Review

Koran en Plato passen perfect

'Plato? Nog nooit had gehoord', zeiden de Europeanen in de Middeleeuwen. Hun islamitische tijdgenoten waren ondertussen druk bezig met het leveren van commentaar op de Griekse filosofie. Eeuwenlang stond de islamitische beschaving op een beduidend hoger peil dan de Europese. Het boek van de Amsterdamse filosoof Michiel Leezenberg probeert recht te doen aan de rijkdom van het islamitische denken.

Het werk van Gerard Reve en dat van de islamitische denker Ibn Hazm hebben meer gemeen dan de uitspraken van de Rotterdamse imam El-Moumni doen vermoeden. Duizend jaar geleden schreef Ibn Hazm in het islamitische Spanje dat een vroom leven op aarde toegang geeft tot het bedrijven van de meer dan verukkelijke jongensliefde in het paradijs.

Leezenberg vertelt over de machthebbers, die moslims aanmoedigden om met allerlei ketters om de tafel te zitten. Dat gebeurde niet in Nederland, onder leiding van minister Van Boxtel, maar in het Syrië en Irak van de tiende eeuw, onder de Oemayyaden en de Abbasieden. Op deze, door overheden georganiseerde bijeenkomsten, moesten moslims met scherpzinnige argumenten komen om zich tegen de aanvallen van ongelovigen te verdedigen. Voor de ontwikkeling van de islamitische filosofie zijn deze gesprekken zinvol geweest, maar de betrokkenen zelf ervoeren ze soms als een marteling.

,,Er waren niet alleen leden van alle islamitische sekten aanwezig, maar ook ongelovigen van elk soort: mazdeïsten, manicheeërs, atheïsten, joden en christenen', schreef een zekere Aboe Oemar. ,,Toen iedereen aanwezig leek te zijn, stond een van de ongelovigen op en sprak: 'We zijn hier bijeen om gezamenlijk te argumenteren, en jullie kennen de regels. Jullie moslims mogen ons niet bestrijden met argumenten op basis van de Koran of van het gezag van jullie profeet, want in geen van beide geloven we.' Je zult begrijpen dat ik na het horen van zulke woorden niet naar de bijeenkomst terugkeerde.'

Toch heeft een multiculturele samenleving ook haar goede kanten, vond de invloedrijke Turkse filosoof Aboe Nasr Al Farabi. Hij kon zich twaalfhonderd jaar geleden al een voorstelling maken van een stad als Amsterdam, waarin zowel homoparades als moskeediensten gehouden worden. ,,Dit is de stad', schreef hij, ,,waarin alle burgers kunnen doen wat zij willen. Haar burgers zijn gelijk, en hun wetten zeggen dat niemand in enig opzicht meer waard is dan een ander. Ze ziet eruit als een lappendeken vol geuren en figuren. Iedereen houdt ervan en wil er graag wonen, omdat er geen menselijk verlangen bestaat dat niet door deze stad bevredigd wordt.'

In deze stad, schreef Farabi, richt men zich op diverse doelen. Daardoor kan zowel het goede als het slechte zich ontwikkelen. Maar eerder dan in andere 'onwetende steden', zullen zich daar op den duur ook deugdzame burgers vormen.

Net als veel van zijn tijdgenoten dacht Farabi dat de waarheid één is, en dat alleen de filosofie tot onbetwistbare zekerheid leidt. Dat mensen toen ook al verschillende opvattingen hadden, verklaarden de eerste islamitische wijsgeren door te stellen dat er niet goed genoeg werd nagedacht.

In de negende eeuw werd de rede dan ook als belangrijker gezien dan het geloof in de openbaring. Geestelijken die zeiden dat de Koran van God kwam, werden door Khalief Mamoen zelfs met de dood bedreigd.

Maar de meeste islamitische filosofen -onder wie de grote denkers Ibn Siena (Avicenna) (987-1037) en Ibn Roesjd (Averroës) (1126-1198)- erkenden Mohammeds openbaring als de hoogste waarheid. Denken en geloven waren volgens hen niet in tegenspraak met elkaar. Want net zoals Mohammed leert dat er maar één God bestaat, leert de Griekse filosofie dat er maar één waarheid is. Mohammed en de filosofen hadden dus hetzelfde bedoeld, concludeerden veel islamitische intellectuelen. De oude Grieken werden in die kringen hogelijk gewaardeerd. In de twaalfde eeuw verscheen Aristoteles vrijwel dagelijks in visioenen van islamitische denkers en mystici.

Toch was de invloed van de neo-platonisten waarschijnlijk nog belangrijker. Deze denkers hadden Plato's Goddelijke Ideeënwereld met de gedachte van een christelijk paradijs vermengd, en verlangden intens naar het hiernamaals, waar alles oneindig veel beter, mooier, en rechtvaardiger is dan op aarde.

Ondanks de veronderstelde eenheid tussen de rede en de openbaring, bleef de vraag bestaan of wijsgerig gepieker leidt tot de absolute waarheid. Plato, en de islamitische filosofen in de negende eeuw, betoogden dat dit inderdaad het geval was. Maar naarmate de opvattingen van een orthodoxe islamitische 'clerus' grotere invloed kregen, kwam de nadruk meer op de letter van het woord Gods te liggen.

Filosofie was voor sommigen van de orthodoxe denkers slechts belangrijk om de islam tegen aanvallen van ongelovigen te verdedigen. Anderen dachten echter dat de filosofie onontkoombaar tot allerlei ketterse ideeën leidt, en een bedreiging vormt voor de eenheid van de gemeenschap der gelovigen. Dat de filosofie uit het heidense Griekenland kwam, was in elk geval onvoldoende reden haar te veroordelen, want een beroemde uitspraak van de profeet Mohammed luidt: ,,Zoek kennis, tot in China als het moet.'

De filosoof Ghazali (1058-1111), die door veel soennieten wordt beschouwd als de tweede moslim na de profeet, was gematigd positief over de filosofische traditie. Hij dacht dat filosofie zowel ten goede als ten kwade kon worden aangewend. Van hem is de uitspraak dat filosofie net als slangenbezweren is, want gevaarlijk voor degenen die kunnen gaan twijfelen aan het ware geloof.

Ghazali vond ook dat de soefi-mystiek -waar hij zich in verdiepte en waar hij veel over schreef- geheim moest blijven voor ongeschoolden. Mystiek en filosofie droegen beide het gevaar in zich dat mensen verschillend over zaken zouden gaan denken. En onenigheid beschouwde Ghazali als een ramp. ,,Honderd jaar onderdrukking door de sultan weegt niet op tegen één dag van onrecht begaan door de burgers onderling.'

Ghazali was niet de enige die consensus benadrukte. Ook de soennitische geestelijkheid beschouwde de overeenstemming binnen de gemeenschap der gelovigen als uitermate belangrijk. Hoewel de geestelijken lang van mening verschilden over de vraag hoe zij tot concensus konden komen, won uiteindelijk de opvatting dat de openbaring meer gezag heeft dan de individuele rede. Dit betekent dat als rechtsgeleerden het eenmaal eens zijn over de juiste interpretatie van Koran en Hadieth (de betrouwbare getuigenverklaringen van het leven van de profeet), daar bijna niets meer tegen in te brengen valt.

Leezenberg geeft geen duidelijk antwoord op de vraag wanneer precies een dogmatischer islam aantrad, die individuele interpretaties van door God gegeven wetten niet nodig achtte. Volgens sommige historici werd aan het einde van de tiende eeuw, dus omstreeks vierhonderd jaar na de dood van de profeet, de opvatting populair dat 'de poort van de itjihaad gesloten is', ofwel dat individueel juridisch redeneren niet langer opwoog tegen het gezag van erkende meesters.

Volgens Leezenberg sluit deze hypothese goed aan ,,op het stereotype dat de islamitische wereld onder de Abbassieden kort gebloeid heeft, en daarna is vervallen in culturele, intellectuele en maatschappelijke stagnatie'. Maar de auteur bestrijdt dit stereotype door te laten zien dat deze opvatting pas veel later algemeen aanvaard werd. Op de vraag wanneer dat wel gebeurde, blijft hij helaas het antwoord schuldig.

Hij zegt ook bijna niets over de islamitische denkers van vandaag: intellectuelen die soms hun leven niet zeker zijn, vanwege hun kritiek op de opvattingen van de soennitische geestelijkheid. Denkers als de bekende feministe Nawal al-Sadaawi die op 18 juni dit jaar voor de Egyptische rechtbank moet verschijnen, vanwege haar eigen interpretatie van de islam. Leezenberg zegt hierover alleen dat de islam geen religieuze hiërarchische structuur heeft, zoals de rk kerk, en dat het daarom onzinnig zou zijn om te beweren dat de islam geen scheiding tussen kerk en staat kent. Zo ontkent hij de door hemzelf beschreven invloeden van de sjaria (de islamitisch wet), en de geestelijke klasse die over de conservatieve interpretaties van deze wet waakt.

Leezenberg benadrukt de rijkdom, en de complexiteit van de islamitische traditie. Maar hij doet dat op basis van zijn onderzoek naar de islamitische filosofie tot het jaar 1700. Na die datum zou het islamitische rijk in verval raken, en zou de islamitische wijsbegeerte nooit meer zo schitteren als tijdens de Middeleeuwen.

,,De zorgvuldigheid van de islamitische filosofie is verloren gegaan', schrijft de filosoof M. Aftab in een recente studie, die niet door Leezenberg behandeld wordt. Aftab voert daarin een van de eerste moderne islamitische denkers op, de Pakistaan Muhammad Iqbal (1877-1938). Die vond dat moslims kennis zouden moeten nemen van het werk van de Europese filosofen. ,,Om tot een revisie, en, als het nodig is, tot een reconstructie van het theologische denken in de islam te komen.'

Leezenberg wil echter geen kritiek leveren op de islam. Zijn boek biedt vooral een boeiend en goed geschreven overzicht van het denken in de islamitische Middeleeuwen.

Alvaro van Cordoba, zo schrijft hij, een christen uit het islamitische Spanje, maakte zich ernstige zorgen over de invloed die de islamitische beschaving op christenen had. ,,Onze christelijke jongemannen verwerven roem dankzij de geleerdheid van de heidenen.' De 'Arabische welsprekendheid' zou hen bedwelmen.

Aan deze afgunst en liefde voor de bloeiende Arabische cultuur, dankt Europa de kennis van de Oudheid en de filosofie. Als wij de Arabieren wat dat betreft niet hadden geïmiteerd, hadden wij nooit van Plato gehoord.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden