Klassiek & zoPeter van der Lint

Klassiek & zo: zwierige zwaaiers en stille maestro's

Zoveel dirigenten, zoveel zwaaistijlen. En er valt geen peil op te trekken wat nou het beste werkt – stille, onopvallende diplomatie of juist roeptoeterende armen en handen. Volgens een beroemde uitspraak van wijlen Mariss Jansons ging het er tijdens het dirigeren vooral om dat je de beste manier moest vinden om het orkest zo min mogelijk te storen. Niet alle collega’s zijn dat met hem eens.

Dat componisten als dirigent maar saaie dienders zijn, bewijzen oude filmbeelden van Igor Stravinsky en Richard Strauss op de bok. Ze doen hoegenaamd niets en dwingen misschien louter met hun aanwezigheid ontzag af. Maar evenzogoed zijn hedendaagse componisten als Thomas Adès en John Adams weer heel anders en veel drukker als dirigent, en ook Gustav Mahler kon zich als dirigent volgens ooggetuigen heerlijk te buiten gaan aan ‘Sturm und Drang’-gemaai.

De afgelopen week zag ik twee opvallend sierlijke zwaaiers – allebei jong – en één oudere maestro met uiterst geserreerde gebaren, die tot een minimum teruggebracht waren. En alle drie haalden ze grootse dingen naar boven uit de verschillende partituren.

Kon Myung-whun Chung wel in de schoenen van Daniele Gatti staan? En of!

Laten we beginnen met de Zuid-Koreaanse Myung-whun Chung (67), die deze dagen het Concertgebouworkest leidt in de Negende symfonie van Mahler. Op het Mahler Festival in mei zal deze combinatie dezelfde symfonie spelen, en dus wordt die nu alvast ingezeept. Zoals de andere toporkesten die met hun Mahler-symfonieën naar Amsterdam komen dat ook gaan doen of zelfs al gedaan hebben. Chung valt in voor Daniele Gatti, die de Negende eigenlijk had moeten dirigeren. Na diens ontslag moest het orkest naarstig op zoek naar vervangers. Toen bekend werd dat Chung de taken van Gatti zou overnemen, gingen er aardig wat wenkbrauwen omhoog. Ook bij mij. Want kon Chung – hier niet bekend als een grote mahleriaan – in de schoenen staan van Gatti, die in 2012 en 2013 zulke onvergetelijke uitvoeringen van de Negende had geleid? Het antwoord is ondubbelzinnig: en of!

Chungs aanpak was grofkorreliger, minder lyrisch dan die van Gatti. Waar Gatti meestal breeduit stond te zwaaien met zijn armen, hield Chung die van hem meestal dicht bij zich. Soms leek het wel of hij helemaal niet dirigeerde. Maar wat hij uit het orkest haalde was geweldig. De uitspraak dat stille wateren diepe gronden hebben, ging zelden zo op als nu. Concentratie die naar maximale verdieping leidde. En alles uit het hoofd, net als Gatti. Dat alle ­musici na afloop voor hem zaten te klappen, sprak boekdelen.

De zwierige, jonge zwaaiers ­waren Santtu-Matias Rouvali en Krzysztof Urbański. De Fin en de Pool zijn beiden in de dertig en aan een glanzende carrière bezig. Over Rouvali schreef ik vorige week al. Zijn overdreven sierlijkheid kan ­pedanterig overkomen, maar met de precisie die in die sierlijkheid besloten ligt, bereikt hij ongekende resultaten. Zijn Poolse collega leidde donderdag het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hij dirigeerde het hele programma, inclusief een nieuw sprankelend stuk van Bart Visman, uit het hoofd. Ook bij hem kun je je afvragen of dat zwierige niet te veel van het goede is. Maar met uiterste precisie in Moessorgski’s ‘Schilderijen van een tentoonstelling’ bouwde hij gestaag en verbluffend goed aan de climax bij de poort van Kiev. Het orkest klonk ook hier top.

Peter van der Lint schrijft iedere week met aanstekelijk enthousiasme over de wereld van de klassieke muziek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden