Review

Klaar met de verdrietjes van België

Decennialang was het Hugo Claus die de koers bepaalde, en vele Vlaamse schrijvers volgden in zijn kielzog `sappige` romans over boertig en benauwd Vlaanderen. Sindskort slaan `De Belgen` nieuw paden in - en worden ze door letterkundig Nederland ineens doodgeknuffeld. Waarom? En hoe Vlaams klinken deze schrijvers eigenlijk nog? Rob Schouten over de nieuwe renaissance bij onze zuiderburen.

De hamvraag van dit literaire seizoen in Nederland lijkt te zijn: zijn de Belgen echt beter? Of alleen maar anders? Bedoeld worden natuurlijk de Vlamingen en het gemak waarmee we die twee door elkaar halen zegt misschien al iets over onze vertroebelde kijk. De eerste die de vraag formuleerde en beantwoordde was NRC-criticus Arjen Fortuin, die begin dit jaar vaststelde dat jonge Vlaamse auteurs zich momenteel ware erfgenamen van de grote Vlaamse schrijver Lous Paul Boon betonen: hun boeken zijn eigenzinnige expedities naar nieuwe en betekenisvolle werelden, en ze doen dat met taalgevoel en stijl. Hij had het over de urgentie van hun schrijven.

Andere critici haakten in: opeens zag je in recensies, long- en shortlists overal Vlamingen bovendrijven. De jury van de Librisprijs ruimde zelfs een aparte paragraaf in over de opmerkelijke opgang van Vlaamse schrijvers die `relatief vaker de uitdaging aangaan van zo`n literair avontuur, van een zoektocht naar nieuwe vormen en gedachten, dan hun Nederlandse collega`s.` Zo zorg je er in elk geval voor dat-ie er is: een Vlaamse golf!

Het bleef trouwens opmerkelijk genoeg voornamelijk een Nederlandse registratie, die gedachte aan betere Vlamingen. Criticus Frank Albers (ex-chef boeken van De Standaard) betwijfelde per kerende post de waarde van het door Fortuin ontdekte Boon-chromosoom en De Gouden Uil, Vlaanderens literaire hoofdprijs, ging haast ostentatief niet naar een Vlaming maar naar een zelfs al overleden Nederlander, Henk van Woerden. Niet voor het eerst reageerde Vlaanderen gegeneerd op de pluim uit het noorden. Zo riekt de nieuwe literair liefde van Nederland al haast weer naar paternalisme: alsof wij degenen zijn die de Vlaamse verrijzenis kunnen en moeten vaststellen!

Het is een traditionele burenkwestie: hoe verhouden Vlaanderen en Nederland zich literair tot elkaar? Identiek zijn ze nooit geweest, de traditie van Boon en Walschap is een heel andere dan die van Vestdijk en Hermans. Meestal gedroeg de Nederlandse letterkunde zich in die concurrentiestrijd superieur en neerbuigend.

Wat moesten we eigenlijk met die Vlaamse tak? Het magisch-realisme bijvoorbeeld van schrijvers als Lampo en Daisne was toch een wat puberale affaire. En veelgelezen schrijvers als Ward Ruyslinc en Jos Vandeloo werden vooral op eindexamenlijstjes aangetroffen: een soort middelbare schoolauteurs. Met uitzondering van die ene grote, Hugo Claus, had de Vlaamse literatuur een wat achterlijke, onvolgroeide roep.

Ongetwijfeld hangt een en ander ook samen met het verschil in cultuur tussen België en Nederland. Terwijl in Nederland de politiek na de roerige jaren zestig haastig aansluiting probeerde te vinden bij de roep om nieuwe sociale en zedelijke vrijheden, bleven in België katholicisme en burgerdom de stemming en vooral ook de normen bepalen.

Ook de verwerking van de Tweede Wereldoorlog drukte een heel eigen stempel op de Vlaamse literatuur. Wijdverspreide collaboratie, het onderwerp van de grootste naoorlogse Vlaamse roman, Claus` `Het verdriet van België`, bepaalde de erfenis. In de slipstream van dat boek bleven Vlaamse schrijvers als Geertrui Daem, Leo Pleysier, Eriek Verpaele een soort veredelde streekliteratuur schrijven, over de persoonlijke of collectieve geschiedenis, de verhouding tot Vlaanderen, terwijl angry young men als Herman Brusselmans en Tom Lanoye ontluisterende pastiches op datzelfde onderwerp schreven en het Vlaanderen van de pedofilie-netwerken, de corruptie en het Vlaams blok in beeld brachten. Oftewel: de Vlaamse literatuur was tot voor kort veel Vlaamser dan de Nederlandse Nederlands was.

Omgekeerd leek in Nederland juist een ietwat gemakzuchtige lichtheid de overhand te krijgen. Albers had het over `Kruidvatproza in het Noorden` en de Librisjury vroeg zich af of Vlaamse auteurs zich allicht minder ingeperkt voelden `door een klimaat dat vraagt om verkoopbare formuleboeken, een manier van werken waarbij marketing al aan het begin van het redactionele proces ter uitgeverij een belangrijke rol speelt`.

Dat laatste lijkt me de zaak omdraaien. Alle prominente Vlaamse schrijvers worden immers bij diezelfde Nederlandse uitgeverijen uitgegeven; er bestaat helemaal geen vruchtbaar, niet-commercieel Vlaams literair uitgeefklimaat. De Vlaamse uitgeversmarkt, grotendeels verzuild, is allengs weggedeemsterd. Niet de geringere publiciteitsgeilheid van Vlamingen of hun moeilijk meetbare `urgentie` maar juist hun contact met de extraverte Nederlandse literaire cultuur en uitgeverswereld, heeft de Vlaamse renaissance ingeluid. Eindelijk oriënteren Vlaamse schrijvers zich aan de grote wereld en is het uit met al die verdrietjes van België.

Namen van aanstormende Vlamingen die steeds weer vallen zijn onder meer: Peter Verhelst, Annelies Verbeke, Stefan Brijs, Peter Terrin, Jan van Loy, Dimitri Verhulst. Verhelsts magnum opus `Zwerm` gaat over een door 9/11 geïnspireerd futuristisch universum, Verbeke`s Reus over twee dolende meisjes die in een merkwaardig Australisch gezelschap verzeild raken. Geen typisch Vlaamse, of zelfs Belgische milieus maar juist daarvan weg.

`De helaasheid der dingen` van Dimitri Verhulst heeft nog het meest weg van de oude streekroman en de Brusselmaniaanse pastiche daarop. De groezeligheid van het Vlaamse dorpsleven wordt breed uitgemeten: ooms die zich voortdurend starnakel zuipen, moeder die er met een ander vandoor is en als pièce de résistance een Ronde van Frankrijk met alcohol als vehikel, dat alles in gulle liters sappig Vlaams: `Awel, Eddy Merckx, ik zie dat ge goed gereden hebt. Ge hebt toch geen doping gepakt? Al in het potje moeten pissen?` Treffend beschreven low-life en niet zo over de top als de jaarlijkse vuilstortingen van collega Brusselmans, maar de verrassing zit `m toch in iets anders. Aan het eind merkt hoofdpersoon Dimitri dat hij zijn benauwde milieu achter zich heeft gelaten: ,,Ik ben allang geen meer van hen, het bewijs is dat ze ook tegen mij iets gaan praten zijn dat zou moeten doorgaan voor algemeen Nederlands, net zoals ze tegen mijn zoon praten.`

Ook Stefan Brijs` roman `De engelenmaker` speelt zich nog af in Vlaanderen, zij het typisch aan de rand want in de buurt van het Drielandenpunt, en de hoofdpersoon, een autistische arts met een hazenlip die zijn gebrek gebruikt om onomstotelijk bewijsbaar drie zoons te klonen, keert als vreemdeling naar België terug. De Vlaamse plattelandswereld is niet meer dan wat couleur locale en de de gederailleerde hoofdpersoon doet denken aan universele gekken als Dr. Frankenstein en Dr. Strangelove en niet in het minst aan een Vlaams plattelandsdoktertje.

In het openingsverhaal van zijn tweede prozawerk `Alfa Amerika` vertelt Jan van Loy over een Belgische gelukszoeker Peter O`Neill (aangenomen naam) die in Amerika verdient en dan naar Antwerpen terugkeert om zijn geboortestad te trakteren op een grote, Amerikaanse wolkenkrabberswijk op de linkeroever van de Schelde. Het wordt niks, de Antwerpenaren willen er niet aan en de ongevraagde weldoener pleegt tenslotte zelfmoord.

Van Loy beoefent een soort hyperrealisme: quasi-authentieke ego-documenten en andere zelfverzonnen bronnen zorgen ervoor dat je de indruk hebt over een historische, in plaats van een verzonnen hoofdpersoon te lezen. De onpersoonlijke, documentaire-achtige aanpak maakt de kracht van dit proza uit. Ook de andere verhalen, zoals het verslag van een moord op een pornoregisseur, tonen dat deze schrijver een begaafd televisie- en filmkijker is. Dat Van Loy`s Vlamingen zich in de grote wereld van het geld, de porno-industrie, de maffia en de popwereld begeven, laat zien dat ook bij hem het verdriet van België internationale allure heeft aangenomen.

De meest begaafde van het stel is misschien wel Peter Terrin, ditmaal aanwezig met een verhalenbundel `De bijeneters`. Koele, uitgeloogde schetsen waarin de lezer tussen de regels door met ijzingwekkende existentiële waarheden wordt geconfronteerd. In het titelverhaal is een stel in Frankrijk op vakantie is. De vrouw blijkt een fotorolletje waarop de man de zeldzame bijeneters denkt te hebben vastgelegd, niet goed in het toestel te hebben gedaan. Gevolg, onuitgesproken maar prachtig voelbare spanning.

Of het verhaal over de moordenaar in een land waar iedereen twee gelegitimeerde moorden mag plegen. De hoofdpersoon brengt zijn buurman om, maar vergeet de juiste motivaties mee te brengen en zal nu zelf geëxecuteerd worden.

Nu eens doet Terrin met zijn bijtende precisie aan Hermans denken, dan weer aan Kafka of Döblin, maar zelden aan de Vlaamse literatuur zoals die op ons netvlies staat. Ik schrok zelfs even op bij deze regel: ,,Ik belde eerst. Ik vertelde dat we het goed maakten, beschreef kort de voorbije dagen. Het regende in België.`` God ja, dat is waar ook, het komt uit België, realiseerde ik me.

Het zijn allemaal totaal verschillende boeken, dat zegt ook wel wat: de Vlaamse opleving trekt over een breed en gevarieerd front op. Maar één ding hebben ze gemeen: ze onttrekken zich aan het typisch Vlaamse, dat generaties lang de literatuur beneden Roosendaal heeft bepaald.

Of de Vlamingen daarmee beter of dringender zijn gaan schrijven dan hun Noord-Nederlandse broeders, zoals her en der wordt beweerd, is intussen nog maar de vraag. Het is zeker niet alles goud wat er blinkt: `Zwerm` van Verhelst zou je een meesterwerk kunnen noemen maar evengoed de kleren van de keizer, het slot van Brijs` `De engelenmaker` is niet helemaal geslaagd, de tweede roman van Annelies Verbeke is een stap terug na haar eersteling `Slaap`.

Maar feit is dat veel vooraanstaande Vlaamse schrijvers van tegenwoordig en bloc aan de grotere en internationale literatuur zijn gaan ruiken. Dat merk je aan de stijl en de structuur van hun verhalen maar ook aan de onderwerpen, waarin een soort `weg van de Vlaamse geborneerdheid` lijkt te prevaleren boven de aloude gekoesterde afkeer van de eigen boertigheid.

Van amateuristisch en provinciaal is de Vlaamse literatuur professioneel en volwassen geworden, televisie en actualiteit staan aan, de inhaalslag met de Noord-Nederlandse letteren lijkt aan de gang. Het zijn de ooms van Dimitri Verhulst die `algemeen-Nederlands` gaan spreken. En zo ziet deze Vlaamse golf er tenslotte dus vooral uit: onvlaams!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden