Review

'Kunst zal oplossen in reclame'

In het westerse denken is er geen grotere omwenteling denkbaar dan die van ná de Verlichting: de dijkdoorbraak van de Romantiek. Maarten Doorman beschrijft hoe wat tussen 1790 en 1830 opkwam, ons gedachte-en gevoelsleven nog steeds in de greep heeft en daarmee ook het maatschappelijke en culturele leven. Postmodernisme of Woodstock, David Beckham-verering of etnische 'schoonmaak', het laat zich allemaal tot de Romantiek herleiden. Maar maakt Doorman het zich niet te gemakkelijk?

Romantiek is twijfel, paradox, gespletenheid, chaos en bovenal het verlangen om de kloof tussen het Ik en het niet-Ik te dichten, als het moet door een wilde sprong in het duister. Romantiek komt voort uit het besef dat de paradijselijke onschuld en harmonie dankzij onze destructieve hoogmoed voorgoed buiten bereik zijn geraakt. Romantiek wordt belichaamddoor Miltons Lucifer (aldus Baudelaire) en Goethe's Mefistofeles, 'der Geist der stets verneint' – daarom zal ideeënhistoricus Arthur Lovejoy de slang die Eva verleidde wel hebben aangewezen als de allereerste romanticus.

Romantiek wil niet weten van gulden middenweg, maat en evenwicht, maar wijkt bewust van de voorgeschreven paden af en verzet zich tegen elke opgelegde orde. Om al die redenen doet het merkwaardig aan een boek in handen te krijgen met de titel 'De romantische orde'. Dat wekt de indruk als zou er zoiets bestaan als een systeem waaraan de romantische mentaliteit gehoorzaamt.

'De romantische orde' staat op naam van de cultuurfilosoof Maarten Doorman. Hij is niet de eerste die vaststelt dat het romantische denken, doen en laten hebben gezorgd voor de grootste breuk in dertig eeuwen westerse beschavingsgeschiedenis. Op de nieuwe fundamenten die in de periode 1790-1830 werden gelegd, is men tot nu toe blijven voortbouwen, in de literatuur en de kunst, maar ook in gedrag, wetenschap, religie en politiek.

Behalve de Mexicaanse Nobelprijswinnaar Octavio Paz maakten Nederlandse geleerden als C. de Deugd, J. J. Oversteegen en Ton Anbeek (geen van drieën in de bibliografie van 'De romantische orde' genoemd) al melding van de continue romantische onderstroom in kunst en cultuur. Maar Doorman gaat een paar flinke stappen verder dan zijn collega's bij het doortrekken en verbinden van historische lijnen. Al doende schetst hij een netwerk dat de suggestie van orde en samenhang uitstraalt. En aan die orde, aldus Doorman, kunnen wij ons niet onttrekken, onverschillig of we er nu voor of tegen zijn.

Neem bijvoorbeeld het oplevende nationalisme en de hernieuwde nadruk op etnische identiteit. Wie meent dat het hier om reacties op de uniformerende gladstrijkerij van de Europese eenwording gaat, heeft het mis. Het denken in termen van volk en natie is bij uitstek romantisch.

Hetzelfde geldt voor de 'alternatieve', door jongeren gedragen tegencultuur die opkwam met de popmuziek en een climax beleefde omstreeks 1970 (Woodstock!). Ook deze puberale contramine, die steevast gepaard ging met verzet tegen jegens de maatschappelijke status-quo, gaat terug op de romantiek.

De hoofdstukken die Doorman aan Woodstock en aan het nationalisme-en identiteitsdebat wijdt, bieden weinig nieuwe inzichten. Wat in zijn boek wél nieuw is, doet nogal grof en speculatief aan. Zo zou de van oorsprong romantische tweedeling tussen de empirische wetenschap aan de ene en de langs intuïtieve weg verkregen kennis aan de andere kant tot de dag van vandaag gereproduceerd worden, ook door vertegenwoordigers van de 'harde wetenschappen'.

Die 'antiromantici' blijven daarmee – in Doormans ogen althans – gevangen binnen het discours van de romantische orde. Voorwaar een fraai staaltje van dialectisch redeneren (op zichzelfook al een onderdeel van de romantische erfenis). De ellende is alleen dat dialectisch behaalde resultaten zo vaak open deuren zijn. Nogal wiedes dat alles vastzit aan zijn tegendeel!

Hoogst speculatief is ook het toekomstbeeld ten aanzien van kunst en kunstenaar zoals Doorman dat schetst. Ik kan het op sommige punten nog wel met hem eens zijn: de postmoderne ironie die alles op het spel zet, ook de ambities en pretenties waarmee creativiteit en verbeelding zijn omgeven, wortelt in de romantische spanning tussen werkelijkheid en fictie. Zij moet het ook hebben van de spanning tussen het rotsvaste geloof in de magische potentie van de taal en de scepsis, die rest wanneer de magie maar kort of helemaal niet blijkt te werken. Maar in zijn conclusies gaat hij mij te ver: Doorman profeteert dat de kunst zal oplossen in reclame en music for the millions en dat het kunstenaarschap gereduceerd zal worden tot het David Beckham-achtige en met marketingstrategieën opgekweekte megasterrendom van Vincent van Gogh, Picasso en Jeff Koons.

Goedbeschouwd betreft het hier een cultuurpessimistisch praatje voor eigen parochie, want, aldus Doorman, de kunst valt alleen voor het einde te behoeden als ze begeleid en vooral tegengesproken blijft worden door kritische reflectie en commentaar.

Volledigheid streefde Doorman niet na, lezen we in zijn inleiding. De romantische visies op natuur, religie en het kwaad liet hij daarom onbesproken. En daarmee, zeg ik nu, drie knooppunten in het netwerk dat hij construeert. Dat er evenzoveel kansen op het ontdekken van historische parallellen verloren zijn gegaan, is evident.

Valt de ambiguïteit van het hedendaagse milieudenken (tegelijkertijd progressief en reactionair, het laatste op het totalitaire af) niet te verklaren vanuit het romantische onbehagen in de cultuur? Zou het niet interessant kunnen zijn om een tegendraadse moralist als Arnon Grunberg naast engelen van het kwaad als Byron, Baudelaire en Rimbaud te zetten, om van Nietzsche nog maar te zwijgen?

En dan de religie. C. de Deugd ontwaarde in de romantische literatuur ooit een 'metafysisch grondpatroon'. Met evenveel recht kan je beweren dat het gepassioneerde verlangen om de grenzen tussen het Ik en het Al op te heffen, direct raakt aan de mystiek. Het is de frustratie van dat verlangen die leidt tot de ironie, ook door Doorman aangewezen als het romantisch stijlmiddel bij uitstek.

Met betrekking tot het geloof in God sprak de postromanticus Frans Kellendonk van 'oprecht veinzen'. Als dat geen ironie is. En ook de mystiek aangelegde en metafysisch geplaagde Willem Jan Otten kan er wat van, van het christelijke geloof dat opgloeit bij wijze van acteerprestatie van iemand die bereid en in staat is de dode Jezus tot leven te wekken. Bij Doorman heet dat allemaal 'terrein voor nader onderzoek'. Of wilde hij er gewoon zijn vingers niet aan branden?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden