Review

Kroniek van de verworpenen der aarde

Uit eigen ervaring weet Per Olov Enquist de orthodoxe geloofsopvattingen weer te geven van de stuurse hoofdpersonen van zijn roman ’De uittocht der muzikanten’ uit 1978, die nu is vertaald.

Beatrice de Graaf

Wat moet een Zweedse houtbewerker met het socialisme? Aan het begin van de twintigste eeuw nog niet veel. De dorpsbewoners in de noordelijke bossen zetten de socialistische agitator Johan Valfrid Elmblad per kerende post terug op de veerboot naar het verderfelijke zuiden, waar hij vandaan kwam. Zo begint de roman ’De uittocht der muzikanten’ van de Zweedse schrijver Per Olov Enquist (1934).

„Het was een vreselijk volk dat hier in noord-Norrland woonde. Een afgrijselijk volk, een afgrijselijk land. Een verzameling vrome, diepgelovige lakeien en castreerders [..] en begrijpen kon je ze niet.” Zeven jaar later komt Elmblad terug, op verzoek van één van de jongere arbeiders en hoofdpersonen van het verhaal, Nicanor Markström.

Inmiddels zijn zelfs de meest stuurse noorderlingen bereid om te staken. Maar de activist Elmblad kan hun miserabele situatie niet veranderen. Mede door zijn toedoen belanden Nicanor en zijn familie alleen maar dieper in de ellende. Hun motto ’Er is altijd iets wat beter is dan de dood’ (een zin uit het sprookje van de Bremer stadmuzikanten, waar de titel van de roman op is gebaseerd) klinkt optimistisch, maar dat optimisme is uiteindelijk nergens op gebaseerd.

’De uittocht der muzikanten’ lijkt op het eerste gezicht een ouderwetse sociaal-realistische roman zoals ze in de jaren zestig in de Franse traditie van de nouveau roman werden geschreven. Dat klopt gedeeltelijk ook wel. Enquist schreef dit namelijk werk al in 1978 . Anders dan de traditionele historische romans uit de Zweedse literatuur kiest Enquist niet voor een logische verhaalopbouw; zijn vertelperspectief springt heen en weer. Vaak intervenieert een soort alwetende verteller die autobiografische opmerkingen maakt, of ineens uit historische documenten begint te citeren. Zo komt zelfs de grootvader van de schrijver, Per Valfrid Enquist – een dorpssmid die tevens ’van de vossenjacht en het branden van teer leefde’ – nog even voorbij, ’al hoort dit hier eigenlijk niet thuis’.

Enquist, die begin jaren zeventig in Los Angeles aan de Universiteit van Californië had gedoceerd, had daar de kunst van het verweven van feit en fictie van onderzoeksjournalisten à la Norman Mailer en Truman Capote afgekeken. Dat bleek al uit de romans ’Het record’ (1971, vertaald in 1973) en ’Katedralen i München’ (1972), waarin hij vanuit het perspectief van de onderzoeker de hypocrisie in de sportwereld blootlegde. Met zijn toneelstuk ’Chez nous’ (1976), waarin hij onder meer de criminele machinaties van de financiële elites in Stockholm aanviel, veroorzaakte hij een heus schandaal. Ook in het echte leven was hij een geëngageerd en kritisch schrijver, die niet altijd veel vrienden maakte. Hij was actief binnen de Zweedse schrijversbonden, maar werd later wegens meningsverschillen weer uitgezet.

Maar puur sociaal-kritisch zijn Enquists romans nooit. In zijn beschrijvingen van de misère van de arme lui sluipt voortdurend een melancholieke ondertoon. De auteur geeft met autobiografisch geïnspireerd inlevingsvermogen de orthodoxe en piëtistische geloofsopvattingen van de weinig sympathieke en stuurse familie Markström weer. Als jongetje groeide hij in een dergelijk behoudend en vroom milieu op, en hield er nogal wat trauma’s aan over.

Tegelijkertijd weet Enquist daardoor de duistere onderstromen van religieuze neurosen en verboden seksualiteit als geen ander aan te boren. Hij voert zijn personages sprekend in een vreemde mengeling van een Zweeds dialect en de tale kanaüns ten tonele, waardoor ze nogal bekrompen en achterlijk overkomen (zie kader). Voor de ’waardige’ manier waarop deze ’oer-Zweden’ hun lijden dragen en hun armzalige bestaan leven, heeft Enquist dan weer wel groot respect.

Enquist is sowieso op zijn best als hij uiterst realistisch de angsten en vernederingen van randfiguren en underdogs beschrijft. Daarin komt het epische en tegelijkertijd intieme van zijn manier van vertellen het meest tot zijn recht. De aangrijpendste passage en climax van het verhaal ontvouwt zich op een ijskoude winternacht, wanneer Nicanor wordt verminkt en de mismaakte en verstoten oom Aron zich vergrijpt aan het pleegzusje Eva-Liisa. Enquist verbindt hier een maatschappelijke aanklacht tegen onderdrukking van de Zweedse arbeiders, verontwaardiging over de zinloze praatjes van de socialisten en de passieve geloofsverwachting van de piëtisten met een groot mededogen met de individuele verworpenen der aarde zelf.

„Herinner ons. Herinner ons, die alle mogelijkheden als jij. Vergeet ons niet. Hier zijn we. Verminkt en stom, maar op weg. Wij zijn op weg.” Dat is de boodschap die Enquist uit al dit lijden laat opklinken. Daarmee is ook deze roman meer dan alleen een onderzoeksverslag. Het is een meeslepende en universele geschiedenis geworden, die de tand des tijds kan doorstaan.

Enquist brengt er een hommage mee aan de talloze en naamloze kleine luyden uit de ’duistere bossen’ die onder de moderne ontwikkelingen zijn bezweken. „Laat mijn dood niet waardeloos en vruchteloos zijn, ik ben niet stom, wij zijn niet stom.” Het is te hopen dat er nog meer romans van Enquist in het Nederlands worden vertaald.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden