Kwab, de frivole knipoog van de Gouden Eeuw

Adam van Vianens herdenkingskan voor zijn broer Paulus, het pronkstuk van de tentoonstelling. Beeld Carola van Wijk, Rijksmuseum

Kwab, de grillige vormentaal die begin zeventiende eeuw in Nederland ontstond, is spectaculair én onbekend bij het grote publiek. Een tentoonstelling in het Rijksmuseum geeft nu een introductie die je niet snel vergeet.

Een tentoonstelling over kwabben, ornamenten op zeventiende-eeuwse zilveren schalen en bekers, wie kan je dáár nou voor porren? Sowieso, kwabben? Op papier lijkt het of het Rijks het spoor naar toegankelijke tentoonstellingen even bijster is. Ja, het gaat écht om kwabben, zoals in de hersen- of vetkwab.

Lubberige, ondefinieerbare, allesbehalve strakke vormen die begin zeventiende eeuw in de Nederlandse kunst opdoken. In het Duits werd het de Ohrmuschelstil, de stijl van de oorschelp. Knorpelbarock, oftewel kraakbeenbarok, is ook goed. Allemaal namen voor iets dat nauwelijks bekend is bij het grote publiek, en ook nooit echt was, maar later op allerlei plaatsen opdook. Kwab ontstond als een vormentaal voor de elite. Voor vorsten en andere rijken die zich in kleine kring, begin zeventiende eeuw, konden verlustigen aan de surrealistische vormen.

Het Rijksmuseum opent nu dus de schatkist met zilverwerk, tekeningen, schilderijen, meubels en zelfs kerkmeubilair. Grotendeels uit eigen collectie, aangevuld met een paar bijzondere bruiklenen. Die omgekieperde schatkist kreeg bovendien een passende vormgeving. Theater- en lichtontwerper Keso Dekker, die ook de balletten van Hans van Manen verzorgt, dook diep in de kwabgeschiedenis. En bedacht voor elke zaal een zwart-witpatroon dat nét niet overheerst, maar wel, dankzij zwart-witmotieven en spiegels, een passende dosis spektakel toevoegt.

Mythische voorstelling

Het kwabverhaal begint bij twee broers, Paulus en Adam van Vianen, edelsmeden uit Utrecht. Paulus maakte internationaal carrière en kreeg een positie bij het hof in Praag. Daar kreeg hij veel vrijheid en waardering voor zijn originele ontwerpen. In het Rijks staat een schaal met in het midden een mythische voorstelling, en langs de randen grillige vormen. Zijn het waterbeesten, botten, gezichten? De kijker bepaalt.

De achterkant van de schaal is ook te zien. Op het eerste gezicht precies wat je verwacht, een negatief van het beeld aan de voorkant, zo'n schaal bestaat immers uit één stuk zilver dat met veel geduld en vakmanschap in bepaalde vormen wordt geduwd en gelegd. Pas als je beter kijkt, zie je dat het een ándere voorstelling is, dat de achterkant een tweede laag zilver is die tegen de voorkant is aangezet. Maar wel zo, dat het net is alsóf het een negatief is van de voorkant. Grappen die alleen de echte kenner begreep.

Deze schaal, duur en onbruikbaar, stond als pronkstuk bij Rudolf II, en kon alleen op verzoek bekeken en bewonderd worden. Exclusiever kon niet. De vorm in de rand lijkt door te lopen van voor naar achter, in alle grillige fantasievormen.

Die fantasievormen, daar gaat het de kwabliefhebber om. Een liefhebberij die past in de bewondering van die tijd voor het kruiperige, het aardse, als tegenhanger voor het hemelse en de symmetrie. Paulus van Vianens meesterschap drong door tot in zijn geboortestad: toen hij in 1613 overleed, luidden de klokken van de Domtoren. Het Amsterdamse zilversmidsgilde vroeg Paulus' broer Adam een herdenkingskan te maken. Die kan is nu terecht het pronkstuk van de tentoonstelling, hij is gemaakt uit één plak zilver, werd later verguld. Meteen bij binnenkomst toont een filmpje het object van alle kanten, gaat het deksel open en zie je de bodem, waarop een mannetjeshagedis een vrouwtje bijt, als voorspel bij de paring; in de museumzaal staat de kan met deksel dicht. Toch zie je pas van dichtbij hoe geniaal en gewaagd het ontwerp is. Van één hoek zie je een voorovergebogen vrouw, dan valt je oog weer op een opengesperde slangenkop, onderop, als voet voor de kan, zit een gehurkt aapje. Dalí, Klimt, de surrealisten en de Amsterdamse School, allemaal kunstenaars en stromingen die, áls ze de kan hadden gezien, zich ineens wat minder revolutionair zouden voelen.

De herdenkingskan van Adam van Vianen werd ook buiten de zilversmedenwereld bekend: in de tentoonstelling zijn drie schilderijen te zien, onder andere van Pieter Lastman, de leermeester van Rembrandt, waarop dezelfde kan herkenbaar in beeld is gebracht. En vanaf toen was de kwab los van het zilver en werd hij een rage. Er kwamen kwabbehangen in goudleer, met de meest fantastische, bizarre, suggestieve vormen en welvingen. Architecten als Lieven de Key en Hendrick de Keyser gebruikten kwabmotieven in details, als tegenhanger bij de klassieke symmetrische vormen. Het smeedwerk in de Amsterdamse Nieuwe én de Oude Kerk kreeg kwabben, voor de tentoonstelling heeft het Rijks een paar stukjes hek mogen lenen. En al die behangen, meubels en andere kwabdetails kwamen ook weer terug in nieuwe schilderijen. Rembrandt maakte zelfs een 'Heilige familie' waarop een schaaltje duidelijk een kwab heeft, ook op Rembrandts 'Danaë' (niet in de tentoonstelling) is een bed met expliciete kwabpoot te zien. De kwabben gingen over de grens, tot in Noord-Duitsland en Parijs, vooral in houtwerk maar ook in het oorspronkelijke materiaal, het zilver. Kwab was de knipoog van de Gouden Eeuw, een frivoliteit die je moest kennen om hem te zien.

Dankzij deze prachtige tentoonstelling is dat kennersgenot moeiteloos terug te voelen. Ook vierhonderd jaar later geloof je je ogen bijna niet.

'Kwab. Dutch Design in de eeuw van Rembrandt', tot 16 september in het Rijksmuseum in Amsterdam.

Lees ook:

Wat zijn de trends in de 277 voor de grote literaire prijzen genomineerde boeken?

Is het engagement terug in de roman? Tijd voor een brede blik op de literatuur van de laatste tien jaar. 

Het Drents Museum belicht Iran eens een keer niet als duistere of achterlijke macht

Het is een van de oudste beschavingen, maar wat weten we nu helemaal van de Perzische geschiedenis? Het Drents Museum zet de schijnwerper op het rijk van het spijkerschrift en ijzer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden