Review

Kroniek van het aan stukken geslagen leven

De schrijver Abel J. Herzberg is nog geen zeven jaar geleden gestorven en nu al is met een laatste deel zijn 'Verzameld Werk' afgerond, terwijl zijn biografie vrijwel voltooid is. Dit is te danken aan zijn dochter Judith die ruimhartig de erfenis beheert, uitgever Querido die er eer in schept zijn oeuvre aandacht te blijven geven, en niet in de laatste plaats aan Arie Kuiper, voortvarend bezorger en biograaf van Herzberg. Abel J. Herzberg: Verzameld werk 3. Querido, Amsterdam; 544 blz. - ¿ 65.

Ooit was de monumentale 'Kroniek der Jodenvervolging, 1940-1945' al in een vergelijkbare kapitale band en typografie heruitgegeven. Het deze week verschenen 'Verzameld werk 3' is een nagenoeg complete bundeling van essays en toespraken die eerder verschenen in het door Huub Oosterhuis samengestelde 'De man in de spiegel' en Kuipers bloemlezing 'Zonder Israël is elke jood een ongedekte cheque'. De stukken zijn nu van data en introducties voorzien. Zo'n tien essays waren nooit herdrukt en met name vier artikelen uit de jaren dertig laten zien hoe consequent Herzberg altijd is geweest in zijn denken over 'het dier in de mens'.

Abel J. Herzberg (1893-1989) had geleerd voor advocaat. In het concentratiekamp Bergen-Belsen, waarheen hij als jood met zijn vrouw door de nazi's was gedeporteerd, vroeg de kampbevolking hem te oordelen over vergrijpen als diefstal van eten. Met een gezonde dosis spot en twijfel kreeg zijn 'advocatuur' als schrijver na de oorlog steeds meer die andere dimensie: hij verdedigde het tot uitdrukking laten komen van het menswaardige in de mens.

Al in 1933 had hij het handhaven van 'cultuurniveau' tegenover de 'instincten van het grauw' gesteld. De uitvinding van 'de Duitse mens', schreef hij in 1934 in 'Tussen Kruis en Hakenkruis', vereiste de 'afgrenzing tegenover een andere mens' en 'de jood leent zich daartoe uitnemend'. De 'Duitse mens' kon niet zonder een 'Duitse God' en die uitvinding vereiste een afrekening met de joden: niet omdat die Christus hebben vermoord maar omdat die Christus hebben voortgebracht. Het gebod van de 'naastenliefde', bij uitstek datgene wat jodendom en christendom verbindt, stond immers het 'fabriceren en oppompen' van de Duitse mens in de weg.

In 1936 deed hij een van zijn vele pogingen om het antisemitisme te definiëren: “Het is niet waar, zoals het hoofd van de Duitse regering onlangs gezegd heeft, dat er een oorlog tegen de joden wordt gevoerd. Het is alleen waar dat wij weerloos en zonder weerstand en zonder mogelijkheid van verdediging worden opgejaagd en vervolgd (en) dat de jodenhaat eenzijdig is.” Zijn antwoord is het zionisme: “de aanvaarding van de eenvoudige en onloochenbare waarheid als jood geboren te zijn. Wil men zich daarvan echter niet bewust zijn, dan wordt men er wel door anderen aan herinnerd. De joodse gebondenheid wordt daardoor niet zwakker, zij wordt echter als leed en als noodlot gevoeld. Zij slaat om in het bekende verschijnsel van de joodse zelfhaat.”

Zionisme is het verlangen naar een veilige plek, naar een eigen staat, in Palestina, verwezenlijkt in Israël. Maar, zegt Herzberg die zelf nooit wilde emigreren, jood zijn kun je ook in het land van je jeugd, het land van je taal, je geboorte, je eerste indrukken. Daar kun je je nooit van losmaken, “want een jood is - misschien is het niet helemaal overbodig daaraan te herinneren - een mens als een ander.” Joden konden, en moesten, ook geestelijk ophouden 'overal een minderheid te zijn', door meester te willen zijn van hun toekomst.

De opgelegde stilte in de oorlogsjaren wordt omvat door een stuk over Jeruzalem ('De tempel is verwoest, niet zijn geest en niet zijn heiligheid', 1941) en een stuk over Seider-avond ('de uittocht' uit de slavernij, 1946). Het is Herzberg later onder meer door de publicist Hans Knoop kwalijk genomen dat hij in 1941 even geschreven heeft voor het door de Duitsers als enige joodse medium getolereerde 'Joods Weekblad' van de Joodse Raad, het orgaan dat de bezetters gebruikten in hun voorbereiding van de transporten die naar de vernietigingskampen zouden leidden.

Herzberg repliceerde: “Mijn enige zonde heeft hierin bestaan dat ik mij niet geringe zorg heb gemaakt over de vraag hoe wij de te verwachten gewetenloze vervolging geestelijk konden verwerken. Zij leek mij immers met of zonder Joodse Raad onafwendbaar. Daar heb ik enige uiting aan gegeven. Vandaar mijn belangstelling voor de overgebleven mogelijkheid van culturele arbeid en in verband daarmee voor de uitgifte van een Joods Weekblad.”

In 1941 had Herzberg zich gekeerd tegen de 'officiële' mensen die, tot 'belangrijke posities' gekomen, 'blijken op het kritieke ogenblik niets anders dan ijdele en steriele ambtenaren te zijn'. Herzberg doelde hiermee op Asscher en Cohen, de twee voorzitters van de Joodse Raad. In zijn streven om geen spiegelbeeld te zijn van 'het dier in de mens' was hij na de oorlog advocaat van dezelfde Asscher. Zo nam hij het ook op voor CDA-leider Willem Aantjes die had gedraaid om zijn leunen op Duitse schouders, maar die aan Duitse 'praktijken' nimmer had meegedaan. En om een andere onvergelijkbare grootheid te noemen, zo had hij het niet voltrekken van de doodstraf aan Hitlers Endlösung-regelaar Eichmann pas 'zoete wraak' gevonden.

De hier gepasseerde namen zijn ijkpunten in wat een tweede 'Kroniek' genoemd zou kunnen worden, naast de 'Kroniek der Jodenvervolging'. De figuur van Eichmann neemt in deze gefragmenteerde geschiedenis een cruciale plaats in. Het is jammer dat Herzbergs adembenemende verslag van het proces in 1961, 'Eichmann in Jeruzalem', als enige (en sinds lang niet verkrijgbare) boek uit zijn oeuvre buiten het 'Verzameld Werk' is gebleven. Het verdient zonder meer herdrukt te worden (en waarom niet, in zelfde band en typografie?). Dan kan de lezer zelf oordelen over Herzbergs kritiek op Harry Mulisch, wiens procesverslag 'de zaak 40/61' hij te veel 'de close-up van een enkeling' noemt terwijl het 'de film van het geheel en de plaats van de enkeling' is 'die ons interesseert'.

Een vergelijkbare kritiek heeft hij op Presser. Voor diens aangrijpende boekje over het doorgangskamp Westerbork 'De nacht der Girondijnen' schreef Herzberg een instemmend voorwoord, maar Pressers standaardwerk 'Ondergang, de vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom' mist een 'historisch perspectief' en 'nadere bezinning'.

De andere cruciale plaats in Herzbergs werk wordt ingenomen door Eichmanns spiegelbeeld: Israël. Herzberg volgde kritisch de politiek van het land. In reisbrieven veroorloofde hij zich meer dichterlijke termen voor zijn dilemma van hoop en wanhoop. In een brief aan zijn kleinkinderen, in 1973 in Trouw gepubliceerd, toonde hij zich een 'pessimistische grootvader', die desondanks geloofde in “vrede als protest tegen de machtsbehoefte van de ene mens over de ander, een protest waaruit in wezen het jodendom is ontstaan.”

Eén keer 'vergreep' Herzberg zich aan de poëzie, zo noemde hij het. “Hier heb je ten naaste bij wat ik bedoel als ik over God spreek, wat ik soms niet laten kan”, schreef hij in een artikel aan de priester-dichter Huub Oosterhuis (1978):

Er is in ieder woord een woord, Dat tot het onuitsprekelijke behoort. Er is in ieder deel een deel Van het ondeelbare geheel Gelijk in elke kus, hoe kort, Het hele leven meegegeven wordt.

In Herzbergs indrukwekkende 'Verzameld Werk' is het spoor terug te volgen naar wat hij in het aan stukken geslagen leven zocht: “Alles wat wij zien, ervaren, zeggen, beleven, is fragment. Maar er is geen fragment, of 'de ziel van al wat leeft' (ik citeer woorden uit een Hebreeuws gebed) komt daarin tot ontluiking.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden