Kunstzinnige botanica

Met een voor die tijd ongekende perfectie schilderde Maria Sybilla Merian (1647 tot 1717) de natuur. Haar werk laveert tussen wetenschap en kunst.

Aan het begin van de 18de eeuw, middenin de tijd van de Verlichting, wist Maria Sybilla Merian nieuwe inhoud aan het begrip stilleven te geven. Deze tak van kunst, die minstens drie kwart eeuw een specialisme van tientallen mannelijke schilders was geweest, ging tot dan toe slechts om het weergeven van nature morte, het ’dode leven’. En het had uitsluitend een artistieke grondslag. De kunstenaar wilde weergeven wat hijzelf als de hoogste vorm van schoonheid ervoer.

Met een perfectie die op wetenschappelijke basis werd bereikt, wist de schilderes Maria Sybilla Merian (1647 tot 1717), bijgestaan door haar twee dochters Johanna en Dorothea dat dode bestaan met de dynamiek van het echte leven te confronteren. Tussen de nuchter weergegeven bloemen, planten en vruchten kruipen nietige torretjes, zuigen bijen honing op, zijn vlinders neergestreken, transformeren rupsen zich tot cocon en later weer tot vlinder, of groeit kikkerdril tot kikkervisjes tot kikkers uit. Koudbloedige diertjes als reptielen en amfibieën scharrelen tussen planten of doen zich te goed aan nog kleinere wezentjes. Dat alles tot meerdere glorie van God, want de schilderes was van vrome huize.

Zoveel levendigheid ontbrak tot dat moment in de meeste stillevens. Merian had er dan ook veel succes mee. En dat is opvallend als we weten dat de stillevenschilderkunst in Nederland in de tweede helft van de 17de eeuw tot op grote hoogte was gestegen. Het publiek was verwend met de ’schilderachtige’ composities van (bloemstuk)schilders als Ambrosius Bosschaert, Willem Heda, Osias Beert, Jan Davidsz de Heem en Hans Boulenger.

Omdat Maria Sybilla Merian ook wetenschappelijke ambities had, vond ze dat haar onderzoekswerk compleet met alle illustraties in boekvorm onder het deskundige deel van haar publiek verspreid moest worden. Voeg daar een opmerkelijke levensloop bij en je hebt alle ingrediënten bij elkaar voor een spannende en prachtige tentoonstelling.

Het Rembrandthuis in Amsterdam brengt het leven en werk van Maria Sibylla Merian en haar dochters in een niet al te grote presentatie op overtuigende wijze in beeld. Mede door het onderzoek van de samenstelster, gastconservatrice Ella Snoep-Reitsma die veel nieuwe biografische feiten aan het daglicht bracht, richt de tentoonstelling zich niet alleen op het kunstpubliek, maar probeert ze ook de wetenschap een spiegel voor te houden.

Als kind – ze werd geboren in 1647 in het Duitse Frankfurt waar haar vader drukker en uitgever was – koesterde Maria Sybilla grote belangstelling voor alles wat er rondscharrelde en groeide in de tuin. Die belangstelling werd nog eens aangewakkerd door haar stiefvader. Maria Sybilla was drie jaar toen haar eerste vader overleed. Haar moeder hertrouwde met Jakob Marrel, een Vlaamse stillevenschilder. Mede op zijn aandringen ging het jonge meisje haar geliefde planten en insecten tekenen, gestimuleerd door haar nieuwsgierigheid. Zo ging ze al op elfjarige leeftijd rupsen kweken, een proces dat ze van dag tot dag wilde volgen om er vooral maar niets van te missen.

Op een bepaald moment moet ze ook de samenhang tussen het dier en zijn milieu hebben gezien. Voortaan zou ze tekeningen maken waarin het bewuste insect in zijn natuurlijke habitat rondscharrelt. Zo kon ze haar visie op vruchten of bloemen meteen combineren met haar belangstelling voor dieren.

Het vervaardigen van dit bijzondere soort stilleven werd al spoedig, een levenstaak waarmee ze haar eigen inkomsten kon genereren. Rond haar dertigste leidde het tot de uitgave van een boek waarin ze een serie tekeningen over het leven van de rups opnam. Het boek, dat zich onderscheidde van de reguliere bloemenboeken die geen ander doel hadden dan er bordurende dames mee te plezieren, werd in eigen beheer uitgegeven.

Geven de publicaties uit deze jaren een mooi beeld van alles wat de natuur rond Frankfurt te bieden had, het werk zou niet veel later een drastische koerswijziging ondergaan toen Maria Sybilla Merian naar Nederland vertrok. Godvrezend als ze was kwam ze met man en gezin in de geloofsgemeenschap van de Labadisten in het Friese Wiewerd terecht. Daar moet zowel het huwelijk als de strenge leefgemeenschap haar niet goed zijn bevallen, want na enkele jaren volgde een scheiding waarop ze zich met haar dochters (maar zonder man) in Amsterdam vestigde.

Daar zette ze een bedrijf op waar ze naast haar eigen boeken ook benodigdheden voor het maken van stillevens verkocht. Dat waren niet alleen pigmenten en penselen, maar ook potten met dieren op sterk water, naast geprepareerde insecten die eindelijk stil zitten om optimaal te worden bestudeerd. Met dergelijke objecten wilde ze ook handelaren, drukkers, wetenschappers bedienen naast verzamelaars die er op uit waren om een rariteitenkabinet in te richten. En natuurlijk schilders, van wie haar bekend was dat ze soms kasten vol met opgezette dieren hadden die als zetstuk in hun composities fungeerden.

Eenmaal in Amsterdam merkte de schilderes dat ze afgesneden raakte van de levende natuur. Ze maakte een reis naar de tropen om daar als entomoloog nieuwe soorten te ontdekken. In 1699 ging ze samen met haar dochter Dorothea op een koopvaarder naar Suriname, waar ze haar onderzoek naar de natuur begon.

Ella Reitsma heeft zich toen ze met haar studie naar Merians leven begon, al spoedig afgevraagd in hoeverre het onderzoek wetenschappelijk verantwoord was. Ze ging daarbij zo ver dat ze dezelfde vlinders die het onderwerp van de tekeningen waren, heeft gekweekt. Ook het verblijf in Suriname dat ongeveer twee jaar heeft geduurd, heeft ze ’herbeleefd’ en voor de tentoonstelling en de begeleidende biografie op kritische wijze bekeken. Om tot de conclusie te komen dat Maria Sybilla Merian niet alleen haar tijd ver vooruit was met haar wetenschappelijke benadering, maar dat ze zich ook weinig persoonlijke interpretaties permitteerde. Het is opvallend hoe weinig fouten er in haar insectenboeken staan. Bij de kakkerlakken gaat het even mis als de schilderes ze als ’inlands’ beschouwt terwijl ze juist van overzee waren geïmporteerd.

Dat laat niet onverlet dat Merians werk behalve vanuit esthetisch oogpunt ook op wetenschappelijk gebied voor veel navolging heeft gezorgd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden