Review

KEROUACS QUEESTE NAAR GELOOF'Iedereen leest Suzuki op Madison Avenue'

In 1951 schreef, of liever typte, Jack Kerouac (1922 - 1969) op een lange telexrol het boek waarmee hij op slag wereldberoemd werd, 'On the Road'. Hij deed er naar eigen zeggen drie weken over, in een soort trance en zonder twijfel onder invloed van alcohol en dope. Was zijn vorige roman 'The Town and the City' (1950) nog op traditionele leest geschoeid, het nieuwe werk getuigde van een veranderde schrijfopvatting, waarin spontaneiteit en een muzikale stijl de drijvende krachten zijn.

In zijn volgende boeken, 'The Subterraneans' en 'The Dharma Bums' bij voorbeeld, beide in 1958 verschenen, is dat spontane bop-proza en het ritme van de vaak ellenlange, meanderende zinnen nog veel opmerkelijker en dwingender uitgevoerd. 'The Subterraneans' schreef Kerouac vlak na een mislukte liefde, alweer in een bijna ononderbroken sessie, nu van slechts drie dagen.

Hij is de koning van de Beat-generatie, de groep schrijvers waartoe ook de onlangs overleden Allen Ginsberg en William Burroughs behoorden. Een paar jaar geleden bloemleesde Kerouac-biografe Ann Charters 'The Penguin Book of the Beats' en daarin krijgt Kerouac vanzelfsprekend de leiding, te beginnen met een paar fragmenten uit 'On the Road'. Verder zijn nog met de beweging geassocieerd schrijvers en dichters als Gregory Corso, John Clellon Holmes, Lawrence Ferlinghetti, Gary Snyder, Bob Dylan en vele anderen. Zij keerden zich tegen een academische of anderszins behoudzuchtige kunst, eisten de vrijheid op van een ongebonden vorm, keerden zich tegen het burgerdom en gedroegen zich provocerend waar het seks en drugs betrof.

Achteraf bezien hebben de schrijvers van de Beat-generatie heel wat losgemaakt, niet alleen in de literatuur, ook in de Amerikaanse maatschappij. Simon Vinkenoog heeft in het nawoord van zijn vertaling van Ginsbergs gedichten, lang geleden, al eens gesuggereerd dat er parallellen bestaan tussen het optreden van de Beats en dat van de Vijftigers. In elk geval heeft hij zelf veel affiniteit vertoond met zijn collega's aan de andere kant van de oceaan. Ook De Bezige Bij, de uitgeverij van de Vijftigers toch, bracht in de jaren zestig talloze vertalingen van Beat-auteurs, waaronder 'Op weg' van Jack Kerouac, in 1988 nog eens opnieuw vertaald door Guido Golüke onder de titel 'Onderweg'.

Niet alleen uit de Penguin-bloemlezing, ook uit heruitgaven, studies, biografieën, briefuitgaven en de publicatie van nagelaten werk van de Beat-schrijvers is op te maken dat ze zich in zoiets als een revival mogen verheugen. Mogelijk spreekt het revolterende karakter van hun werk een nieuwe generatie lezers aan, lezers die geen herinnering hebben aan de naoorlogse jaren vijftig en zestig en dus ook niet aan hoe het werk verankerd lag in de tijd, maar die er een vitaliteit en een spiritualiteit in aantreffen waar zij naar verlangen.

Ter gelegenheid van het veertigjarig jubileum van 'On the Road' heeft Viking een mooie gebonden verjaarseditie gemaakt, die precies evenveel bladzijden telt als de eerste druk, uit 1957 dus. Uit 1957, maar het boek was al in 1951 geschreven? Zes jaar hebben Kerouac en zijn agent geleurd met de roman, die telkens, ook door Viking, werd afgewezen of volgens de redacteuren danige bewerking behoefde, alvorens zij een uitgave in overweging konden nemen. Kerouac heeft er in de loop van die jaren nog het een en ander aan gedaan, ik ken de aard van die wijzigingen niet precies, maar vooral is hij doorgegaan met schrijven, in een verbluffend tempo. Toen in 1957 'On the Road' dan eindelijk werd geaccepteerd, had hij meer dan tien boeken liggen, waaronder volgens Ginsberg zijn meesterwerk 'Visions of Cody', maar ook 'Doctor Sax', 'Maggie Cassidy', 'Tristessa', 'Visions of Gerard' en 'Mexico City Blues' (gedichten).

Het is achteraf bezien maar goed dat 'On the Road' zo'n onverbiddelijke bestseller werd en dat het werk dat in portefeuille lag in vrij hoog tempo in de jaren erna kon worden uitgebracht. Alle biografieën van Kerouac, en ook zijn uitgever in deze verjaarseditie, geven de indruk dat het succes van de roman te danken is aan één recensie, de eerste namelijk, in The New York Times, 5 september 1957. Gilbert Millstein bespreekt het boek daarin niet zozeer, maar profeteert dat het verschijnen ervan een historische gebeurtenis van de eerste orde zal blijken te zijn. Hij beschouwt Kerouac als de woordvoerder bij uitstek van zijn generatie, een andere generatie dan 'the lost generation', want hun probleem is niet waarom maar hoe te leven. De voortdurende zoektocht die Sal Paradise (Kerouacs alter ego) samen met Dean Moriarty (zijn aanbeden vriend Neal Cassady) onderneemt op het Amerikaanse continent en in Mexico, is een vitale onderneming en ook een spirituele, zo onderstreept Millstein, een queeste naar geloof, levensbeschouwing.

Kerouac en zijn vriendinnetje klommen vroeg uit bed om de krant vers van de pers te bemachtigen en tevreden gingen ze verder uitslapen: de laatste dag van een leven in de anonimiteit. Natuurlijk kreeg 'On the Road' ook veel kritiek te verduren, stilistische en compositorische, maar ook veel morele kritiek, wat zich laat raden op grond van al het gezuip, gesteel, geslik, geprik, gerace, geneuk, gevloek, gebraak in dit boek. Maar onder het harde oppervlak schuilt een romantisch, hier en daar apert sentimenteel levensgevoel, en een religieus verlangen naar kennis omtrent de waarheid.

In het werk na 'On the Road' geschreven, komen die religieuze preoccupaties veel onverbloemder tot uitdrukking en wordt het begrijpelijk dat Kerouac zichzelf in de introductie tot de verhalenbundel een 'Lonesome Traveller' en geen 'beat' meer noemt, maar een “strange solitary crazy Catholic mystic. . .” Zijn meest recente biograaf, Steve Turner, meent zelfs dat het katholicisme Kerouacs diepste kern raakt en dat zijn bemoeienissen met andere opvattingen, zoals het boeddhisme of zen, in laatste instantie zijn katholicisme niet konden verdringen.

Nu ik, na een jaar of dertig, 'On the Road' heb herlezen, kan ik mij verschillende, denkbare bezwaren ertegen wel voorstellen, maar mijn vroegere enthousiasme voor het boek heb ik er toch niet door kunnen verloochenen. De liefde voor het boek is wat mij betreft de liefde voor de taal ervan, die weer een gevolg is van Kerouacs liefde voor de taal, het Amerikaans. In dit opzicht is de roman nog maar het begin van het jazzy en swinging proza. De muziek van zijn zinnen, de klankeffecten die hij nastreeft, de vaart in het ritme van de zinsbouw, het is zoals uit de Nederlandse vertalingen blijkt niet allemaal even makkelijk in een andere taal te imiteren. En daar komt dan nog het slang bij, dat in het Nederlands gauw een wat clubjesachtige indruk maakt. Maar misschien geeft het slot van de roman, dat ook op de cover van de verjaarseditie is afgedrukt, in de vertaling van Golüke, een indruk van de schwung die ik bedoel:

“En als de zon boven Amerika ondergaat en ik op de vervallen oude pier aan de rivier zittend naar de brede, brede luchten boven New Jersey kijk en al dat ruige land voel dat in één ongelofelijke gigantische massa helemaal naar de Westkust golft, en heel die lange weg, en al die dromende mensen in die onmetelijke ruimte, al die kinderen in Iowa die nu al liggen te huilen in dat land waar ze de kinderen maar laten huilen, maar dadelijk gaan de sterren weer schijnen en je weet toch wel dat God Pooh Bear is? als de avondster al daalt en haar vonken uitschuddend boven de prairie dooft in die laatste ogenblikken voor de komst van het volledig duister dat de aarde zegent, alle rivieren verduistert, de bergtoppen omzwachtelt en de verste oeverlijn inpakt, als niemand, niemand weet wat er nog komen zal behalve de morsige verlatenheid van de ouderdom, denk ik aan Dean Moriarty, zelfs aan de oude Dean Moriarty, de vader die we nooit meer hebben gevonden, dan denk ik aan Dean Moriarty.”

'On the Road' is een avonturenroman en een hommage aan het Amerikaanse landschap, maar, zoals John Clellon Holmes schreef, “hun eigenlijke reis is naar binnen toe”. Van december 1953 tot maart 1956 produceerde Kerouac een monstermanuscript dat hij 'Some of the Dharma' noemde en waarin hij aantekeningen opnam met betrekking tot zijn boeddhisme-studies, citaten uit sutra's, praktische aanwijzingen voor de meditatie, gedichten, haiku, gesprekken, gebeden, dagboekaantekeningen, schetsjes, verhalen, gedachten over het schrijven, brieffragmenten, epifanieën en illuminaties en wat al niet. Onder 'dharma', Sanskriet, verstond hij 'the meaning', de waarheid en hij beschouwde dit boek dan ook als zijn zelfontworpen introductie tot deze waarheid.

'Some of the Dharma' is eerst nu verschenen en de uitgever veronderstelt dat dit feit wel enige sensatie zal teweegbrengen. In de Kerouac- en Beat-studie - ik denk dat er weinig perioden en groeperingen in de Amerikaanse literatuur zoveel secundaire literatuur en al zo gauw hebben opgeroepen - zal er onvermijdelijk veel naar verwezen worden, al is het niet eenvoudig om toegang te krijgen tot, laat staan overzicht van een zo fragmentarisch opgezette, onbecommentarieerde grabbelton, zonder index of wat dan ook. Toch heeft Kerouac er hard aan gewerkt, hij verdeelde zijn materiaal over tien hoofdstukken en hij verzorgde ook nog eens, met de typemachine, een beeldend arrangement van fragmenten verspreid op de bladspiegel.

De boeddhistische periode heeft niet lang geduurd, in 1959 verloor Kerouac zijn interesse erin nadat hij het jaar ervoor nog had beweerd dat er een “plotselinge boeddhisme-boom” in de lucht zat, “iedereen gaat de weg van de dharma” en dit wordt “het jaar van de verlichting in Amerika”, “iedereen leest Suzuki op Madison Avenue” (Suzuki was de grote zenleraar in die tijd). Wat Kerouac tegen het boeddhisme en tegen zen had, was dat er in die voorstellingen geen hemel en geen engelen voorkwamen en hij, met zijn katholieke achtergrond, kon zich blijkbaar toch niet een leven indenken zonder deze troostende beelden.

Er is in zijn latere werk veel invloed te merken van zijn boeddhistische studies, ook al omdat zijn fictie in feite vrijwel autobiografisch was en hij zijn leven boekstaafde. In 'Desolation Angels' bijvoorbeeld beschrijft hij de meditatieve excercities op Desolation Peak, waar hij drieënzestig dagen in 1956 vertoefde, oog in oog met de spookachtige Hozomeen Mountain. Toen hij ten slotte afdaalde, bleek de Beat-beweging de aandacht van de pers te hebben getrokken en werd er een foto van hem en Allen Ginsberg gemaakt, de foto die sindsdien vrijwel al zijn boeken heeft begeleid: Kerouac in een geruit bloesje, kraag open, het haar woest over zijn voorhoofd vallend. Een onweerstaanbare man.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden