en grootouders zich ook vaak menen te herinneren? In hun beleving had je toen nooit van die kwakkelwinters, zoals november en ook deze decembermaand tot nu toe verlopen.

In het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem is het - in ieder geval tot 15 januari - kwakkelen geblazen met de winter. Daar staat op de traditionele winterpresentatie de winter van 1911-1912 centraal. Weinigen zullen het weten, maar midden in die winter reden de karren met sla en bloemkolen van de volle grond nog over de Noord-Hollandse wegen. En de ijsclub voerde bij gebrek aan ijs een operette op.

'Winterconservator' Leendert van Prooije van het Openluchtmuseum kent de verhalen ook uit eigen familiekring. Vroeger, toen had je nog eens strenge winters en was er bijna altijd een witte Kerst. En de schaatsen konden ook elke winter uit het vet. Maar na een onderzoek is zijn conclusie dat dat beeld niet klopt. Het is geen wetenschappelijke studie, benadrukt hij, en een link met de klimaatverandering en het opwarmen van de aarde heeft hij ook niet willen leggen. Maar van 1850 tot 1950 verliepen volgens de statistieken, waarin winters in vijf categorieën werden ingedeeld van zacht tot zeer streng, 35 procent van de maanden december, januari en februari normaal. In 37 procent van de winters was er sprake van een zachte winter. Slechts 8 procent van de winters in die periode valt in de categorie streng tot zeer streng. Sinds 1975 is er nog een zesde categorie aan toegevoegd: 'buitengewoon zachte winter'.

Die laatste kwalificatie was zonder meer van toepassing geweest op de winter van 1911-1912, afgaand op de informatie die Van Prooije daarover heeft verzameld. Die haalde hij onder meer uit de kranten die toen verschenen. Van Prooije: "In het Openluchtmuseum willen we ware verhalen vertellen over het dagelijkse leven van gewone mensen in het verleden. We zijn geen wetenschappelijk instituut, maar wat we vertellen moet wel gebaseerd zijn op historische feiten." Voor zijn onderzoek heeft Van Prooije specifiek gezocht naar berichten over de effecten van winters op het alledaagse leven. Hoe kleedden mensen zich, wat aten ze, hoe hielden ze zich warm, wat was er aan vertier en wat aten ze met de feestdagen? Tal van kranten heeft hij doorgespit, uit alle delen van het land. Op basis van deze informatie zijn prachtige verhalen te vertellen over de extreem zachte winter van honderd jaar geleden. Bezoekers kunnen er nu naar luisteren in de stolpboerderij uit het Noord-Hollandse Zuid-Scharwoude op het museumterrein.

Het lijkt een verzinsel, maar het is echt waar. Op 9 januari 1911 reden tuinders in Weesp karren met slakroppen van de volle grond naar de groentehandelaren. Eind februari van dat jaar oogstte een boer in Langedijk vijftienhonderd verse bloemkolen op zijn land. En in de Schager Courant werden bejaarde mensen van dik in de tachtig geïnterviewd die zich niet konden herinneren ooit zo'n slappe winter te hebben meegemaakt. Op een enkel nachtvorstje na vroor het die hele winter niet. Overdag schommelden de temperaturen tussen de zeven en tien graden boven nul. De leeuweriken zongen in januari terwijl de madeliefjes bloeiden. Maar er waren ook mensen die allerminst blij waren met de extreem zachte winter. De ijsclub had geen klandizie en besloot daarom maar een operette op te voeren.

Groter waren de problemen voor de vissers: de ijsvoorraden in de pakhuizen waren op, waardoor de vis dreigde te bederven. In andere winters werden er blokken ijs uit de bevroren sloten gezaagd. Nu moest er ijs uit Noorwegen worden geïmporteerd. Maar het kruidenvrouwtje Johanna Maria Wortelboer uit Oude Pekela, die in de periode 1890 tot 1920 or het hele land in kranten adverteerde met haar geneeskrachtige kruiden tegen allerlei winterkwalen, liet zich niets gelegen liggen aan de kwakkelwinter. Van Prooije: "Haar kruiden hielpen ook in zachte winters."

De verhalen over deze extreme kwakkelwinter zijn ook bijzonder, vindt Van Prooije, omdat je die zo zelden hoort. Altijd gaat het over extreem koude winters. Barre kou en dikke pakken sneeuw spreken nu eenmaal meer tot de verbeelding dan kwakkelweer. Ook in de schilderkunst is dat het geval. Tal van kunstenaars lieten zich inspireren door besneeuwde en berijpte landschappen. Maar een winter zonder ijspret en met modderige paden in plaats van een smetteloos sneeuwdek is nu eenmaal geen dankbaar onderwerp. Van Prooije: "Mensen slaan ook nu nog massaal aan het fotograferen als het heeft gesneeuwd of het landschap prachtig is berijpt."

Daarnaast speelt ook mee dat de 'winterbeleving' anders is geworden. In onze goed verwarmde huizen ervaren we een kwakkelwinter ook echt als zacht. En als het extreem koud is, zetten we de verwarming hoger en kleden we ons extra warm aan. Dat was vroeger heel anders. Van Prooije: "Arme mensen hadden vaak niet eens voldoende turf om te stoken. Ook een zachte winter was voor hen nog koud. Dan ligt het voor de hand dat het beeld ontstaat dat de winters vroeger kouder waren. Dat was niet zo, maar wel in de beleving van mensen."

Koud hadden de mensen het sowieso in de tijd dat er vaak maar één vuur was om je aan te warmen in huis. Van Prooije stuitte op een Duits onderzoek waarbij de temperatuur gemeten is in een boerderij die tot de nok gevuld was met hooi en stro. Met al het vee in huis en ook nog een groot vuur werd het binnen toch nooit meer dan zes graden warmer dan de buitentemperatuur. "Als het buiten nul graden is, is het binnen zes graden en dat is niet echt warm. Het is dus niet zo gek dat winters vroeger vaak als horrorwinters werden ervaren en zo zijn gaan voortleven in de herinnering."

Zo heeft Van Prooije (1955) zelf nog levendige herinneringen aan de beruchte winter van 1963, toen Reinier Paping een van de meest barre Elfstedentochten ooit won. Tal van deelnemers vielen uit met bevroren ogen, een detail dat Van Prooije altijd bij is gebleven. "Ik heb zelf leren schaatsen in de winter van 1960-1961, op de ondergelopen weilanden in de Achterhoek." Nog zo'n detail dat bijdraagt aan de mythe dat de winters vroeger kouder waren en dat er ook altijd schaatsijs was.

Of het door die winter van 1963 komt weet hij niet, maar Van Prooije heeft een fascinatie voor winters ontwikkeld. Ook is hij een fanatieke schaatser, die inmiddels twee Elfstedentochten heeft gereden, in 1985 en 1986. Aan die van 1997 kon hij 'helaas' niet meedoen. Tot half januari mag het van hem nog kwakkelen in Nederland. Dat zou een mooie entourage zijn van de presentatie in het Openluchtmuseum over de kwakkelwinter van 1911-1912. Die duurt tot 15 januari. Maar daarna mag het van hem keihard gaan vriezen.

Winter in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, t/m 15 januari. Meer informatie: www.openluchtmuseum.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden