Review

KIOSK

Wie is schuldig aan de watersnoodramp van 1953

watersnood - het officiële rapport van de Rijkswatersstaat en het KNMI verscheen, heeft het nauwelijks enige publieke aandacht gekregen. Veertig à vijftig jaar later richtte de aandacht van de media en de publieke discussie zich bij rampen in de Bijlmer, Enschede en Volendam vrijwel meteen ook op vragen over oorzaken, schuld en verantwoordelijkheden.' Als ijkpunt van de veranderingen hanteert Ellemers de bejegening van de oorlogsslachtoffers, die na 1945 van medelijden en bemoediging aangezwollen is tot verontwaardiging en genoegdoening. Maar dure deskundigheid en dikke rapporten hebben zelden politieke gevolgen: 'Zo ontstaat de indruk dat velen verantwoordelijk zijn geweest, maar dat uiteindelijk eigenlijk niemand 'echt' verantwoordelijk is geweest'. Ellemers meent zelfs dat de onderzoeken niet het beleid onderuit halen, maar ondersteunen. Hij koestert bovendien ernstige twijfels over het vermogen van rampen te 'leren', in een politieke cultuur die het van een soepele omgang met de regels moet hebben.

Kansen op roem voor ongeremd en fotogeniek slachtoffer

,,'Trauma' lijkt de centrale metafoor te zijn geworden om uit te drukken wat mensen in een moderne samenleving kan overkomen, en deze uitdrukking lijkt zo ook een van de belangrijkste middelen te zijn geworden om een beroep op elkaar te doen.'' De socioloog Frank Hermans betoont zich in zijn artikel 'Het psychisch trauma als sociaal probleem' in Psychologie & Maatschappij weinig ingenomen met de 'klaagcultuur, slachtofferverheerlijking en herdenkingsindustrie', zoals de opgeleefde belangstelling voor rampzalige gevolgen wel is genoemd. Het artikel, dat zich nogal angstvallig op anderen beroept, haalt ook bronnen aan die beweren dat mensen in deze tijd geen onzekerheid en onveiligheid meer accepteren. Helaas een on-realistische eis. Wie onverhoopt toch aan een ongeluk ten prooi valt, is trouwens nog niet van aandacht verzekerd. 'Publieke aandacht krijgt vorm in een publieke arena waarin verschillende groepen met elkaar concurreren om in het centrum van de belangstelling te komen en deze belangstelling zo lang mogelijk vast te houden.' Voor wie zich niet thuis voelt op de 'emotiemarkt', of voor wie geen zaakwaarnemers klaarstaan, betekent die concurrentie een pijnlijke opgave. Maar voor ongeremde en fotogenieke personages is het slachtofferschap een kans op roem.

Toch vindt Hermans dat het risico in de samenleving werkelijk groter is geworden. Omdat het toezicht verslapt is, zijn er meer kleine hoekjes waarin ongelukken schuilen, en de zelfbeheersing van mensen is niet navenant toegenomen. Maar na de scepsis waarmee het artikel begon, struikelt de schrijver aan het einde over zijn woorden bij de aanprijzing van de verdiensten van het trauma: 'De strijd tegen de gevolgen van schokkende gebeurtenissen zou wel eens een nieuwe mobilisatie van krachten in de zorg en samenleving mogelijk kunnen maken. Het is voor de samenleving een kans om minder gewelddadig en met meer respect voor de persoonlijke leefwereld van mensen om te gaan.'

Waarom vrouwen huishouden

In het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift een artikel van een historicus van het dagelijks leven, Pieter Stokvis, over 'Huisvrouwelijke arbeid'. Die ondergewaardeerde arbeid werd voor het eerst in 1974 dankzij een Engelse sociologe, Ann Oakley, onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. Sindsdien is er vlijtig gerekend aan de verschuivende taakverdeling van man en vrouw in het huishouden, maar Stokvis vindt dat de rol van de apparaten bij de veranderingen in het huishouden onderbelicht is. Vandaar dat de ondertitel van zijn stuk 'technologie en tijdsbesparing sinds het interbellum' luidt. In de jaren dertig van de vorige eeuw veroverde namelijk de stofzuiger de Nederlandse huishoudens (50 procent in 1938), en dat leidde tot een eerste werkbesparing. In de jaren zestig braken gasfornuis en wasautomaat door, en in de jaren zeventig werd de koelkast gemeengoed. Van 1955 tot 1964 liep de tijd die een vrouw kwijt was aan poetsen, koken, wassen enz. terug van 62 tot 57 uur in de week; tussen 1964 en 1984 daalde de huisvrouwelijke arbeid tot 51 uur (de cijfers gelden voor vrouwen die níet buitenshuis werken). Stokvis maakt aannemelijk dat de besparing voor tweederde aan het uitbesteden van werkzaamheden was te danken, en voor eenderde aan de overgang op aardgas. De interesse die sociologen vervolgens aan de dag legden voor de verdeling van die 51 uur per week tussen de gezinsleden laat zich begrijpen als je ziet wat er n 1984 aan dat getal veranderd is: niets. Het huishoudelijk werk beliep voor vrouwen in 1995 ook nog 51 uur, en dat is nog altijd meer tijd dan een volle baan. Stokvis' conclusie, 'Gezien ook de rol van de voedingsmiddelenbranche die onder 'uitbesteding' gerekend wordt (vanwege de 'voorbewerking', SdL), mag men gerust stellen dat technologische ontwikkelingen huishoudelijke arbeid wel degelijk minder tijdrovend hebben gemaakt', is daarom een beetje oud nieuws. Blijft de vraag waarom vrouwen zo huishouden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden