Review

'Kapitalisme is nog het minste kwaad'

Sinds 1992 schrijft Mario Vargas Llosa om de veertien dagen een column voor de Madrileense krant El País. Deze draagt de titel 'Toetssteen' omdat de auteur er, naar eigen zeggen, telkens een actuele gebeurtenis in wil analyseren die zijn overtuigingen op de proef dreigt te stellen.

ILSE LOGIE

Uit de stukken die tussen 1992 en 2000 werden gepubliceerd, is zopas de selectie 'De taal van de hartstocht' verschenen. Het betreft hier eigenlijk een keuze uit de gelijknamige Spaanse bundel, die Vargas Llosa heeft gemaakt voor de Nederlandstalige markt. Daarbij stond hem niet in de eerste plaats de actualiteit, maar wel een algemeen tijdsbeeld voor ogen. Dat hij tevens zijn doelpubliek wilde behagen, bewijst het opnemen van de welwillende, maar vrij oppervlakkige stukken over Nederland en België.

Een breed scala aan onderwerpen is het wel geworden. De revue passeren politieke, sociale en economische problemen, beschouwingen over kunst en persoonlijke ervaringen van de schrijver. Dit is meteen een sterke kant van dit boek. Vargas Llosa's geestdrift om overal van op de hoogte te zijn en overal heen te reizen werkt aanstekelijk, en zijn vermogen om verbanden aan te brengen tussen pakweg de Roemeense ingenieur Iliescu en de Dominicaanse dichter-president Balaguer, of tussen een oude Poolse man in Lima en het Journal de guerre van de rechtse Drieu la Rochelle stimulerend.

Het titelessay van de verzameling, 'De taal van de hartstocht', waarin de auteur hulde brengt aan de Mexicaan Octavio Paz is, bij nader inzien, evengoed op hemzelf van toepassing. Ook van Vargas Llosa zal na zijn dood kunnen worden gezegd dat hij ,,een prachtig leven leidde, ondergedoken in de draaikolk van zijn tijd met een jeugdige nieuwsgierigheid die hij tot het einde volhield', dat hij deelnam aan alle grote historische en culturele debatten, steeds partij koos en zijn voorkeuren toelichtte in boeiende geschriften.

Net als Paz en een generatiegenoot als García Márquez -naar wiens linkse politieke denkbeelden hij overigens opnieuw fel uithaalt- beschouwt Vargas Llosa de journalistiek als de ideale leerschool, die schrijvers ervoor behoedt voeling te verliezen met de dagdagelijkse werkelijkheid. Met dezelfde Paz heeft Vargas Llosa voorts gemeen dat ze beiden behoren tot het uitstervende ras van intellectuelen, die -wars van academisme- hun stem verheffen op het politieke forum. En ook al beweert Vargas Llosa dat de 'passie' waarvan sprake in zijn titel enkel op persoonlijke gedrevenheid slaat en niet op de strijdlust waarmee zijn essays zouden zijn geschreven -heldere ideeën en goed proza lijken hem immers onver enigbaar met een verhit hoofd-, in zijn voorwoord geeft hij toe dat hij slechts ten dele in deze opzet is geslaagd. De vele reacties die hij uitlokt, bewijst dat de grondtoon veeleer polemisch dan zakelijk is.

Een ander voornemen waar weinig van in huis is gekomen, betreft het ter discussie stellen van de eigen opvattingen, een streven dat nochtans aan de oorsprong lag van 'Toetssteen'. Hoewel dat hier en daar gebeurt -het uitdrukkelijkst in het stuk over de rastafari's in wie Vargas Llosa grootmoedig toegeeft zich te hebben vergist- komt dat in de meeste gevallen door de wetten van het genre, waarin per definitie kort op de bal wordt gespeeld, zodat beweringen snel door de feiten kunnen worden weerlegd. De chronologisch gerangschikte stukken over Israël, waarbij het aanvankelijke optimisme plaats moet maken voor groeiende scepsis, zijn hier een voorbeeld van.

De fundamenten van zijn denken, die eveneens -zij het op implicietere en minder rationele wijze- zijn romans schragen, zet Vargas Llosa echter in geen enkel artikel op losse schroeven, wat 'De taal van de hartstocht' inhoudelijk voorspelbaar maakt. Wie vertrouwd is met zijn werk herkent het allemaal: de consequente keuze voor de tandem vrijemarkteconomie/Â democratie en het radicale afwijzen van economische en politieke doctrines die hiertegen indruisen; het door dik en dun verdedigen van de westerse waarden en het in het Westen sinds de Verlichting overheersende gedachtegoed; het hieruit voortvloeiende van leer trekken tegen fundamentalistische (lees: bijna alle) vormen van nationalisme en religie.

Niet dat de auteur de schaduwzijden van de liberale democratie niet ziet. Hij weet dat het bergaf gaat met de humanistische opvoeding die aan het vormen van burgerzin ten grondslag ligt, en hij betreurt het tanende prestige van kunst en wetenschap. Maar zijn huiver voor collectivisme en maakbaarheidsutopieën is dermate groot, en zijn vertrouwen in de individuele vrijheid dermate absoluut dat hij de pragmatische middelmatigheid van die democratie als 'minste kwaad' verkiest boven de kwalijke kanten van andere stelsels. Toch brengen de onwrikbare categorieën die Vargas Llosa hanteert hem meer dan eens in moeilijkheden, vooral dan in zijn eenzijdige stukken over Latijns-Amerika. Onder meer in het artikel over Cuba, dat hij schreef naar aanleiding van het juridische getouwtrek over het gestrande jongetje Elián González, of in dat over Mexico, waarin hij de guerrillabeweging in Chiapas op de korrel neemt, speelt een sterk vereenvoudigde voorstelling van zaken de auteur parten. Blijkbaar gelooft hij nog altijd dat het volstaat het kapitalisme tot in de verste uithoeken van de wereld te verspreiden om welvaart te brengen. Met veel zin voor demagogie stelt hij bovendien dat de armen uit hun frustratie wel de nodige energie zullen putten om zich te ontwikkelen. De Argentijnen hebben de 'heilzame' werking van ongebreidelde privatisering en de zelfregulerende kracht van de markt intussen aan den lijve ondervonden.

Veel overtuigender is Vargas Llosa wanneer hij schrijft over wat hij het beste kent, namelijk kunst in haar meest diverse verschijningsvormen. Of hij het nu over Monets vernieuwingselan in de schilderkunst heeft, over de paradoxale lotgevallen van 'Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny', de bekende opera van Brecht en Weil of over tegenstrijdige facetten van Kavafis' poëzie, zijn inzichten zijn steevast verfrissend. Het hilarische stuk 'Olifantenpoep', waarin de auteur de draakt steekt met de sensatiezucht van veel hedendaagse beeldende kunstenaars, toont aan dat hij ook op dit vlak de polemiek niet schuwt. Al overdrijft hij vaak schromelijk, het siert Vargas Llosa dat hij trends doorprikt en zich niets aantrekt van de oekazen van de 'politieke correctheid'.

Nu en dan echter wordt de auteur het slachtoffer van zijn eigen retorische virtuositeit. Op die momenten ondergaat de lezer het effect dat Vargas Llosa zo treffend verwoordt in zijn portret van Hans Magnus Enzensberger: ,,Wanneer de intelligentie van een schrijver zich zo briljant ontplooit als in de essays van Enzensberger en zo goed de voorbeelden kiest ter ondersteuning van stellingen die ze op een zo samenhangende manier ontwikkelt, koopt ze de lezers om, verzwakt hun kritisch vermogen en maakt dat zij de meest fantastische beweringen voor waar aannemen.' Vargas Llosa heeft hier ook een handje van... Daarom is hij mij eigenlijk het liefst wanneer hij zijn stelligheid laat varen en zijn twijfelt toegeeft (zoals in zijn opiniestuk over Roemenië), wanneer hij persoonlijke herinneringen ophaalt aan, onder andere, de vele uren die hij in de inmiddels ontruimde Reading Room van het British Museum heeft doorgebracht, of zijn begenadigde pen ten dienste stelt van weerloze slachtoffers als de Gambiaanse Fataumata, die nog maar eens voor haar leven moest rennen, toen haar huis in een Catalaans dorp bij een racistische aanslag in brand werd gestoken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden