InterviewJudith Visser

Judith Visser groeide op met autisme: ‘Ik ben de gelukkigste kluizenaar ter ­wereld’

Judith Visser: ‘Het vreemde is, mensen laten mij. Ik ben ook nooit gepest, terwijl ik best wel raar was.’Beeld Jildiz Kaptein

In haar nieuwe autobiografische roman ‘Zondagsleven’ vertelt Judith Visser op invoelbare en eerlijke wijze over leven met autisme.

Yuriko gaat met haar mee als ze lezingen geeft voor volwas­senen, Fontana ­begeleidt haar naar middelbare scholen. Wie Judith Visser via de Schrijvers­centrale boekt voor een optreden weet dat ook. Het staat letterlijk in haar contract: ‘Judith wordt vergezeld door haar hond’. Visser (42): “Zonder hond kom ik niet. We zijn een package deal.”

Als we elkaar in Rockanje ontmoeten voor dit ­gesprek zijn ze er allebei. Het is even wennen, voor alle partijen. Maar nadat is gebleken dat dier noch bezoek iets kwaads in de zin heeft, worden de honden rustig en voelt, ietwat tot haar eigen verbazing, ook de verslaggeefster zich op haar gemak.

Wolfhonden zijn het, zonder ‘s’. Visser, een frêle vrouw met een vriendelijke uitstraling, wordt weleens moe om het verschil uit te leggen. Een wolfshond is een hond die gefokt is voor de jacht op wolven. Een heel ander dier dus dan een wolfhond, die deels wolf, deels hond is.

Yuriko en Fontana zijn, het is bepaald een under­statement, belangrijk voor haar. Het zijn haar beste vrienden, die haar in balans houden, in een goed humeur en in beweging. Om te voorkomen dat de honden zich gaan vervelen – niet zo goed voor het interieur – loopt Visser dagelijks kilometers in de duinen, langs het strand en door de bossen bij haar in de buurt. “En op een gegeven moment ga ik dan met mijn rug tegen een boom ­zitten schrijven. In een schriftje. Terwijl de honden om me heen lekker scharrelen en schooien.”

Ook in het deze maand verschenen Zondagsleven spelen honden van diverse pluimage een rol. Het is ­Vissers dertiende boek en, net als Zondagskind (2018), een autobiografische roman over leven met autisme. Hoofdpersoon is niet Judith Visser, maar Jasmijn Vink, die niet exact hetzelfde beleeft als haar bedenker, maar wel vergelijkbare ervaringen heeft. Twee zeer leesbare boeken, die leven met autisme invoelbaar maken. Twee boeken ook waarvan Visser vijftien jaar geleden, toen haar schrijverscarrière zo’n beetje begon, niet had ­voorzien dat ze die ooit zou schrijven.

U maakte aanvankelijk naam als thrillerauteur

“Dat vergeet ik liever.”

Hoezo?

“We zijn allemaal ergens begonnen, maar om nou te zeggen: iedereen moet dat lezen? Nee. Ik heb dat eerdere werk hier niet in huis staan, ik lees er ook niet uit voor. Al mijn thrillers waren een beetje over-the-edge. En daar was ik op een gegeven moment helemaal klaar mee. De omslag kwam toen mijn moeder overleed. Ik dacht: ik wil niet alleen maar boeken schrijven vol spanning en sensatie, boeken waar mensen misschien een paar dagen lol aan beleven, maar verder nooit meer aan terugdenken. Ik wil boeken schrijven die voor mensen iets betekenen. En dat gebeurde bij Zondagskind. Ik krijg nog steeds e-mails van mensen die zeggen dat ze er veel aan hebben gehad. En dat is heel veel waard.” 

Een rechte lijn van de wens betekenisvol te zijn naar Zondagskind loopt er echter ook weer niet. Visser mocht dan, met haar enorme afkeer van geluid en drukte, haar moeite het gedrag van anderen te interpreteren, haar ­behoefte alleen te zijn, al lang het gevoel hebben ‘anders’ te zijn, pas in 2014 kreeg dat gevoel een officiële naam. “Ik wilde mijn rijbewijs halen, heb eindeloos ­lessen gehad. Al mijn spaargeld is er aan opgegaan, maar het lukte niet. Overprikkeling weet ik nu, toen had ik er geen woord voor. Op aanraden van mijn instructeur heb ik me laten onderzoeken. Autisme was de diagnose. Voor mijzelf maakte dat eigenlijk niet veel uit. Ik was 36, ik had mijn leven al zo ingericht dat ik er mee om kon gaan. Maar andere mensen waren wel geïnteresseerd. Ik ben lezingen gaan geven en dan werd me steeds gevraagd: ga je er een boek over schrijven? Ik heb het lang afgehouden. Wie zit er op mijn verhaal te wachten, vroeg ik me af.”

Maar u bent toch gezwicht.

“Misschien kan ik er anderen mee helpen, dacht ik. En het was voor mezelf prettig om alles op een rijtje te zetten. Als je terugkijkt, zie je meer het grotere geheel dan wanneer je er midden inzit. Dan begrijp je beter waarom je bepaalde dingen deed. Het was wel moeilijk om eerlijk te blijven. Het was verleidelijk om te denken: ik schrijf het net iets anders op, want het zou prettiger zijn geweest als ik zo-en-zo had gereageerd.”

Zoals in dat fragment in Zondagsleven waar ­Jasmijn door haar vader naar Duitsland wordt ­gereden en ze dan, na een rit van acht uur, op de parkeerplaats van het hotel uitstapt en tegen hem zegt: ik zie je over een paar dagen wel weer. Niet echt aardig, denk je als lezer.

Lachend: “Wat een kutwijf, denk je”. Serieus: “Ja, dat snap ik. Maar als je niet eerlijk bent, kun je zo’n boek beter niet schrijven. Dan had ik het net zo goed bij thrillers kunnen houden. In Zondagsleven speelt die scène zich af in Duitsland, in werkelijkheid gebeurde het ergens anders. Maar, net als Jasmijn in het boek, kreeg ik wel dezelfde dag het inzicht dat wat ik had gedaan niet aardig was. Elke dag leer je. En dat betekent dat je het de volgende keer anders kunt doen, al lukt het niet altijd. Wat helpt is dat ik tegen mijn vader kan zeggen: ‘pa, je weet dat ik je graag zie, maar ik ben soms zo moe, dat ik gewoon niets meer kan hebben’, ook mijn eigen vader niet. En mijn vader zegt dan: ‘joh, ik ken jou toch’. En dan is het goed. Maar het is een lelijke kant, ja. Ik heb het ook met mijn eigen man. Door corona moest hij veel thuiswerken en dat trok ik niet. Nu is hij voor mij een ­tiny house aan het bouwen in de tuin, met een keukentje en een wc, zodat ik daar kan zitten. Ook al hou je van iemand, soms is het gewoon too much.”

Beeld Jildiz Kaptein

Is het vervelend om nu vooral gezien te worden als ‘schrijver met autisme’?

“Nee, ik vind het eigenlijk wel fijn. Dat het in interviews vaak daarover gaat, vind ik niet erg. Dan had ik het maar geheim moeten houden. En ik vind het prettig om vooroordelen weg te kunnen nemen. Mensen hebben vaak een raar beeld van autisme: dat je heel gesloten bent of kil. Maar dat is niet zo.”

En dat iemand met autisme zich niet in anderen zou kunnen verplaatsen, geen empathisch vermogen heeft?

“Dat is echt een misverstand. Ik kan mij heel goed verplaatsen in anderen. Het gaat misschien niet van nature, maar ik herinner me er zelf wel voortdurend aan. En als je het jezelf moet aanleren, kun je het vergelijken met een spier die je steeds opnieuw moet trainen. Die wordt dan veel sterker dan een spier die alleen uit een reflex reageert. Misschien ben ik wel beter geworden in me in anderen te verplaatsen dan iemand die met dat vermogen is geboren. Want als je ermee geboren bent, hoef je het niet voortdurend te trainen en laat je het makkelijk verslonzen.

“Ik heb altijd veel gelezen, ik heb het mezelf geleerd toen ik drie was. En door te lezen kom je in contact met heel veel mensen. Je leeft mee met mensen die je zelf niet bent. Ik las Angela’s Ashes (over een straatarm Iers gezin, red.); de luizen, de kinderen die samen in één bed slapen: ik had zo met ze te doen. Ik las een boek over concentratiekampen en ik kreeg kippevel toen ik daarna ergens prikkeldraad zag. Lezen is één grote oefening in empathisch vermogen. En voor schrijven geldt hetzelfde.”

Wat leest u nu?

Ik ben bezig met Nicholas Evans, The Loop, dat gaat over de terugkeer van wolven in de Verenigde Staten. En ik lees Jozef en zijn broers van Thomas Mann. En via ­Storytel luister ik naar Viktor van Judith Fanto. Een heel mooi boek over de Joodse identiteit en van wie nu eigenlijk de Holocaust is. Engelstalige romans hebben mijn voorkeur, coming-of-age en de Tweede Wereldoorlog zijn mijn favoriete genres. Ik lees geen thrillers, nooit gedaan ook. Ik hou er niet van, heel raar eigenlijk.”

U komt niet uit een omgeving waarin boeken lezen vanzelfsprekend was.

“Mijn moeder las wel, kasteelromans, die heb ik als meisje van tien ook gelezen. Dat sprak wel tot mijn romantische verbeelding, maar literatuur? Nee. Mijn vader was postbode, hij is op zijn twaalfde van school gegaan. Mijn moeder was huisvrouw en is later bij Blokker gaan werken. En mijn broer is vrachtwagenchauffeur. Een heel ander milieu dan waarin Judith uit het boek van Fanto opgroeit. Daar heeft iedereen universiteit gedaan, er wordt naar klassieke muziek geluisterd. En dat niet ­alleen: er wordt ook over gediscussieerd, de negende sympfonie enzo. Daar had ik tegen mijn ouders echt niet over hoeven te beginnen. Maar door te lezen heb ik ­mezelf ontwikkeld.”

Op school bleef dat echter nogal onopgemerkt. U ging naar het vmbo, haalde tienen voor Nederlands en Engels en verder hoofdzakelijk onvoldoendes. Maar er was niemand die aan de bel trok?

“Autisme was toen nog niet zo bekend. Ik spijbelde veel, in plaats van naar school ging ik naar de bibliotheek. Er was een klassenboek, dus dat moet zijn opgemerkt. Maar misschien voelden docenten dat ze me met rust moesten laten. Het vreemde is; mensen laten mij. Ik ben ook nooit gepest, terwijl ik best wel raar was, een vreemd kind, dat anderen niet aan durfde te kijken, ­amper iets zei. Ik hing altijd achter mijn haar zodat ze mijn gezicht niet zouden zien.

“Schrijven is mijn grote redding geweest. Ik was er goed in, heb er mijn werk van kunnen maken en zo voor mezelf een veilige wereld kunnen creëren. Voor mij als autist is schrijver zijn het ideale beroep. Ik hoef bijna nooit mensen te zien en ben 24 uur per dag met mijn wolfhonden. Ik ben de gelukkigste kluizenaar ter ­wereld.”

Wordt uw volgende boek weer autobiografisch?

“Mijn nieuwe boek wordt het boek waar ik al mijn hele leven naar toe heb gewerkt en waar ik nu rijp voor ben. Vier jaar geleden had ik het niet gekund, nu durf ik het aan. Ik ben bezig met onderzoek, in november begin ik met schrijven. Er komt alles in samen; mijn liefde voor wolven en voor Rockanje, mijn fascinatie met de Tweede Wereldoorlog, Rotterdam – waar ik ben opgegroeid. Veel meer wil ik er niet over zeggen, anders gaat iemand die veel sneller kan schrijven dan ik, ermee aan de haal. Dat is een grapje hoor. Aan de andere kant; als er iemand kan schrijven over wolven, dan ben ik het.” 

Fulltime schrijver

Judith Visser (1978, Rotterdam) deed het vmbo in Rotterdam, werkte een aantal jaar als receptioniste en werd daarna fulltime schrijver. Ze debuteerde in 2006 met Tegengif. De thriller Stuk, verschenen in 2008, werd genomineerd voor de Gouden Strop en in 2013 verfilmd onder de titel ‘Stuk!’.

Volgens haarzelf is ze als schrijver echt ‘begonnen’ met de in 2016 verschenen roman In seizoenen. Twee jaar later kwam Zondagskind, een autobiografisch boek over opgroeien met autisme. De opvolger Zondagsleven verscheen begin deze maand.

Judith Visser
Zondagsleven - Liefde in tijden van autisme
HarperCollins; 464 blz. € 21,99

Lees ook:

Romana Vrede zou het haar autistische zoon zo graag vragen: Lieve Charlie, doe ik het goed? Ben je gelukkig?

Als het goed is maakt actrice Romana Vrede niet mee hoe haar autistische zoon Charlie sterft. Juist daarom maakt ze zich er zorgen over. Ze schreef het boek ‘De nobele autist’ om hem erop voor te bereiden. ‘Ik denk vaak: hoe moet het met jou verder als ik er niet meer ben?’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden