Koninklijke ambassadeur

Wat het Prado in Madrid betekent voor de Spaanse kunst uit het verre verleden, wil het Museum Reina Sofía zijn voor de kunst uit de 20ste eeuw: een ware schatkamer met werk van beroemde voormannen van de moderne kunst, zoals Picasso, Dali en Miró. Een dwarsdoorsnede uit de collectie van het museum is nu te gast in Den Haag.

Voor het Spaanse koningspaar was het deze week in Den Haag zo iets als het spelen van een thuiswedstrijd. Zelden op hun bezoek zullen ze zich zo thuis hebben gevoeld in de van zich zelf al behaaglijke omgeving van het Haags Gemeentemuseum. Als een feestelijk cadeautje ter gelegenheid van hun staatsbezoek aan Nederland hadden Juan Carlos en Sofía belangrijke delen uit de collectie van het naar de Spaanse koningin genoemde Museo nacional de arte Reina Sofía. Dat museum legt zich sinds zijn oprichting in 1988 toe op de geschiedenis van zowel de Spaanse als de internationale kunst sinds het einde van de 19de eeuw. In Den Haag blijkt het Madrileense museum in staat om een volwaardig overzicht van de Spaanse kant van de geboorte van de moderne kunst te tonen.

Wie het museum, dat kortweg het Reina Sofía wordt genoemd, in de schaduw situeert van bekendere musea in de Spaanse hoofdstad als het Prado, Lazaro Galdiano en Thyssen-Bornemisza (overgebracht uit het Zwitserse Lugano dat de staalmagnaat hooghartig de deur wees), komt op deze presentatie verkeerd uit. Het museum mag dan gehuisvest zijn in het streng ogende Hospital General, het collectiebeleid is fris en nodigt uit om op de voet te volgen. Decennia lang is er in Spanje nooit veel aan moderne, laat staan eigentijdse kunst gedaan. Het starre Franco-regime was op dat punt de voornaamste boosdoener. Sinds Franco's dood en mede door de democratische opstelling van de Spaanse koning maakt de cultuur in Spanje een ongekende bloei door.

In dat kader mag ook de thuiskomst van Picasso's 'Guernica' worden beschouwd. Het enorme werk kan samen met de 'Demoiselles d'Avignon' als het meest roemruchte doek van de 20ste eeuw worden beschouwd, zeker nadat het jarenlang op last van de maker in vrijwillige ballingschap in New York gehouden was. Nu is de 'Guernica' de voornaamste attractie van het Reina Sofía geworden. Je kunt het schilderij, dat in Den Haag als een replica is te zien, echter niet zonder context beoordelen. Kennis van de omgeving waaruit het werk is voortgekomen, is noodzakelijk om het op zijn juiste kunsthistorische waarde te schatten.

Het is een van de vele verdiensten van het Madrileense museum dat het belang van Picasso en zijn Guernica met een reeks topstukken reliëf kan worden gegeven. Niet alleen toont het museum een aantal voorstudies die uiteindelijk de vorm bepaalden van de verscheurde figuren in de voorstelling van de eerste onbeschermde stad die door een luchtbombardement werd weggevaagd, er zijn ook andere, minder beladen (sleutel)stukken uit zijn oeuvre te zien. Daarbij gaat de aandacht vooral uit naar het kubisme dat Picasso samen met Braque ontwikkelde. Pikant is het feit dat Picasso hier zonder omhaal als een Spaanse nationale held wordt gepresenteerd. Dat gebeurt immers in weerwil van het feit dat hij zestig jaar van zijn leven in Frankrijk heeft doorgebracht. En daar net zo goed als een nationale held in de kunst wordt beschouwd, zoals Frankrijk ook Van Gogh, Chagall, Jongkind, Modigliani en Le Corbusier als Franse helden beschouwen.

Het feit dat het Reina Sofía rijkelijk laat in de 20ste eeuw is opgericht en dus ook laat op de markt moest opereren, heeft op het verzamelbeleid weinig invloed gehad. Toch moet de directie zich met name wat Picasso betreft, bij tijd en wijle verbijten dat het zo vele concurrenten heeft. Picasso had immers niets met Madrid. Hij was in Malaga geboren (waar weinig werk van hem is), werd in Barcelona gevormd (met een apart Picasso-museum), en in Parijs groot (waar de erfgenamen de nalatenschap tonen in alweer een monografisch museum). Op andere locaties in het zuiden van Frankrijk bouwde hij verder aan zijn enorme oeuvre en dito roem (Vallauris, Céret waar een kleine maar fijne collectie keramiek wordt bewaard), zonder nog ooit een stap in zijn geboorteland te zetten. Wilde het Reina Sofía hem de vereiste context geven, dan moest het ook over werk van tijd- en stijlgenoten beschikken. Op dat punt blijkt het museum al evenzeer een gelukkige hand te hebben. In Den Haag is een overtuigende groep werken van de schilders Juan Gris en Maria Blanchard en de beeldhouwers Julio González en Pablo Gargallo te zien.

Daarnaast beschouwt het Reina Sofía de kunst uit de jaren '30 als een wezenlijke bijdrage aan de modernistische kunst. Natuurlijk liggen de wortels van het surrealisme ook bij Picasso die als de aartsvader van de abstracte kunst beschouwd mag worden. Het museum kan die brugfunctie niet aantonen, maar wist wel de hand te leggen op heel vroeg werk van Salvador Dali, die omstreeks 1925 onder invloed van Picasso en zijn kubisme stond. De zoektocht die Dali door de kunstgeschiedenis ondernam -hij was bijvoorbeeld met Millet en Seurat bezig- komt helaas niet in beeld. Maar ook üscar Domínguez en Joan Míro, die zich vanuit de surrealistische vervoeging van de figuratie losmaakte en een abstract-expressionistische stijl ontwikkelde, ontbreken in dit overzicht niet.

Voeg daar een tweede lijn in de ontwikkeling aan toe, namelijk die van de volledig non-figuratieve schilders en beeldhouwers (variërend van Eduardo Chillida tot Antonio Saura en Antoni Tápies), en je krijgt een beeld dat in de Spaanse kunst van de 20ste eeuw alles met alles te maken heeft gehad. Die opvatting is jarenlang, zeker tot de jaren tachtig gekoesterd. Menig Spaanse schilder of beeldhouwer groeide al snel uit tot een Picasso-, Saura- of Tápies-adept. Het leek er op alsof daar geen ontkomen aan was. Toen aan het einde van de jaren zeventig de schilderkunst een nieuw elan doormaakte en in Spanje was afgerekend met het verstikkende conservatisme uit het Franco-tijdperk, werd alom gezocht naar een hernieuwde oriëntatie op de kunst van de jaren twintig. Het pleit voor de Spaanse kunstenaars dat zij zich niet andermaal op Picasso of Miró richtten, maar een veel internationalere duiding aan hun werk wilden geven. Tegenwoordig levert de Spaanse kunst kwalitatief hoogwaardige kunst, of die nu komt van beeldhouwers als de onlangs overleden Juan Muñoz, van Cristina Iglesias of Susana Solana of de schilders Miquel Barceló (al twintig jaar een enfant terrible genoemd dat wel heel erg op het Duits-expressionistische spoor van Baselitz en Kiefer zit), José Manuel Broto en Juan Uslé. Het Museo Reina Sofía, inmiddels uitgegroeid tot het artistieke geweten van diezelfde Spaanse kunst, wil ook deze ontwikkelingen laten zien. Met een actief verwervingsbeleid, onder meer door het aantrekken van de bedrijfscollectie van Telefónico de Espana, kwamen de Spaanse nieuwe wilden in huis. Jammer is dat van deze schilders niets te zien is, met uitzondering dan van het werk van Barceló, die in de schatkamers van het Haagse museum een vers gedrukte grafiekreeks laat zien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden