Review

Kankerend op uw wervelkolom

Zeven dichtbundels heeft Frank Koenegracht geschreven en die zijn nu bijeengebracht in de verzamelbundel 'Vroege sneeuw. Gedichten 1971-2003'. Een veelschrijver is hij niet, maar hij is wel een graag in de marge opererende, enigszins onaangepaste en kritische origineel. Hij is psychiater van beroep en heeft eens gezegd: 'De psychiatrie is de poëzie van de geneeskunst'. Een typerende, 'onaangepaste' uitspraak, waarmee hij zijn specialisme positief wenst te positioneren tegenover de rest van de geneeskunst.

Peter de Boer

Ook in zijn gedichten gebeurt dat. Zo noemt hij artsen ergens: de 'nieuwe inquisitie', lieden die 'goochem van gouddorst' zijn. In het drieluik 'In het ziekenhuis', een absurdistisch-satirisch geheel met slapstick-achtige elementen, introduceert hij een dokter met de weinig flatteuze woorden: ,,Hij lachte nooit. Soms, als iets / geestig was hoorde je een gesis. // Hij spreidde daarbij armen en benen uit / en sprong op, maar lachen was dat niet''.

Koenegracht is een liefhebber van het troostrijke, vervreemdende contrast. In bedrieglijk eenvoudige taal creëert hij een harde werkelijkheid die vervolgens overvloeit in een andere werkelijkheid: die van het surreële, de droom, het sprookjesachtige of het absurdisme. Een mooi voorbeeld is het tweeluik 'Twee secties', met name het tweede gedicht, waarin sectie wordt gepleegd op het lichaam van een vrouw:

'Lieve mevrouw, dit is

de dood niet deze ongeschoren

ploeteraar met beitels, zijn

bril tussen zijn tanden van

inspanning, kankerend op uw

wervelkolom, deze vieze en

verveelde lezer van ingewanden.

De dood

is een wit onzinkbaar schip

dat luistert naar muziek.'

Strofe 1 toont de harde werkelijkheid: een lijk op de snijtafel met een verveeld snijdende en kankerende dokter erboven. Strofe 2 is de sprookjesachtige of surreële tegenhanger en plaatst de dood in een luisterlijk perspectief.

Een voorbeeld van contrastrijk absurdisme is het titelgedicht 'Vroege sneeuw'. De titel doet een idylle vermoeden, maar in werkelijkheid staat hier een man voor het vuurpeloton op zijn executie te wachten!

Hierop volgt echter een contrast in een contrast. In plaats van te schieten stellen de soldaten de man vragen als: ,,waarom doe je ons dit aan, // waar hebben we dit aan verdiend, / denk je dan alleen maar aan jezelf / en: wat is er toch aan de hand''. De generaal begint zich ermee te bemoeien en stort zich ,,van wanhoop // en woede zo'n beetje op de grond''. Uiteindelijk redt de kapitein deze dwaze situatie met een al even dwaze smoes: ,,Kom heren dit was een kostelijke grap / maar laten we nu weggaan het wordt immers / al donker, kijk: de eerste sneeuw.'' Pas in de slotregel wordt de idyllische titel weerspiegeld; daartussenin stapelt het gedicht absurditeit op absurditeit.

Zijn dit wonderlijke en goede gedichten of niet? Veel ervan richten zich tegen beslotenheid, aangepastheid, benepenheid. Zij zoeken vrijheid, ontstijging, ruimte: ,,Terwijl de zeezwaluwen buiten / niet zweven maar springen lucht in lucht uit''. Ze bevatten fraaie oneliners: 'Wie zo zichzelf zoekt valt uiteen', of: 'Men moet tegen tranen vechten of ervoor'. De beeldspraak is meestal subliem. Van een menselijk kadaver waarvan nog slechts de romp over is, uiteraard in de snijzaal weer, heet het: ,,Zo is op de tafel gezonken / de oude bark van ribben''. En bij Koenegracht eindigen we onze aardse reis niet onder de groene zoden, maar 'onder de zuurstofdolkjes van het gras'.

Ik zie weinig verschil tussen het vroegere en latere werk van deze dichter. Hij blijft heen en weer pendelen tussen verschillende werkelijkheden over de as van onder meer het surreële, ongerijmde en burleske. Hij blijft zich afzetten tegen de aangepasten, 'de gedwee aaneengesmede zielen': zij dragen, dixit de dichter, geen revolvers, 'maar een bos peen uit hun reet'. Het contrast en de paradox blijven zijn werk tot het einde toe beheersen: ,,Paradox met paradox en paradox ertussen / zal jullie maaltijd zijn''.

Een vroege cyclus als 'De ballade van de idioten' is in zijn soort niet wezenlijk anders en minder aangrijpend dan de prachtige cyclus 'Vadertje zoetwatergids', dat herinneringen aan de overleden vader bevat, uit zijn laatste bundel 'Alles valt'. Uit laatstgenoemde cyclus komt dit ontluisterende en ontroerende portretje: ,,Dus dit is mijn vader. / Traag genoeg en zorgeloos beveiligd / met een broek van achtenveertig gulden aan / die ter hoogte van zijn tieten onknoeibaar hoog / en ondragelijk licht is opgehesen.'' Dat 'zorgeloos' zal hier wel een negatieve connotatie hebben!

Ik wil nog één kort gedicht citeren omdat daarin op laconieke toon het absurde, zwart-humoristische en een zekere onderkoelde woede aaneengeklonken zijn: alweer zo'n typisch Koenegrachtse taal- en gevoelslegering. Het geeft een gesprek weer van twee psychiaters over een groep patiënten:

'Eigenlijk moeten ze teruggeplaatst worden,

maar daar zijn ze te goed voor,

bovendien is er eigenlijk geen plaats

voor een terugplaatsing.

Ja. Maar we kunnen ze toch moeilijk

vooruitplaatsen.'

Twee keer 'eigenlijk': het impliceert het armoedige onvermogen om goede zorg te (willen) leveren. Maar als je Koenegracht heet, maak je van die opvatting zo'n complex absurdistisch taalspel als hierboven. Met dit soort gedichten neemt hij toch een bijzondere plaats in in onze moderne poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden