Een pension voor 'gastarbeiders' in Breda, 1979.

RecensieGeschiedenis

Khalid Mourigh vertelt in ‘De gast uit het Rifgebergte’ het verhaal van zijn Marokkaanse opa

Een pension voor 'gastarbeiders' in Breda, 1979.Beeld Piet den Blanken, Hollandse Hoogte

Eindelijk een levensverhaal dat laat zien hoe het was om in de jaren zestig van Marokko naar Nederland te komen en hier een bestaan op te bouwen.

In 1953 verdient Ali in Marokko een dagloon waar je twee kilo uien van kunt kopen. Twaalf jaar later, in 1965, werkt hij in een Nederlandse fabriek en verdient daar 75 gulden per week. Hij hoort van zijn Belgische collega’s dat zij meer dan het dubbele krijgen. De personeelschef belooft Ali 5 gulden meer, maar de extra guldens zitten de week daarop niet in het loonzakje. De personeelschef gaat ervan uit dat hij er verder niet meer over zeurt. Maar Ali legt zich er niet bij neer.

Weer een paar jaar later helpt een andere werkgever hem aan een lening voor het inrichten van zijn huis, vanwege de overkomst van vrouw en kinderen. Wordt Ali nu eindelijk goed behandeld? Ach, het is maar hoe je het bekijkt. Het bedrijf heeft er zelf ook voordeel van: ze hoeven hem nu geen kostgeld meer te betalen.

De gast uit het Rifgebergte vertelt over ‘gastarbeid’, zoals dat in de jaren zestig en zeventig zo mooi genoemd werd, aan de hand van het levensverhaal van één gastarbeider: Ali. Het boek is geschreven door zijn kleinzoon, Khalid Mourigh, een Nederlandse taalkundige en Berber-expert.

Ali was analfabeet. Maar ook een begenadigd verteller. Mourigh heeft, toen zijn opa nog leefde, zoveel mogelijk verhalen opgenomen, uitgewerkt en omgewerkt tot een boek met veel actie en af en toe een levendige dialoog. Waar nodig heeft hij er context aan toegevoegd: de sociale, economische en politieke omstandigheden van die tijd.

In het voorwoord schrijft Mourigh dat er altijd een algemeen verhaal over gastarbeid verteld wordt. Zelden hoor of lees je de individuele verhalen. Tien geleden was er een ‘autobiografie’ van een gastarbeider, Ik, Driss, maar dat bleek een door twee jonge Marokkanen verzonnen personage.

Ook is er in het verleden, in allerlei soms vrij marginale publicaties, al wel het nodige aan oral history opgetekend, zoals in een boek met de fraaie titel Ze vroegen arbeid, er kwamen mensen. Maar dat bleef allemaal wat fragmentarisch. Nu is er dus dit boek dat helemaal over Ali gaat.

Steeds wordt Ali teruggefloten, door de politie, het leger, werkgevers, familieleden

Ali is “een kleine man met een ontzettend grote mond en een enorme levenslust”. Hij is ongeduldig, impulsief, brutaal. De sociale dwang op het Marokkaanse platteland is groot, de behoefte om daar, in zijn jeugd al, als een soort stoute jongen aan te ontsnappen, is nóg groter. Maar dat ontsnappen lukt maar heel gedeeltelijk. Ali wordt telkens teruggefloten, door de politie, het leger, door werkgevers, familieleden. Hij probeert steeds weer een uitweg te vinden, om telkens opnieuw in een situatie te belanden waarin hij onderdrukt wordt, eerst in Marokko, daarna in België en Nederland.

Gaat dat ooit nog over, vraag je je af na 150 bladzijden. Ja, uiteindelijk wel. Als de scheepswerf waar Ali werkt failliet gaat en hij, vijftig jaar oud, versleten longen en een versleten hart blijkt te hebben en arbeidsongeschikt verklaard wordt, dan kan Ali eindelijk doen waar hij zin in heeft. Hij repareert een klok, maakt in het huis van een van zijn kinderen een draaitrap. En hij bouwt een huis in zijn geboortedorp.

Mourigh schildert zijn opa niet mooier af dan hij was. Ali heeft zijn vrouw vaak slecht behandeld. Over hun (gearrangeerde) huwelijk zei hij zelf: “Mijn vader dacht dat ik door te trouwen verstandig zou worden. Maar ze heeft me alleen maar nog gekker gemaakt.” Hij vertrok niet alleen naar Europa om meer dan twee kilo uien per dag te kunnen verdienen, maar ook om zijn huwelijk te ontvluchten. Door uitgebreid in te gaan op de verloving en het huwelijk van zijn oma en opa maakt Mourigh veel duidelijk over de logica van gearrangeerde huwelijken in de Marokkaanse plattelandscultuur van die tijd.

Zo’n levensverhaal moet het hebben van de mooie details en die zijn er genoeg

Vooral de avonturen in Marokko zelf, die de helft van het boek beslaan, lezen als een schelmenroman. Zoals het hoofdstuk waarin verteld wordt hoe Ali besluit om soldaat te worden. Hij ziet ergens een lange rij staan, loopt erheen, vraagt wat er aan de hand is. Iemand zegt: ‘Wij willen soldaat worden bij het Spaanse leger’. Ali: ‘Kan iedereen zich aanmelden?’ ‘Ja, je krijgt te eten, te drinken en salaris.’ Dus Ali gaat ook in die rij staan. Zo probeert hij voortdurend zijn eigen plan te trekken. Maar tegelijkertijd, en dat geeft het verhaal een interessante gelaagdheid, is hij een speelbal van grote economische krachten: de koloniale verhoudingen in Noord-Afrika, de behoefte van de West-Europese industrie aan extreem goedkope arbeidskrachten.

Zo’n levensverhaal moet het vooral van de details hebben en mooie details zijn er genoeg. Dat het boek gebaseerd is op de verhalen die Ali aan zijn kinderen en kleinkinderen vertelde, merk je met name aan de sprankelende anekdotes. Bij het omzetten van die orale vertellingen in ik-vorm naar de hij-vorm waarin dit boek geschreven is, en het omzetten van gesproken Berber naar geschreven Nederlands, is er af en toe ook iets verloren gegaan, lijkt me. De kleinzoon schrijft anders dan de opa praat. De stijl komt soms een beetje vertaald over.

Wat ook speelt: als iemand zijn herinneringen met veel bravoure aan je vertelt, neem je vanzelf allerlei overdrijvingen voor lief, want mensen maken hun herinneringen vaak mooier en spannender. Als je die omzet naar een quasi-objectieve hij-vorm, loop je het gevaar dat het opeens een beetje oubollig, een beetje jongensboekachtig wordt. Dat gebeurt hier af en toe.

Daar staat tegenover dat de kleinzoon evenveel humor lijkt te hebben als zijn opa. Als Ali in 1965 bij een Nederlandse energiecentrale komt te werken, schrijft Mourigh: “Waar Loamal [het geboortedorp van Ali] pas eind jaren negentig op het elektriciteitsnet zou worden aangesloten, was Nederland al een tijd een verlicht land.”

null Beeld

Khalid Mourigh
De gast uit het Rifgebergte
Cossee; 240 blz. € 22

Lees ook:

M’bark Sabir kwam als een van de eerste gastarbeiders naar Nederland

Het is oudjaarsdag 1963 als M’bark Sabir in Nederland aankomt. Met vier andere mannen is de twintiger, opgegroeid in de Marokkaanse zuidwestelijke kuststad Agadir, naar Brussel gevlogen en met de trein via Luik in Maastricht aangekomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden