Review

KONING EMMA EN DE WESTERSE MAAGD MARIAHerinneringen aan zijn kindertijd van Junichiro Tanizaki

De beelden gingen vorig jaar over de hele wereld: de Japanse troubleshooter die huilend kwam aankondigen dat zijn bank niet meer aan haar verplichtingen kon voldoen. Mooi vond de westerse wereld dat, zo'n openbare boetedoening met tranen en al. In Japan zelf keken ze er allicht minder van op en ook zal men de bankier niet om zijn nederigheid hebben bewonderd maar meer om de wijze waarop hij het theaterstukje volbracht.

Japan is nog altijd het land van de ondoordringbare glimlach en nu ook van de niet al te gemeende traan: een cultuur vol formaliteiten en doelbewust toneelspel. Karakteristiek is bijvoorbeeld het oude Kabuki-theater met zijn travestie-karakter: mannen spelen vrouwenrollen en vrouwen mannenrollen. Er is een tijd geweest dat men die geslachtelijke ambivalentie probeerde op te heffen. Vrouwen gingen vrouwen spelen en mannen mannen maar het resultaat beviel niet: het leek opeens allemaal veel te echt.

Aan het eind van de vorige eeuw, in de tijd die in Japan de Meiji-periode heet, zette Japan de ramen open naar het Westen. In de geschiedenisboekjes leer je hoe het oude oosterse land met een verbijsterend aanpassingsvermogen de westerse cultuur overnam. Oude tradities werden voor het oog van de buitenwereld overboord gezet, de kimono ingewisseld voor een westerse outfit. Het heeft allemaal geresulteerd in een beeld van moderne welvaart en oppervlakkigheid. Maar zoals een bekende filmregisseur opmerkte: “De werkelijkheid zit hem in de heiligdommen, het bijgeloof en de irrationaliteit van het Japanse bewustzijn onder het vernis van driedelige pakken en moderne technologie.”

Een van de bekendste Japanse schrijvers van deze eeuw is Junichiro Tanizaki (1886-1965), wiens jonge jaren dus in de restauratietijd van het oude Japan vielen. Zijn hele werk wordt gekenmerkt door de wrijving tussen de oude tradities, die hij zelf intensief bestudeerde, en het moderne Japan waarin hij volwassen werd. Op latere leeftijd, toen hij al in de zeventig was, schreef hij zijn memoires, herinneringen aan zijn kindertijd, die nu onder de titel 'Kinderjaren' in Privé-Domein verschijnen.

Met herinneringen aan de kindertijd is het meestal zo gesteld dat je niet weet wat er nu precies werkelijk gebeurd is en wat er door de verbeelding van de auteur achteraf in is gelegd. Misschien bevatten Tanizaki's 'Kinderjaren' voor Japanners en japanologen veel nostalgie en wishful thinking, voor westerse lezers daarentegen geven ze een blik op een cultuur waarvan wij bijna niets weten en die door de Japanners zelf ook langdurig met een soort schaamte werd achtergehouden: een land aan de vooravond van zijn modernisering.

De stoffering van Tanizaki's herinneringen is zo authentiek, dat een westerse niet-kenner van die cultuur ze wel als bijzonder exotisch moet ervaren. Dat geldt voor de atmosfeer van de oude wijken in Tokio met zijn bedrijvigheid van rijsthandelaars, papierwinkels en lagere scholen. Maar het geldt vooral voor de soms merkwaardige familieverhoudingen, waarin kinderen zonder bezwaar ter adoptie werden aangeboden en waar mannen er zonder al te veel morele bedenkingen bijzitten op na hielden.

Tanizaki groeide op in een gezin dat na een redelijk welvarende start steeds meer in financiële perikelen kwam. Zijn vader bezat niet de handelsgeest die bij het ontwakende Japan paste en de familie Tanizaki eindigde dan ook in een armoedige huurwoning. Hoewel de schrijver het niet met zoveel woorden zegt, proef je dat juist die groeiende wanverhouding tussen het eigen familieleven en de verwachtingen van de nieuwe cultuur hem gestempeld heeft. Ook in de ontwikkeling van de jonge Junichiro bespeur je iets van de overgangsperiode waarin hij leefde, van een verwend huilebalkje verandert hij langzamerhand in iemand die gefascineerd is door de oude Japanse mythen en de literatuur, bevolkt door voor ons onbekende figuren als Koning Emma en de 'twistzieke Gonta'. Zijn fascinatie voor het oude Kabuki-theater zegt veel; dat was een vorm van volkstoneel waarvoor het moderne Japan zich juist begon te schamen, terwijl de jonge Tanizaki er nog de ingrediënten voor zijn latere literaire werk in vond.

Vooral de plaats van de vrouw is door Tanizaki prachtig beschreven. Zijn moeder die hij als een soort godin vereerde: “En het was niet alleen haar gezicht: het vlees van haar dijen was zo schitterend blank en zacht dat ik vaak, wanneer we samen een bad namen, merkte dat ik verbijsterd naar haar lichaam staarde.” Het beeld van de maagd Maria dat in de kamer van zijn grootvader, zeer ongebruikelijk voor zijn tijd christen, stond. Zijn seksuele ontwaken in een trein op de aanblik van een jonge vrouw: “Ik was me duidelijk bewust van een fysiek ontwaken in mijn binnenste, maar ik bleef staren naar dat beeldschone gezicht - ik richtte mijn blikken telkens weer op haar, met jongensachtige vrijpostigheid. En het was niet alleen haar gezicht: ik bekeek haar haar, haar halslijn, haar tanden, haar vingers, haar voeten in tabi, stuk voor stuk - zorgvuldig, herhaaldelijk, volhardend, onvermoeibaar. . .”

In grote delen van deze memoires wandelt de westerse lezer rond als een vreemdeling in een land waarvan hij de karakters niet kent: “Over wreedheid gesproken, vroeger werden scènes als de moord op Yoichibei in Chuschingura op het Kabuki-toneel niet gespeeld op de meer eenvoudige, ingehouden manier van tegenwoordig. Ze hadden daar een lange dialoog, die begon met de regel die vaak gebruikt wordt in Otsu-e-illustraties uit die tijd, Hé, oude man!, gevolgd door andere bekende regels: Nee, nee, het gaat niet om het geld. . .” Om een of andere reden is deze uitgave van Tanizaki's memoires niet voorzien van een noten-apparaat dat zulke volstrekt geheimzinnige mededelingen opheldert maar hoewel dat een ernstig editoriaal delict is heeft het ook een merkwaardig leeseffect; juist het ontbreken van enige explicatie geeft deze herinneringen hun merkwaardig vanzelfsprekende karakter.

Misschien dat door die voor ons buitenissige stoffering de universaliteit van Tanizaki's jeugdherinneringen des te meer opvalt: de straffen die hij krijgt als hij vervelend is, zijn angst om 's nachts naar de wc te gaan, de magische begoocheling van half begrepen toneelstukjes.

In het Japan van zijn jeugdjaren werd kennelijk de Chinese keuken boven de Japanse geprefereerd, een eigenaardigheid die je zou kunnen doen denken dat die wereld totaal anders was dan de onze. Maar ondanks het vaak onbegrijpelijke decor komt de kleine Junichiro eruit naar voren als een volstrekt herkenbaar kind, met de angsten, obsessies en vriendschappen van alle kinderen. Dat is denk ik nog wel het meest opmerkelijke aan deze autobiografie, dat achter al die formalistische en ritualistische kenmerken van de Japanse cultuur volstrekt inleefbare levende wezens schuilgaan. Voer kortom voor cultuurrelativisten en hun tegenstanders.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden