Review

Jurjen Beumer laat oude meesters solo zingen

Zo de ouden zongen - leraar en leerling zijn in de theologiebeoefening (1945-2000) uitg. Ten Have, Baarn; 237 pag.

Berkhof en Breukelman, Halkes en Heering: de eerste vier hoofdstukken - alfabetisch gerangschikt - geven al meteen de rijkdom en de wijdte die de vaderlandse godgeleerdheid in deze halve eeuw heeft opgeleverd. We ontmoeten verder de oude Noordmans, Van Ruler en Miskotte, Schillebeeckx en Schoonenberg en nog enkelen - en omdat allen het op hun beurt ook maar weer ontvangen hebben roept de ene naam de andere op en het verbaast dan ook dat er geen register is toegevoegd. Dan was in één oogopslag bijvoorbeeld te zien geweest hoe vaak bij de diverse (protestantse) meesters Karl Barth opdraaft, voor de een (Heering) als een ramp voor de theologie, voor anderen juist de grote kerkvader van deze eeuw - terwijl hij voor de katholieken volstrekt quantité négligeable is.

Boeiende portretten, maar wel vooral afgestemd op studenten, die in deze tijd van universitair jagen en jachten voor Noordmans eerder naar een essay van 20 pagina's zullen grijpen dan naar de treurig dikke delen van diens verzameld werk.

Eruit springen de hoofdstukken over Frans Breukelman en Tine Halkes. Daar vind ik tot mijn plezier echt iets van de ongegeneerde liefde van leerling tot meester. Rinse Reeling Brouwer en Annelies van Heijst leveren heel degelijk werk in de weergave van persoon en werk van hun meester(es), maar er zit nog die extra gloed en warmte in. Een verschil: Reeling Brouwer heeft een geestelijke vader die dood is en met wie hij destijds en nu ook overhoop ligt; Van Heijst heeft haar kerkmoeder nog steeds binnen handbereik, niet als één zang, maar wel volop samen van de partij. Dat is een andere situatie en dat komt er in die twee hoofdstukken aardig uit.

Brekebeen

Beumer heeft gezien dat zoiets menselijks als theologiegeschiedenis heel goed, beter, aan de gezichten van concrete mensen kan worden getekend. Ik noem twee thema's die eigenlijk elke leerling op eigen wijze is tegengekomen bij het bewerken van de ontvangen erfenis. Hun meester stond kritisch tegenover de kerk, haar orde, macht, denksystemen en zocht deze meer of minder heftig te bekeren. De jonge generatie theologen staat in een machteloze kerk, een brekebeen, aan de rand van de samenleving. Zij hebben te maken met studenten die van hun gezond niet weten en die nog nooit last hebben gehad van kerk of geloof.

De meesters overzagen nog het hele corpus van Schrift, belijdenis en waarheid, het Grote Verhaal van de christelijke traditie. De jongen piepen wel anders. Zoals Erik Borgman schrijft, toegewijd leerling van Schillebeeckx, de man die van die ontzettend dikke alomvattende boeken heeft geschreven: “Ik probeer een theologie te ontwikkelen die even diep in de cultuur is verworteld en even breed met haar in discussie gaat als die van Schillebeeckx, maar die in plaats van het in beginsel omvattende systematische betoog het bewust-fragmentarische en kwetsbare essay als voertuig kiest.”

Jammer genoeg blijft het tiental koppels elk solozingen. Ik had de jonge doctores voor de gelegenheid ook graag eens met elkaar 'in dialoog' gezien - in hoeverre is er van deze halve eeuw theologie, printed in Holland, samen een voor het jaar 2000 houdbare chocola te maken - postmodernisme, secularisatie, fragmentarisering ten spijt.

Twee opmerkingen over Beumers selectie. Eentje hoorde er niet in thuis, nog niet. En dat is Kuitert, die gisteren het boek presenteerde. Meesters zijn dood of in elk geval hoogbedaagd, 75 minstens, liever nog 80 plus, een afgerond leven, ook als ze de zaken nog alert blijven volgen. Zij staan toch op een andere wijze in het vertoog, buiten mededinging, zien toe van andere hoogte. Kuitert hoort niet bij 'de ouden', maar doet gewoon nog volop mee in de strijd, je mag hem nog achter het behang plakken als je kunt en durft. Ik had hem graag ingeruild gezien voor een katholiek (vanwege het evenwicht), bijvoorbeeld voor Klaas Steur of Han Fortmann.

Tine Halkes is natuurlijk ook nog aan de jeugdige kant, maar Beumer is terecht voor de verleiding bezweken om een (katholieke!) schoolmakende vrouw op te nemen.

Voor velen een tamelijk onbekende zal de karmeliet Jan Peters zijn. Maar deze meester op het terrein van spiritualiteit en mystiek zorgt via de pen van Frans Maas voor een breedte en diepte, die bij de hoogte van de intellectuele theologie licht zoek raakt.

Schoenen uit

In zijn slotmeditatie doet Beumer geen poging alles te evalueren of aan elkaar te rijmen. Hij schetst slechts voorzichtig zijn persoonlijke theologische agenda. Daarin is veel ruimte, ook voor de 'evangelicalen' en new-agers, die verder in het boek niet in beeld komen. Hij ziet bij hen ondanks henzelf veel overeenkomsten en deels is hij daar wars van. Ze weten volgens hem de dingen te zeker; het grote heimwee wordt bij hen ingevuld, opgelost. Beumer pleit voor een 'heilig halt', een 'doe de schoenen van je voeten'; hij voelt zich lijfelijk aanwezig op het kruispunt van de weg naar het alomvattende en de weg van de leegte, laverend tussen “holisme en postmodernisme” en soms daartussen verdwalend. Om te eindigen met die paar regels van Rutger Kopland: Die dagen met jou G, ze smaakten heel hevig / naar weinig, als de dag van een uitgesteld afscheid . . . De school van het jaar 2000 leert ons die G vooral niet in vette blokletters in te vullen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden