Review

Koude motregen

Tien jaar na de val van de Muur dook Trouw in het archief om na te gaan hoe de berichtgeving van deze krant is geweest over de DDR van 1949 tot 1989. Een poging tot zelfonderzoek. ,,De Oostduitsers hebben geen kans gekregen zich in vrije, geheime verkiezingen uit te spreken. De Sowjet-Duitse propaganda zwijgt dit feit volkomen dood.'' (1949) ,,Onze gedachten gaan dus uit naar al diegenen, waarvoor het dagelijkse leven alle kleur en fleur was gaan verliezen en die zich thans de vrije weg naar buiten zien afgesloten.'' (1961) ,,Schönherr is een echte heer, die van de kerk, die eerst beschouwd werd als een erfenis van het kapitalisme, een Kirche im Sozialismus heeft gemaakt.'' (1981) ,,Willen we wel een Groot-Duitsland in het hart van Europa?'' (1989).

Op 3 oktober van het jaar 1990 kwam er een einde aan het bestaan van een staat die, alle eigen inspanningen ten spijt, eigenlijk nooit het aanzien van een nood-inrichting wist af te werpen. De Duitse Democratische Republiek, op 7 oktober 1949 in het leven geroepen, is in zijn veertigjarige geschiedenis een kunstproduct gebleven, niet zozeer vanwege de moeizaam verkregen internationale erkenning, maar omdat de eigen burgers die staat niet wilden dragen: de DDR was een staat van functionarissen, een van boven opgelegd maaksel.

Dat gebrek aan verbondenheid tussen staat en burger is er vanaf de geboorte van de republiek. De toneelschrijver Heiner Müller blikt in zijn autobiografie 'Krieg ohne Schlacht' terug op de beginjaren van de DDR; hij werkte toen bij een bedrijf in Saksen dat niets anders deed dan roest verwijderen van oude draaibanken. Ter gelegenheid van de zoveelste viering van de Oktoberrevolutie moest hij voor het bedrijf een rede houden en de enorme desinteresse van zijn gehoor ontging hem niet. ,,Daar sta je dan als jonge communist - ik voelde me een communist - en verveelt de mensen.''

Nee, het zou altijd moeilijk blijven voor de staat enig enthousiasme op te brengen. Pas toen die staat werd opgeheven groeide er iets van waardering; maar het was niet de verdienste van de DDR dat zulke gevoelens, die wel met 'Ostalgie' werden aangeduid, naar boven kwamen. Veel meer was er sprake van een teleurstelling over de inrichting van de nieuwe Duitse eenheidsstaat die op die bewuste oktoberdag in 1990 formeel van kracht werd. Het ressentiment kleurde de herinneringen van menig voormalig DDR-burger roze en men beklaagde de verloren gegane saamhorigheid en de tijden waarin het woord werkeloosheid uitsluitend een kapitalistische kwaal was. Maar diezelfde burger had in december 1989 in Dresden 'Wir sind ein Volk' geroepen en hartstochtelijk naar de Duitse hereniging verlangd. Want een vrij land was de uit de Koude Oorlog voortgekomen DDR nooit geweest.

'Veertig jaar gebrek en desinteresse, piëteitsloosheid en slechte smaak', zo typeerde schrijver Günter de Bruyn de Oostduitse staat en beschreef het bestel als 'een ideologische veldtocht die het land verwoestte'. De Bruyn was er, levend in Oost-Berlijn en in Brandenburg, veertig jaar getuige van. Maar men hoefde er niet te leven om van die verwoesting weet te hebben. Niet dat het altijd gemakkelijk was, maar men kon, afhankelijk van dooi- of vriestijd, als buitenlander de DDR bezoeken, ook als die buitenlander een journalist was.

Over die journalistieke arbeid zal het dit artikel gaan, en wel specifiek de arbeid die door Trouw werd verricht, als het ging om het verslaan, het commentariëren en analyseren van de ontwikkelingen in de DDR, van begin tot eind. We ondernemen hier, tien jaar na de val van de Muur, een poging tot zelfonderzoek.

De tijdrovende ondgang door veertig jaar krantenarchief is een tijdrovende onderneming kon aanzienlijk bespoedigd worden door het werk van de historicus Jacco Pekelder. Diens proefschrift 'Nederland en de DDR' dat vorig jaar in een handelseditie bij Boom verscheen en de beeldvorming en de betrekkingen tussen beide staten tussen 1949 en 1989 behandelt, fungeerde als een adequate reisgids door de tijd.

Pekelder onderscheidt twee periodes in de geschiedenis van de Nederlandse relaties met Oost-Duitsland, van elkaar gescheiden door het jaar 1973, het jaar van de erkenning. Bestond in die eerste periode nog een totale afwijzing van wat Trouw Sovjet-Duitsland noemde, in de tweede was volgens Pekelder sprake van 'genormaliseerde betrekkingen met een abnormale staat'.

Op de burelen van Trouw heerste gedurende die eerste periode een zeker conformisme, gevolgd door verrassende eigenzinnigheid. In de tweede periode kwam er een scheiding der geesten, niet als gevolg van een ideeënstrijd, maar door gebrek aan overleg en aan hoofdredactionele presentie - een scheiding die zo rigoureus was dat achteraf moeilijk is te begrijpen hoe redactie en lezers ermee hebben kunnen leven. Maar men leefde ermee, en elke redacteur schreef wat hij wilde schrijven, of zweeg, over die abnormale staat.

1949–1973

'WIJ LEVEN IN EEN DIEPE PROVINCIE

De DDR kwam in 1949 sluiperderwijs dichterbij. Op 4 oktober van dat jaar berichtte Trouw uit een 'gewoonlijk betrouwbare Duitse bron te Berlijn' te hebben vernomen dat er aanwijzingen waren 'dat de Sowjet Unie de Oostduitse communisten het sein heeft gegeven om zonder het uitschrijven van verkiezingen in Oost-Berlijn een 'Duitse democratische republiek' te stichten.

Vier dagen later was die DDR al een feit en kon de krant zijn editie van 8 oktober openen met de kop 'Oost-Duitsland, een nieuwe ster aan het Sowjet-firmament'. De toonzetting van het artikel is conform de houding van het westerse bondgenootschap negatief: er wordt gesproken van een 'Sowjet-satellietstaat' en het gebrek aan democratische gehalte wordt gelaakt. ,,De Oostduitse regering beweert heel Duitsland te vertegenwoordigen, hoewel zelfs haar onderdanen geen kans gekregen hebben zich in vrije, geheime verkiezingen uit te spreken. De Sowjet-Duitse propaganda zwijgt dit feit volkomen dood en het officiële Sowjet-orgaan 'Tügliche Rundschau' betoogt, dat thans gevolg is gegeven aan de wil van millioenen Duitsers.''

Die afwijzende houding zal nog jarenlang de grondtoon bepalen: vanuit het westen werd met een anti-totalitaire blik naar het communistische oosten gekeken en met betrekking tot de DDR werd ook de gelijkstelling met het nationaal-socialisme niet geschuwd. Zo citeerde Trouw op 17 oktober 1950 instemmend 'een Westberlijnse politieke woordvoerder' die de eerste verkiezingen in de DDR in het teken van bruut geweld en terreur stelde. ,,Dertien millioen kiesgerechtigde Oost-Duitsers hebben onder dwang gestemd voor een regering die genadelozer en beter georganiseerd is dan Hitler's naziregiem.'' Volgens de kop boven het artikel werd 'Oost-Duitsland gedwongen tot 98 procent 'ja'-stemmen'. Ook de Westduitse bondskanselier Adenauer wordt geciteerd met de opmerking dat 'deze namaak-verkiezingen niets dan bluf en bedrog zijn' en dat de communistische regering 'getoond heeft het trucje beter te kennen dan de nazi's.' Overigens was het nazi-verwijt kennelijk iets wederkerigs. Trouw laat op 4 oktober 1949 de eerste communistische regeringsleider van de DDR, Otto Grotewohl, zeggen dat in Bonn de dienaren van het Hitler-regiem regeren en dat West-Duitsland een marionettenstaat is geworden in de handen van de westelijke bezettingsautoriteiten.

Maar authentieke geluiden uit het oostelijke Duitsland, opgetekend door verslaggevers ter plekke, zijn in de jaren vijftig volstrekt afwezig: daartoe boden de communistische machthebbers geen gelegenheid. Door de westerse niet-erkenningspolitiek waren wijdverbreide contacten onmogelijk en bleef de DDR lange tijd een duistere onbekende. Berichten die ervandaan kwamen waren doorgaans alarmerend. Zo werd met onbehagen waargenomen dat de DDR in toenemende mate door de Sowjets bewapend werd. Op 26 juli 1950 klaagt de commentator van Trouw erover dat de DDR wordt uitgerust met volkspolitie, luchtpolitie en zeepolitie, terwijl de Amerikanen aan Westduitse zijde op dit punt terughoudend blijven. ,,Laat men de klassieke les van Saguntum niet vergeten,'' zegt het commentaar. ,,Een stadje in Spanje, dat de Romeinen indertijd verloren aan de Carthagers, omdat de Romeinse Senaat alsmaar zat te delibereren over de verdediging ervan, zonder tot daden te komen. Senatu deliberante Saguntum periit. Het is tot een Latijns spreekwoord geworden. Terwijl de Senaat kletste, ging Saguntum verloren. Denk aan Saguntum. En bewapen West-Duitsland.''

En om nog een stemmingsbeeld aan te halen: op 8 oktober 1952 besteedt de krant aandacht aan het driejarig bestaan van de Oostduitse republiek. 'Duitse parade in Russische stijl' staat boven het openingsartikel, dat beschrijft hoe een kwart miljoen Oostduitsers met gebalde vuist en de lof van Rusland uitroepend langs de Russische president Nikolai Sjwernik, te gast in Berlijn, trokken. De nieuwe politiediensten marcheren voorbij in gloednieuwe uniformen: ,,Er is niets Duits aan hen. Ze hebben de traditionele stijve kragen van het Rode Leger overgenomen. De Duitse laarzen zijn vervangen door de zachte zwarte schoenen van de Russen, terwijl ze een Russische muts met klep dragen. De enorme demonstratie vond plaats 'Unter den Linden' en langs het Rode Plein. Sjwernik stond vier uur in een koude motregen en naast hem de Oostduitse president Wilhelm Pieck. Ze wachtten tot de laatste demonstrant voorbijgetrokken was.''

Koude motregen. Dat was de DDR. Het begin van de jaren vijftig stond in het teken van de stalinisatie, van zware intimidatie en zuiveringen. Die eerste verkiezingen van oktober 1950 waren volgens Trouw 'verkiezingen zonder oppositie, enveloppe en potlood', gemanipuleerd door de communisten. Na de gelijkschakeling van de niet-communistische politieke partijen en de massa-organisaties was de kerk de enige overgebleven autonome instelling. Volgens een volkstelling uit 1950 was ruim tachtig procent van de DDR-bevolking protestant. Hier lag de basis voor een zeer specifiek contact tussen Nederland en de DDR, een contact dat ook in Trouw zijn weerslag zou krijgen.

De evangelisch-lutherse kerk trok zich anders dan de rooms katholieke na de oprichting van de DDR niet terug op het eigen terrein, maar leverde vooral via kanselboodschappen openlijk kritiek op het regime. De kerk was bovendien als laatste instelling ook nog steeds verenigd met de Westduitse Evangelische Kirche - een nauwelijks houdbare toestand. Vanaf eind 1950 eiste de DDR-regering dat de kerk de Oostduitse zijde zou kiezen. Middelpunt van de strijd werd de evangelische bisschop Dibelius en de druk op hem en zijn kerk werd gestaag opgevoerd. De staat werkte de kerk op alle mogelijke manieren tegen totdat de kerkstrijd op 10 juni 1953 abrupt werd beëindigd en alle anti-kerkelijke maatregelen werden ingetrokken. Hier zette een nieuwe koers in. Jacco Pekelder suggereert in zijn boek dat die plotselinge omslag in kerkpolitiek voortkwam uit het in de Sowjet-Unie gegroeide idee 'om in te spelen op de pacifistisch-neutralistische tendensen onder protestanten in West-Duitsland.' Volgens Trouw-commentator R. Schippers ging het echter om niet meer dan een 'wapenstilstand'. Niettemin zag hij hier iets van de 'vrucht van de standvastigheid': ,,Dibelius is niet door de knieën gegaan en hij plukt de schone vrucht van zijn wijze en nobele houding tegenover het Sowjet-bewind.'' Maar Schippers meent dat het geen zin heeft voor kerkelijke leiders om voor hun verdrukte gemeentes op te komen ,,indien er geen eenvoudige dorpsdominees zijn die een kanselafkondiging voorlezen en die een kerkkoorleider verbieden een godslasterlijk lied in te studeren, ook al zal de volgende dag met grote letters in de krant staan, dat dominee die en die het repeteren van een 'vredeslied' heeft verhinderd en dat hij dus ophitst tegen de volksdemocratie.''

Uit het commentaar spreekt een grote compassie met de burgers in de DDR. ,,Het is zo kort geleden dat wij in Nederland in onze kerken en gezinnen de nood van de totalitaire terreur doorleefden, dat wij nog wel enigermate kunnen navoelen, voor welke gewetensconflicten deze mensen dag en nacht geplaatst zijn.'' Dit was een toon die op de dag van publicatie op 13 juni 1953 nog niet vaak gehoord was, maar die binnen de krant een kleine traditie zou worden in de pleidooien van hoofdredacteur Bruins Slot, in reportages van buitenlandredacteur Huib Hendrikse en in verslagen van kerkredacteur Aldert Schipper, waarbij in het laatste geval niet het boycotten van het vredeslied maar juist het aanheffen ervan als daad van verzet zou worden geïnterpreteerd - maar dan zitten we al in de jaren zeventig.

In 1953 kon vredespolitiek à la de Sowjet Unie nog op de skepsis van de Trouw-commentator rekenen. Op 16 juni schrijft de krant: ,,Het sinistere 'kat-en-muis-spel' met het verlangen van alle volken naar vrede, is na de oorlog kenmerkend geweest voor de Russische politiek. De stormbal 'weest op uw hoede' blijve daarom ook thans hoog in de mast.''

Een vooruitziende conclusie: twee maanden later, op 17 augustus, slaan Russische troepen in Oostduitse steden een arbeidersopstand neer. Trouw noemt die opstand een 'revolte'. ,,Let wel, een revolutie is het niet. Revolutie is onmiddellijk gericht op omverwerping van regering en staatsbestel, gedragen door een zo sterke golf van sympathie onder het volk dat zij zich ontplooien kan tot een doeltreffende activiteit.'' Niettemin zag het commentaar op 19 juni toen de arbeidersonrust was opgelaaid, een luchtbel doorgeprikt: ,,De Sowjet-Russische propaganda, die de landen achter het ijzeren gordijn pleegt af te schilderen als het paradijs der arbeiders, heeft door de opstand in Oost-Duitsland de genadeslag gekregen.''

In maart 1953 was Stalin gestorven, maar de destalinisatie zette pas in na het XXste partijcongres van de CPSU in februari 1956, met de vermaarde rede van Chroesjtjov. De communistische partij van de DDR, de SED, werd door de Russische koerswijziging volledig verrast. In de DDR werd de Stalin-verering ook na diens dood nog fanatiek bedreven, partijleider Walter Ulbricht had zijn aanstelling nog aan Stalin te danken. Er volgden enkele sociale verbeteringen, maar de dogmatische starheid hield aan. Elders in het Oostblok begon het echter geweldig te rommelen: in het Poolse Poznan werd een opstand neergeslagen en nog gewelddadiger was het optreden van het Sowjet-leger in Hongarije. De harde lijn die de DDR handhaaft krijgt op 27 oktober 1956 in Trouw het volgende commentaar: ,,De berichten uit Oost-Duitsland zijn voor een goed verstaander duidelijk. De leiding in Oost-Duitsland betuigt in deze voor het rechtzinnig communisme zo moeilijke tijd haar trouw aan Moskou. Maar in hun betuiging van trouw aan het Kremlin reageren de Oostduitse machthebbers hun angst voor bewijzen van ontrouw in het eigen land af.''

Dat er ook in de DDR sporen van oppositie leefden had Trouw opnieuw vooral bij de kerk waargenomen. In de aanloop naar de verkiezingen in de DDR van oktober 1954 publiceerde de krant de politieke 'catechismus' van de Oostduitse CDU, een van die partijen die het stelsel een democratisch tintje moesten geven, maar in werkelijkheid aan de leiband van de SED liepen. Volgens Trouw waren in die CDU diegenen verenigd 'die het communistisch bewind bereid heeft kunnen vinden onder een christelijk vaandel zich achter de rode zegewagen te doen spannen.'

Uit de 'misleidende' catechismus van de CDU haalt de krant onder andere een passage aan over het vijfde gebod, het 'eert uw vader en uw moeder'. 'Het vijfde gebod beschermt het gezin, waarbinnen de jeugd opgroeit onder de hoede van haar ouders. Maar u kunt uw kinderen niet alleen opvoeden! U heeft hulp nodig. U bent toch wel eens in West-Duitsland geweest? Meent u werkelijk, dat de ouders daar hun kinderen inderdaad kunnen beschermen tegen de voortdurende verleiding en verzoeking door schandelijke lectuur, gangsterfilms en de domme krampachtigheid van de dansgelegenheden daar? De ouders alleen kunnen hun kinderen daarvoor niet behoeden. Het is de regering van de Duitse Democratische Republiek die hen daarvoor behoeden kan; het is onze democratische school en haar jeugdorganisatie die hen daartegen immuun maakt, terwijl ze de jeugd opvoedt tot de eerbied voor de humanistische erfenis der vaderen. Daarvoor zouden Christelijke ouders dankbaar moeten zijn uit het diepste van hun hart.'

Hiertegenover plaatst Trouw een 'moedige' reactie van de Evangelische Kirche van het land Berlijn. In een reactie op de CDU-brochure wordt volgens de kerk het geestelijke en het wereldlijke terrein op ongeoorloofde wijze door elkaar gehaald: ,,Hier wordt het Woord van God misbruikt voor een bepaalde politieke propaganda van dit ogenblik. Zo wordt b.v. de Marxistische opvoeding van de jeugd gefundeerd in een willekeurige uitlegging van het vijfde gebod met een beroep op de Catechismus van Martin Luther.''

Trouw spreekt op 11 november 1958 van een 'kerk in de branding'. De grote leegloop van de DDR die zou leiden tot de bouw van de Muur in 1961, is dan allang gaande. Trouw bericht dat sinds 1945 72 procent van de 'academici' de republiek zijn ontvlucht, maar dat van de achtduizend predikanten er maar 76 de wijk naar het westen genomen hebben. Een verheugend beeld, vindt de krant, maar ,,tevens ook een zeer ernstig feit, want van de academici hebben deze predikanten het het allermoeilijkst -men kan het zich hier moeilijk voorstellen, wat dit in het leven van alledag betekent.''

Want het regime is weer eens ijzig: van de christelijke kleuterscholen is 85 procent gesloten met de motivering dat de kinderen daar worden opgevoed 'met bijgelovige voorstellingen van het hiernamaals'. Wie belijdenis doet en de Jugendweihe, de kinderdoop van de communisten die de kerkelijke bevestiging moest imiteren en uitsluiten, afslaat, kan een studieplaats voor een academische opleiding vergeten. ,,Om soortgelijke redenen wagen velen de kerkgang niet meer - wel komt weer in kleine groepen verstolen des avonds bij elkaar ter onderlinge stichting en opbeuring.''

We zitten in nog in inktzwarte tijden, nog steeds zonder eigen waarneming. Het bericht over de toestand van de kerk was gebaseerd op een rapport van een Oostduitse predikant, een referent van bisschop Dibelius. De Berlijnse crisis kondigt zich aan, Chroesjtjov begint souvereine taken van verdediging en beveiliging aan de DDR over te dragen en poogt het westen daarmee in de richting van een erkenning te dwingen. De westerse mogendheden in West-Berlijn zien zich genoodzaakt voor de regelingen van het transito-verkeer direct overleg met de DDR te voeren. ,,De Russen willen de deur in het ijzeren gordijn die Berlijn is, sluiten,'' schrijft Trouw op 28 november 1958.

Bijna drie jaar later, op 3 augustus 1961, tien dagen voor de bouw van de Muur, overziet de krant de consequenties ervan: ,,Chroesjtjov in al zijn slimheid heeft toch wel een heel menselijk element over het hoofd gezien toen hij met zijn Berlijnse banbliksems ging dreigen. Want daarmee heeft hij zelf voor zijn vriend Ulbricht de paniekmatige ontwikkeling opgeroepen, die de vluchtelingenstroom over dam en dijken doet gaan.''

Sinds 1945 verdwenen vier miljoen mensen naar het westen, in een steeds hoger oplopend tempo: alleen in de maand juli van 1961 trokken twintigduizend Oostduitsers de grens over. Voor Trouw was dit de bevestiging van het gegeven dat de DDR 'een failliete boedel is met een steeds meer overtuigde bevolking dat dit stuk van Chroesjtjovs paradijs een bende is.'

Op 14 augustus volgt in de krant de melding van het dieptepunt in de DDR-geschiedenis. 'Oost-Berlijn afgesloten' luidt de openingskop en het nevenstaande commentaar schrijft: 'Het ijzeren gordijn is thans ook dwars over de stad Berlijn neergelaten.' De vrees is groot: ,,Veel staatsmanskunst zal nog nodig zijn om het conflict niet op een ramp voor de gehele mensheid te doen uitlopen. Dat laatste verhoede God genadiglijk.''

We weten nu hoe groot de spanning in die dagen is geweest. Het tv-commentaar van Trouw op 14 augustus 1961: ,,De gebeurtenis in Berlijn bracht gisteravond de nodige wijzigingen in het televisie-programma. Het N.T.S. journaal kwam met twee extra-wijzigingen aan het begin en aan het eind van de avond. Met eigen ogen konden de kijkers constateren, op welke wijze het IJzeren Gordijn in de stad werd neergelaten. In het VARA-programma gaf een bijzonder bewogen dr. L. de Jong commentaar op de gebeurtenissen.'' En een dag later schrijft de krant: ,,Onze gedachten gaan dus uit naar al diegenen, waarvoor het dagelijkse leven alle kleur en fleur was gaan verliezen en die zich thans de vrije weg naar buiten zien afgesloten. Met het neerlaten van het ijzeren gordijn in Berlijn is het in de Oostzone zeer veel duisterder geworden.''

Nog duisterder dus. Niettemin groeide hier de basis voor een nieuwe houding jegens de DDR, die vooral werd belichaamd door de hoofdredacteur van Trouw, J.A.H.J.S. Bruins Slot, die in deze tijd ook nog ARP-fractievoorzitter was in de Tweede Kamer. Op 2 september 1961, nog geen maand dus na de bouw van de Muur, was in de Trouw-rubriek 'Uit de Wijde Wereld' een pleidooi te lezen 'voor de realistische erkenning van de feitelijke situatie, met inbegrip van de verschuivingen sinds '45.' Trouw erkende ,,de waarschijnlijkheid van een veiligheidsbehoefte voor een Sowjetsysteem dat al meer op het menselijke en economische front in de nederlaag kwam. Oost-Duitsland werd een open wonde. Dit betekent verhoogde spanning. Wil het westen geen bevrijding, geen roll-back, dan is het wijs mee te werken om die spanningen te verminderen.''

Deze tekst is in vele opzichten opmerkelijk en verried de signatuur van Bruins Slot: niet eerder werd in een regeringsgetrouwe krant zo'n geluid vernomen. Sprak uit de krant in de jaren vijftig af en toe compassie voor de burger in de DDR, hier leek bijna een compassie voor het systeem bepleit te worden.

De Tweede Kamer zag en hoorde de ommezwaai van Bruins Slot op 3 oktober 1961. Opnieuw bepleitte hij hier, tot verrassing van vriend en vijand, een erkenning van de bestaande realiteit: ,,We hebben nu de vreemde situatie, dat men enerzijds Oost-Duitsland niet erkent, niet als realiteit wil zien, anderzijds handelsovereenkomsten daarmee sluit en voor het burgerlijk vervoer door de Oostzone Oostduitse Ausweise accepteert. Dit lijkt op kiekeboe spelen. Het is beter, daarmee op te houden en een zekere regulatie op basis van de status quo te aanvaarden.''

Deze opmerkingen en andere, vooral de kwestie-Nieuw Guinea aangaande, markeerden de omwenteling van Bruins Slot, die volgens Pekelder zijn weerga in de Nederlandse parlementaire geschiedenis niet kent. De grondslag voor die ommezwaai, zo valt in zijn memoires na te lezen, is zijn diepgevoelde behoefte om christelijke politiek te bedrijven. Daartoe behoorde zijns inziens dat je 'van de feitelijke onmogelijkheid van je politiek moest komen tot de erkenning van de principiële onaanvaardbaarheid van je politiek.' De ommezwaai zelf relativeerde hij: ,,Ik troost mij maar met de gedachte dat de ommezwaai van Paulus nog van een heel wat groter kaliber was.''

Dat Trouw na oktober 1961 van een Saulus een Paulus werd is overdreven, maar Bruins Slot bleef in de jaren zestig wel de geleidelijke erkenning van de DDR bepleiten. In dat klimaat paste ook de zeer opmerkelijke artikelenreeks die buitenlandredacteur Huib Hendrikse in februari 1964 in Trouw publiceerde. De bouw van de Muur had na de aanvankelijke hoogspanning uiteindelijk een zekere ont-spanning tot gevolg: oost en west leken zich met de stand van zaken te willen verzoenen en geïnteresseerd te zijn in een verbetering van de betrekkingen. De Nederlandse belangstelling voor de DDR was na '61 weggeëbd, ook al omdat eigen waarnemingen vrijwel geheel onmogelijk waren. Huib Hendrikse ergerde zich aan het beeld dat in Nederland ten aanzien van de DDR was gegroeid en dat in zijn ogen volkomen gelijk was aan de Bondsrepublikeinse blik. Hij legde zijn ergernis voor aan Bruins Slot, die hem van harte steunde in het idee zelf in de DDR te gaan kijken. Hieruit ontstond een reeks van elf grote artikelen. Niet eerder was een Nederlands journalist zo door de DDR gereisd in een poging een genuanceerd beeld te geven van de Oostduitse samenleving.

En zo klinken de eerste, authentieke geluiden van gene zijde van de Muur, als Hendrikse een jonge anonieme intellectueel uit Karl-Marx-stad aan het woord laat, die hij in een pikdonkere straat tegen het lijf gelopen is: ,,Wij leven in een diepe provincie. Slechts weinig uit de buitenwereld dringt tot ons door. Als ik het gunstig vcoorstel, zeg ik: wij mensen in de Duitse Democratische Republiek, bevinden ons in de meest geperfectioneerde bewaarschool van Europa. De Partij is onze juf, die wel uitmaakt wat goed en slecht voor ons is. U zult wel gemerkt hebben dat zij zo autoritair is als een Duitse maar kan zijn.

Er zijn dagen, dat ik zeg: het leven gaat hier nu wel. Ik behoor beslist niet tot degenen die alles afkraken wat hier gebeurt. Ik ken heel wat communisten, die de beste bedoelingen hebben. Eerlijke mensen, die zich ook groen en geel ergeren. Maar toch zijn er steeds meer perioden, dat ik me nerveus en gespannen voel. Dan vind ik het hier ondragelijk en heb ik maar één wens: dit land eens een tijdje te verlaten.''

Hendrikse toont zich gevoelig voor de 'diep-tragische' situatie waarin de Oostduitsers leven. De toevallige ontmoetingen met mensen op straat en zijn wandelingen door de steden brengen hem tot observaties als: ,,De mensen zien er doorgaans redelijk gekleed uit en zeker de jonge meisjes slagen erin om als ze uitgaan, leuk voor de dag te komen'' en ,,de mensen maken beslist geen armoedige indruk. Ze weten allemaal dat ze het lang niet zo goed hebben als de Westduitsers, maar ze klagen niet over hun levenspeil.'' Het grootste deel van zijn reis heeft Hendrikse van regeringswege een begeleider bij zich. ,,Mijn gids was 22 jaar lid van de Partij - 'onze partij neemt alleen de besten' zei hij eens heel bescheiden - en sprak dikwijls als een goedkope partijbrochure.''

Hendrikse's invoelende sympathie voor de gewone man stond een kritische beschouwing van het regime niet in de weg. Zijns inziens was de top van de SED nog zeer dogmatisch en moest de werkelijke destalinisatie in de DDR nog beginnen. Vele aspecten van het leven in de DDR passeerden in de artikelenreeks de revue: de Muur, de verhouding tot de Westduitsers, de oorlog, het privé-leven, het onderwijs, de kerk. De artikelen kregen in Nederland veel negatieve reacties, maar een nieuwe kijk op de DDR was geschapen, conform ook de opvatting van Bruins Slot dat men begrip moet opbrengen voor de idealistische achtergronden van het communisme als 'de grote aanklacht tegen de Westerse wereld en het Christendom in het bijzonder.'

,,Men zegt wel eens: in Oost-Duitsland wonen de Duitsers, die de oorlog werkelijk hebben verloren. Dit besef leeft heel sterk onder de bevolking van Oost-Duitsland, die daarom op mij zo'n ontroerende indruk heeft gemaakt,'' schreef Hendrikse. Volgens onderzoeker Jacco Pekelder zette mede door toedoen van Hendrikse vanaf 1964 in Nederland een 'herontdekking van de DDR' in.

De pleidooien voor erkenning werden steeds sterker, in eerste instantie vooral bij jonge christen-radicalen van de ARP en bij Nieuw Links, de linker vleugel van de Partij van de Arbeid. Bij die laatste viel met name de DDR-reis van Han Lammers, mede-oprichter van Nieuw Links, op. In het gezelschap van vier andere journalisten, onder wie Henk Glimmerveen van Trouw, bezocht Lammers in 1967 de DDR namens de Groene Amsterdammer. In zijn verslag in de Groene toont hij begrip voor de aanwezigheid van de Muur: ,,Hij is staatsgrens, en wordt derhalve streng bewaakt. Zonder die bewaking zou geen mens in de ernst ervan geloven. Vandaar ook dat er op vluchtelingen geschoten wordt.''

Heel anders reageert Glimmerveen in Trouw. Op 1 juli 1967 schrijft hij: ,,Door het bouwen van de afschuwelijke muur in Berlijn hebben de Oostduitse communisten de mening versterkt dat de DDR niet als een normale staat beschouwd kan worden.''

Intussen blijft Trouw ontvankelijk voor de positie van de Oostduitse christenen en hun kerk. Op 11 december 1965 verschijnt in de krant een bespreking van het boekje 'Nieuwe oriëntatie', een serie 'belangwekkende' opstellen waarin leken en kerkleiders, predikanten en professoren hun christendom in het oosten van Duitsland belijden. Het boekje is ingeleid en samengesteld door Bé Ruys, de predikante van de Nederlandse gemeente in Berlijn.

De recensent constateert hier en daar wel wat rooskleurige voorstellingen van het communisme, maar onderschrijft het belang van de 'elfde stelling' van een Oostduitse vredeswerkgroep: ,,Als christenen in de DDR beschouwen wij het ook voor christenen in de Bondsrepubliek als onverenigbaar met Gods gebod dat mensen voor een atoomoorlog worden geschoold en in het gebruik van massale vernietigingswapens worden opgeleid.'' Een nieuw accent in het christen-zijn wordt hier gearticuleerd: ,,Hier zijn samengebundeld de meningen, dikwijls na grote worsteling veroverd, van een aantal geestverwanten, die, ook al behoren ze niet tot één duidelijke groep of partij, hun christen-zijn in de D.D.R. willen verstaan als 'pro-existentie', d.w.z.: Men tracht niet langer de kerk te bewaren maar het evangelie.'' Anders en 'uitdagend' geformuleerd: ,,Door als christenen in een socialistische maatschappij mee te werken, zetten wij hun atheïsme op losse schroeven.'' De aandacht voor het christelijk pacifisme en DDR-vredesgroepen zou in Trouw in latere jaren nog een heel eigen leven gaan leiden.

Op het politieke front trad de Nederlandse 'erkenningsbeweging' van de DDR eind jaren zestig steeds meer op de voorgrond, mede onder invloed van radicaliserende studentengroepen als de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging, de NCSV. Deze vereniging had een eigen DDR-groep die contact zocht met politieke partijen om de erkenning van de DDR te bepleiten. Onder de studenten leefde de opvatting dat christen-zijn betekende dat men de verdeling van de wereld in machtsblokken moest doorbreken.

De NCSV gaf in 1970 een boekje uit over de DDR onder de titel 'Het stiefkind van Europa. De niet erkende staat.' Daarin zaten bijdragen van Bé Ruys en Han Lammers; de laatste noemde de blijvende Duitse deling 'een Europees belang'. Die deling vormde in zijn ogen de grondslag voor een stelsel van vrede en veiligheid in Europa.

In 1970 beleefde de Duitse bondskanselier Willy Brandt een hoogtepunt in zijn 'Ostpolitiek', de politiek van verandering door toenadering. Op 19 maart van dat jaar werd hij in Erfurt ontvangen door de Oostduitse minister-president Willi Stoph. Trouw publiceerde rond die datum opnieuw een artikelenserie van Huib Hendrikse.

Zijn kritiek op het Ulbricht-regime is onverminderd groot, maar opnieuw illustreert hij die door 'overtuigde communisten' op te voeren: ,,Het is nou niet direct een bewijs dat je als regering je eigen staat erkent, als je je land aan alle kanten afsluit met prikkeldraad en landmijnen, omdat je doodsbenauwd bent dat er iemand zal weglopen,'' zegt een arts in Oost-Berlijn tegen hem.

Die nuchtere distantie laat de krant even later in de steek. De ontmoeting tussen Brandt en Stoph noemde Trouw een 'keerpunt'. Nogal voorbarig concludeert de krant dat 'de koude oorlog op het grondgebied van Duitsland is afgelopen en de fase van stug onderhandelen gaat beginnen.' Maar van een daadwerkelijke toenadering tussen de twee Duitslanden is nog geen sprake. Een dag eerder had de krant in zijn verslag van 20 maart 1970 nog gemeld dat Stoph tegenover Brandt had gezegd dat 'de beveiliging van onze grens in 1961 een menslievende daad was'. En Brandt had opgemerkt: ,,Een werkelijke normalisatie moet in mijn ogen bijdragen tot het overwinnen van de grensbarricaden en muren in Duitsland. Zij vormen het symbool voor de lamentabele situatie waarin we verkeren.'' Twee maanden later, bij het tegenbezoek van Stoph aan Brandt in Kassel, moet de krant dan ook vaststellen dat de 'inter-Duitse top een mislukking werd'.

Toch zou uiteindelijk onder de mantel van Brandts Ostpolitik, die in november 1972, na het vertrek van Ulbricht en zijn opvolging door Erich Honecker, zou leiden tot het aanknopen van officiële betrekkingen tussen Bonn en Oost-Berlijn, de Nederlandse erkenning van de DDR definitief gestalte krijgen.

1973–1989

'DE BOMENPLANTAGE HAD GROTEB WEERKLANK IN DE HELE DDR'

Op 5 januari 1973 is die erkenning een feit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden