Review

Klaagzang uit het oerwoud

Het oeuvre van Alejo Carpentier kan zich de laatste jaren in een hernieuwde belangstelling verheugen. Ter gelegenheid van de klassieke Atlas-reeks werd 'Heimwee naar de jungle' onder het stof vandaan gehaald. Deze roman uit 1953 maakt in meerdere opzichten aanspraak op de eretitel 'klassiek': hij vervulde een scharnierfunctie in Carpentiers schrijverschap, oefende grote invloed uit op de vernieuwing van de Latijns-Amerikaanse roman in de jaren zestig en stelt bovendien een thema aan de orde dat ook nu nog actueel is - dat van het onvervulbare verlangen naar de oorsprong.

ILSE LOGIE

Geboren op Cuba uit een Franse vader en een Russische moeder kreeg de auteur, ondanks zijn Caribische wortels, een Europese vorming die hij nooit meer zou kunnen wegcijferen. Hoezeer hij daar ook naar heeft gestreefd, hij slaagde er slechts ten dele in deze gespletenheid in zijn identiteit op te heffen. Op zich doet de lezer daar zijn voordeel mee, aangezien net dat problematische tussen twee stoelen vallen Carpentier tot zulke boeiende inzichten heeft gebracht.

'Heimwee naar de jungle' bevat het relaas van een buitengewone episode uit het leven van een niet bij naam genoemde verteller, ooit een getalenteerd componist. In de Grote Stad waar hij woont en werkt - en waarin de lezer, ondanks Carpentiers neiging tot allegoriseren, moeiteloos New York herkent - is van de natuur niet veel meer overgebleven dan een vage herinnering. Alles is er kunstmatig, iedereen speelt er toneel. Ruth, de vrouw van de verteller, is beroepsactrice, en zijn minnares Mouche een would-be astrologe die met het Franse existentialisme dweept.

De roman komt op gang wanneer dat hoofdpersonage op de eerste dag van zijn vakantie de conservator van het organografisch museum tegen het lijf loopt en van hem de opdracht krijgt om enkele muziekinstrumenten die nog aan de collectie ontbreken ter plaatse te gaan opsporen. Het symbolische gehalte van de reis die de ik-figuur samen met Mouche onderneemt naar een land dat heel sterk aan Venezuela doet denken, kan de lezer onmogelijk ontgaan. De verteller, zo wordt ons voorgehouden, is een moderne goudzoeker, een op initiatie beluste mysticus die herhaaldelijk op de proef wordt gesteld. Hij beschikt zelfs over een Gids - El Adelantado of hij die vooroploopt -die hem de plaatsen aanwijst waar de instrumenten zich zouden kunnen bevinden.

De verteller heeft aanvankelijk de indruk dat, naarmate hij dieper het oerwoud intrekt, hij de door hem versmade beschaving steeds verder achter zich laat. Intense gewaarwordingen komen in de plaats van de beuzelarijen waar hij zich tot voor kort mee inliet. Hij krijgt weer zin in de dingen en slaapt stukken beter. Ook zijn notie van de tijd is ingrijpend veranderd. Hij voelt zich nu teruggeworpen in de Middeleeuwen en waant zich op een bepaald ogenblik zelfs aan het einde van de vierde dag van het Scheppingsverhaal: ,,De wateren zijn juist gescheiden, het droge land is verschenen, het groene gras in kaart gebracht en voor de eerste maal schijnen de grote lichten die moeten heersen over de dag en de nacht.'

Net voor hij de jungle heeft bereikt heeft de hoofdfiguur de jonge vrouw Rosario leren kennen, die vergeten behoeften in hem wakker maakt. Zij is de prototypische Latijns-Amerikaanse mesties, die hem op zijn back to basics-wenken bedient. Hoe dichter hij bij Rosario komt te staan, des te verder verwijdert hij zich van Mouche, die hij nu als een storende factor in het gezelschap ervaart. Niets deugt nog aan haar: ze is zelfgenoegzaam, uit op comfort, niet in staat een eigen oordeel te vormen en al evenmin opgewassen tegen de overrompelende indrukken die ze in Latijns-Amerika opdoet - dit in tegenstelling tot Rosario, die met haar grote persoonlijkheid, haar natuurlijke schoonheid en haar vanzelfsprekende omgang met de elementen bewondering afdwingt. Wanneer Mouche met malaria moet worden weggebracht, begint de verteller prompt een relatie met haar tegenpool Rosario.

Zo geestdriftig voelt de hoofdfiguur zich in zijn nieuwe omgeving dat hij zelfs na het vinden van de begeerde instrumenten niet overweegt om naar 'ginds' terug te keren. Maar zelfs die paradijselijke staat van geluk kan zijn westerse scheppingsdrift niet uitschakelen. Bij aankomst in Santa Mónica de los Venados, de stad die El Adelantado heeft gesticht en die de verteller met de utopische projecten van More of Campanella associeert, begint hij te componeren. Merkwaardig genoeg welt de muziek voor zijn Klaagzang in hem op nu hij zich mijlenver van de concertzalen verwijderd weet. Hij vat het plan op om de harmonische schrijfwijze met de polyfonie te verbinden, maar er rijzen problemen: gebrek aan papier, onbegrip voor zijn artistieke gedrevenheid, afkeuring van de gemeenschap omdat hij en Rosario niet trouwen.

Net wanneer de twijfel toeslaat, landt er als bij wonder een helikopter in het stadje. In de overtuiging dat haar man ontvoerd is, heeft Ruth de hele pers gemobiliseerd en expedities naar het oerwoud laten uitrukken. Het dilemma meegaan of blijven verscheurt de verteller, maar de materiële onmogelijkheid om in het oerwoud zijn Klaagzang te voltooien geeft de doorslag. Wel neemt hij zich voor na het inslaan van een voorraad papier en het regelen van zijn zaken voorgoed naar Santa Mónica terug te keren.

Na een verblijf van anderhalve maand in het boek Genesis valt het apocalyptische New York hem zwaar. Hoewel Ruth haar rol van toegewijde echtgenote met glans vertolkt, zet Mouche haar voor schut door de ware toedracht over de speurtocht naar de instrumenten te onthullen. De verteller raakt alles kwijt: zijn vrouw, zijn minnares, zijn baan. Hij is daar niet echt rouwig om omdat hij hoopt binnenkort een nieuw leven te kunnen beginnen.

Wanneer dat op het punt staat aan te breken, bevindt de inkerving van de drie V's, die de toegang tot een bepaalde route in de jungle aangeeft, zich door de hevige regenval onder water. Het dringt tot hem door dat in twee werelden leven onmogelijk is en dat de derde proef, het weerstaan van de verleiding om terug te keren, hem fataal is geworden. Tot overmaat van ramp verneemt hij dat Rosario niet op hem heeft gewacht en zwanger is van een andere man. Hij beseft nu dat de junglebewoners hem nooit anders dan als een buitenstaander hebben gezien, maar troost zich met de gedachte dat ,,het enige mensenras dat zich niet van de tijd kan losmaken het ras van de kunstenaars is', waar hij toe behoort.

Doordat de hele roman in de eerste persoon is geschreven en erg knap is opgebouwd, treedt er tussen lezer en verteller een haast bewustzijnsvernauwende identificatie op. En aangezien het hoofdpersonage grootmoedig zijn mislukking opbiecht, valt niet op hoezeer hij er een dubbele moraal op nahoudt. De ironie waarvan hij zich bedient om zijn partners te bekritiseren, is daar een treffend voorbeeld van. Iedereen wordt geacht zich in de identiteitscrisis van de ik-figuur in te leven en die ernstig te nemen, maar waar het Ruth, Mouche of Rosario betreft, doet hij zelf weinig inspanningen om iets van hun psychologie te begrijpen: zij zijn slechts hulpmiddelen of obstakels op zijn weg naar de bevrijding.

Maar niet alleen tegenover de vrouwen die zijn pad kruisen stelt de verteller zich egocentrisch op, ook met de nieuwe realiteit van het oerwoud treedt hij nauwelijks in dialoog. Hij projecteert er enkel zijn eigen denkschema's op, want het lijdt geen twijfel dat de romantische drang om aan het westen te ontsnappen een door en door westers verlangen is. De verrukkingen die besloten liggen in de geïdealiseerde premoderne levenswijze van de jungle kunnen enkel zo worden geinterpreteerd door iemand die met het moderne vertrouwd is. Mede door die paternalistische houding van de verteller is zijn hele opzet bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Geen grotere paradox namelijk dan naar het Stenen Tijdperk terug te willen om er stof te vinden voor een twintigste eeuws muziekstuk dat blaakt van authenticiteit.

De publicatie door Atlas van klassieken uit deze eeuw biedt meerdere voordelen. Naast vele uren leesplezier kan een dergelijke reeks ook duidelijk maken welke weg er sinds de eerste verschijning van zo'n werk is afgelegd. Het legitieme verlangen naar de oorsprong is niet verdwenen en zal ook nooit verdwijnen, omdat het aan een sterke menselijke behoefte beantwoordt. Maar wat pakweg het postmodernisme ons intussen wél heeft bijgebracht is dat de uitspraken die we doen, de keuzes die we maken, en zelfs de kritiek die we uiten, niet los kunnen worden gezien van de positie waarin we ons bevinden. Zo bekeken is het essentialisme van Carpentier, ondanks de onbetwistbare literaire waarde van zijn romans, een gepasseerd station.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden