Review

Koningsdrama in het café

De breuk tussen Camus en Sartre in 1952 was geruchtmakend. Heiligen doelen middellen? In welke omstandigheden zijn bedrog en geweld toegestaan? Jean Paul Sartre zag in een communistische heilstaat een vergoelijkend einddoel, Camus absoluut niet. De filosoof Hans Achterhuis heeft een lange geschiedenis met dit tweetal en greep tevreden naar het jongste boek over hun ruzie.

In een zeer grijs verleden, om precies te zijn op 31 januari 1970, kon ik trots wijzen op mijn eerste krantenartikel. In het al lang niet meer bestaande weekblad De Nieuwe Linie verscheen toen een uitgebreide beschouwing van mijn hand over de moeizame vriendschap en vooral de breuk tussen de twee grote Franse filosofen en auteurs Jean Paul Sartre en Albert Camus.

Ze werden tot 1952, toen een fikse ruzie een einde maakte aan hun contacten, door het grote publiek vaak in één adem samen genoemd als vertegenwoordigers van het existentialisme en de filosofie van het absurde. De botsing tussen beiden veroorzaakte in Parijs een schokgolf, waarvan de rimpelingen in ruimte en tijd nog steeds voortrollen.

Elke studie over Franse intellectuelen of over Franse politieke filosofie beschrijft hun beider posities en neemt en passant meestal stelling voor de één en tegen de ander. Zo actueel is de zaak die hen verdeelde kennelijk nog steeds. In ons taalgebied ging bijvoorbeeld enkele jaren geleden de onlangs tot 'huisfilosoof' van de VVD aangestelde Luuk van Middelaar in zijn veelgeprezen boek 'Politicide' nog uitvoerig op de polemiek tussen Sartre en Camus in.

Waar ging de ruzie over? Meestal wordt hij als een botsing tussen moraal en politiek omschreven. Camus wilde de politiek beoordelen vanuit morele waarden, althans deze zoveel mogelijk in het politieke handelen integreren. Sartre daarentegen koos voor het politieke realisme dat niet aarzelde om, zoals de titel van een beroemd toneelstuk van hem luidde, 'Vuile handen' te maken. Het hoge doel heiligde voor hem de middelen.

Op het moment van de breuk werd dat hoge doel voor Sartre nog uitgedrukt door de toekomstige communistische heilstaat. Hij koos voor de toenmalige Sovjet-Unie die volgens hem, ondanks de verschrikkingen van de Goelag-archipel, naar deze stralende toekomst onderweg was. Over de gewelddadigheid van de weg erheen moest niet teveel gezeurd en gemoraliseerd worden. Om een omelet te maken moest je tenslotte de eieren ook breken.

Toen Sartre zijn geloof in het communisme verloor, verschoof zijn doel naar de bevrijding van de Derde Wereld. Maar de onderliggende redenering, die het gebruik van geweld legitimeerde om het doel te bereiken, veranderde niet.

Hier stelde Camus zeker niet, zoals Van Middelaar beweert, 'een moraal van totale geweldloosheid'. Dat kon hij als oud-verzetsstrijder moeilijk doen. Wel wilde Camus het gebruik van geweld beperken en weigerde hij het als een simpel middel te beschouwen.

In bepaalde gevallen waarin bijvoorbeeld van zelfverdediging sprake was, achtte hij het gebruik van geweld zonder meer gerechtvaardigd. Maar het opofferen van hedendaagse mensen in naam van een of andere toekomstig ideaal wees hij fel af.

Sinds mijn eerste artikel over Camus en Sartre, heeft de inzet van de strijd tussen beide mij niet meer losgelaten. In talloze boeken en artikelen die ik las, volgde ik de echo's ervan. Over het algemeen bleven beschrijvingen van hun conflict erg oppervlakkig met vaak onjuiste details. Ik noemde de studie van Van Middelaar al als voorbeeld.

Bovendien nam bijna iedereen - zelf deed ik dat overigens ook - altijd nog stelling voor één van beide. Zo wordt in recente studies, zeker als deze na de val van de Muur in 1989 verschenen zijn, Camus steevast als triomfator opgevoerd. Achteraf bezien heeft hij zeker het gelijk aan zijn zijde. In de mist van de toenmalige strijd was dat echter niet zo duidelijk. Tot ver in de jaren tachtig omhelsden linkse intellectuelen meestal Sartre's positie.

Het zal na het bovenstaande duidelijk zijn dat ik een recent boek van de vooral als Sartre-interpretator bekende Ronald Aronson, dat geheel aan de verhouding tussen Sartre en Camus gewijd is, met meer dan gewone belangstelling las. En om maar met de deur in huis te vallen, 'Camus and Sartre: The story of a friendship and the quarrel that ended it' is voorbeeldig.

Dat is dan niet zozeer vanwege nieuw bronnenmateriaal, zoals de flaptekst beweert, alswel dankzij de diepgaande en zorgvuldige benadering. Zeker, er zijn wat nieuwe biografische feiten opgedoken, maar die zijn niet beslissend in de interpretatie die Aronson geeft van de relatie tussen beiden. Veel belangrijker is dat hij het werk van Camus en Sartre uitvoerig voor zichzelf laat spreken. Dan wordt zichtbaar dat er vanaf hun eerste ontmoeting in 1944 altijd een soort ondergrondse dialoog tussen beiden heeft bestaan.

In romans, toneelstukken, journalistieke en filosofische teksten werd voortdurend een verborgen discussie gevoerd. En ook nadat naar aanleiding van 'De mens in opstand' van Camus die discussie publiek en oorverdovend luid werd, ging de stille dialoog in hun werken door. Camus en Sartre hebben elkaar niet uit het oog verloren, ook al ontmoetten ze elkaar nooit meer na de breuk. Bij de plotselinge dood van Camus in 1960 schreef Sartre een aangrijpend herdenkingsartikel waarin hij toegaf dat hij bij veel van wat hij schreef zich steeds afvroeg wat Camus ervan zou denken.

Dit herdenkingsartikel was ook erg persoonlijk. Sartre heeft later wel eens opgemerkt dat Camus de laatste vriend was die hij had. Zijn omgeving telde na de breuk vooral vrouwelijke aanbidsters en veel jongere, afhankelijke (ex)-leerlingen. Een gelijkwaardige vriend was er niet meer bij. Naast het relaas van de intellectuele dialoog, vertelt Aronson ook het verhaal van deze unieke vriendschap op pakkende wijze.

Sartre, de spitsvondige filosoof uit een hoog burgerlijk milieu in Parijs erkende in de arme arbeiderszoon met een analfabete moeder uit de kolonie (Algerije) zijn meerdere als beeldend romanschrijver. Tegelijkertijd moest deze laatste, vond Sartre, zich niet teveel als denker opwerpen. Zoals veel vriendschappen werd ook deze door bewondering én rivaliteit gekenmerkt. Aronson maakt duidelijk dat de bewondering het meestal won. Ze kon de uiteindelijke clash die zich als een klassiek drama onherroepelijk aankondigde, echter niet voorkomen.

Zoals dat bij een echt drama gaat, zijn goed en kwaad hier niet simpel over de antagonisten te verdelen. Aronson laat kracht en zwakte van beide posities goed uitkomen. Hoogstens krijgt een bijfiguur in dit drama een wel erg zwarte rol toebedeeld: Veel van wat wij over Sartre's contacten met Camus weten, stamt uit de autobiografische boeken van Simone de Beauvoir, Sartre's levensgezellin. Omdat zij nogal op Camus gebeten was, zeker nadat deze haar als minnares had afgewezen, levert dat sterk negatief gekleurde beschouwingen op. Het is niet de minste verdienste van Aronson dat hij het verhaal van een unieke vriendschap tracht te redden uit de vertekende weergave ervan die de bekendste versie van het verhaal is geworden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden