Kunstballingen bijeen in Maastricht

(Trouw)

Heeft het zin om kunst die in geen enkel hokje past naast elkaar aan één muur te hangen? In Maastricht luidt het antwoord ’ja’.

Het klinkt misschien gek, maar ’Exile on Main St.’, de tentoonstelling met onbekende Amerikaanse outsider-kunstenaars in het Maastrichtse Bonnefantenmuseum, is een antwoord op een andere tentoonstelling. Het is een laat antwoord, dat wel, om precies te zijn met een vertraging van twintig jaar. Maar dat had meer met geld te maken dan met aarzeling.

Toen Bonnefanten-directeur Alexander van Grevenstein in 1990 rondliep op de tentoonstelling High & Low in het Museum of Modern Art in New York, verbaasde het hem dat bepaalde sleutelfiguren uit de low culture niet of nauwelijks waren vertegenwoordigd. Tegenover de high art werd in die tentoonstelling anekdotische kunst uit de low culture gezet, met wortels in de cartoon- of reclamewereld.

Te beperkt, vond Van Grevenstein, en hij zinde op een eigen tentoonstelling; eentje die echt plaats zou bieden aan outsider-kunstenaars. Zo ontstond het idee voor Exile on Main St.: een groepsexpositie van negen kunstenaars die niet bij enige school hoorden of wilden horen, die onderling heel verschillend werk maken en die elkaar zelfs niet eens kenden voordat hun werk een maand geleden zij aan zij in Maastricht aan de muur kwam te hangen.

Kunstenaars die bovendien inmiddels oude mannen waren geworden; dat krijg je met zo’n uitgesteld antwoord. In de ruimte die het Bonnefantenmuseum gereserveerd heeft voor de biografieën, vallen de geboortejaren op: Alfred Jensen (overleden in 1981) werd geboren in 1903; William Copley is met zijn negentig jaar de oudste nog in leven zijnde, uit 1919; de jongste (68 jaar) is Joe Zucker, geboortejaar 1941.

In diezelfde biografieruimte in het Bonnefantemuseum klinkt keihard muziek van de Rolling Stones, van hun plaat ’Exile on Main Street’. Het was de dubbel-lp die de rockgroep in 1972 in ballingschap (lees: op de vlucht voor de Amerikaanse belastingdienst) opnam in een schuur aan de Côte d’Azur. Alsof het Bonnefantenmuseum wil zeggen: oude mannen, maar wel rockende mannen, geen éminences grises.

Dat geldt ook voor de negen beeldende kunstenaars waarmee het Bonnefantenmuseum zijn 125-jarig bestaan viert: Richard Artschwager, Wiliam Copley, Steve Gianakos, Alfred Jensen, Peter Saul, John Tweddle, John Wesley, H.C. Westermann en Joe Zucker. Allemaal namen die niet bekend zijn bij het grote publiek, maar die Van Grevenstein beschouwt als de vaders van latere generaties tegendraadse kunstenaars. Voor alle kunstenaars geldt trouwens dat ze weliswaar in de zijstraten en stegen van de kunst werken, maar ze zij ook allemaal vertegenwoordigd door belangrijke galeries en leven van hun kunst.

Neem bijvoorbeeld Peter Saul (1934), die ooit beweerde dat niet-shockeren betekent dat je je als kunstenaar neerlegt bij je rol als meubilair. En meubelstukken zijn Sauls gillende Gilles-de-la-Tourette-doeken zeker niet. Hij maakt cartoonachtige werken waarin de hele kunstgeschiedenis figureert, schilderijen die zó goor zijn dat ze hilarisch werken.

Je ziet bijvoorbeeld een kotsende Mona Lisa (’Mona Lisa Throws Up Pizza’), een suppoost die zijn enorme geslacht in de pisbak van Duchamp leegt (’The Art Lover’), een Mickey Mouse die opschept dat hij sneller dan Jackson Pollock schildert, de kunstenaar als vrouw op de dokterstafel en een ondersteboven gekruisigde hond-schilder, met ’Van Dawgh’ op zijn pet (’Vincent Van Dawgh’).

De agressieve meligheid steekt vreemd af tegen Sauls fantastische techniek: als een pointillist tamponneert hij zijn schreeuwende kleuren zó nauwgezet op het doek, dat zijn werk er gespoten strak uitziet.

Wat techniek betreft staat het eveneens cartooneske werk van Steve Gianakos aan de andere kant van het spectrum. Gianakos schildert erotische taferelen op doeken die hij bij voorkeur niet inlijst maar met spelden tegen de wand hangt.

Pin-ups in de ware zin des woords, waarin Betty Boop-achtige figuurtjes seksuele handelingen uitvoeren of als half-dier, half-mens worden opgevoerd.

Gianakos’ stijl doet nog het meest denken aan tatoeage-kunst. Zijn oneliner ’mijn werk is lang niet zo aanstootgevend als de mensen die ernaar kijken’ klinkt een beetje te stoer voor wat je ziet.

John Tweddle maakt hallucinante schilderijen, een soort oosterse tapijten in barbapapa-achtige vormen. Als je dichtbij gaat staan, zie je dat zijn geliefde motief het dollarteken is; op de ander staan woorden als piss, cunt, ass en pussy. Een schilderij met een golvend patroon ondertekende hij met ’Made in New York by Jesus Christ’.

Tweddle begon als succesvol kunstenaar, werd ontdekt door de Green Gallery en had een verzamelaar die jarenlang veel werk van hem aankocht. Maar Tweddle kreeg al vroeg in zijn carrière een afkeer van het kunstcircus. Hij verhuisde naar New Mexico, stopte met schilderen en verdween uit zicht.

Totdat Van Grevenstein hem weer opspoorde en hem samen met vijf andere schilders – van de negen zijn er drie overleden – naar Maastricht haalde. De zes Amerikanen kenden elkaar niet, laat staan dat ze ooit werk van elkaar hadden gezien, aldus Van Grevenstein. Allemaal een eigen zijstraat ingedoken, weg van de snelweg van de kunstwereld. Al die rebellen stonden aan de vooravond van de tentoonstelling te grienen van emotie, toen ze hun werk eenmaal in Maastricht aan de muur zagen hangen. En zoals het rebellen betaamt, zijn ze daarna stevig door gaan zakken.

Tussen die individualisten is het werk van Alfred Jensen het allerindividueelst – vandaar waarschijnlijk zijn speciale plek in de projectielvormige toren, tot voor kort het decor voor een LeWitt-muurschildering, maar nu ineens veranderd in een serene kapel. Jensen is de enige abstracte schilder in ’Exile on Main St.’. Zijn monomane doeken, waar de verf dik op ligt, kruisen Goethe’s kleurtheorie met schaakbordachtige vlakken, Maya-hiërogliefen, schaakbordmotieven en natuurkundige diagrammen.

Die alchemistische mengeling leverde krachtige schilderijen op, opgebouwd uit heldere abstracte vormen en mysterieuze tekens. „Jensens werk is radicaal omdat alle ruimte lijkt te zijn uitgebannen”, zei Donald Judd ooit treffend. Tegenover alle opgestoken middelvingers van zijn Maastrichtse mederebellen is de verstilde Jensen een weldaad; een balling onder de ballingen.

Steve Gianakos: ¿Untitled¿ (1994) (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden