Review

JUAN RULFO BETOVERT DE TIJD

Juan Rulfo: Verzameld werk. Vert. J. Lechner en Mariolein Sabarte Belacortu. Meulenhoff, Amsterdam; gebonden, 525 blz. - ¿ 100.

ILSE LOGIE

In het pas verschenen en bijzonder fraai uitgevoerde 'Verzameld werk' zijn tweehonderd bladzijden niet eerder gepubliceerd materiaal opgenomen. Nieuw voor de lezer zijn de novelle 'De gouden haan', nagelaten fragmenten van de roman 'La cordillera' en een aantal korte verhalen en filmteksten die door Mariolein Sabarte Belacortu voor het 'Verzameld werk' zijn vertaald.

Tot op vandaag blijft Rulfo echter in de eerste plaats de auteur van de nauwelijks honderdvijftig bladzijden tellende roman 'Pedro Páramo'. Dit kleinood werd geschreven op het snijpunt van een vastgelopen streekliteratuur en de bruisende vernieuwing van de romanvorm, die de geschiedenis zou ingaan als 'nueva novela latinoamericana'.

Dit boek staat, nu nog meer dan bij de verschijning ervan, haaks op het leef- en leesritme van de doorsnee lezer. Het dient zich immers aan als een overhoopgehaalde verzameling raadselachtige prentkaarten, die echter geenszins lijdt aan de opzichtige constructiemanie waar andere Latijns-Amerikaanse auteurs zich wel eens aan bezondigden. Zowel wat de structuur als de stijl van 'Pedro Páramo' betreft, valt vooral Rulfo's poëtische minimalisme op, dat helemaal rond het trefzekere beeld is opgebouwd.

Rulfo's personages zijn al even kort van stof als de auteur zelf. Het zijn in hoofdzaak stugge boeren en arme mestiezen uit Jalisco, waar het bestaan toentertijd neerkwam op een bij voorbaat verloren strijd met de onvruchtbare grond en de verzengende hitte. In 'Pedro Páramo' laat Rulfo zien dat het geduld en het zelfrespect van deze Mexicanen ook nog door een andere gesel, het despotisme van de lokale heersers - in casu Pedro Páramo, die met onvervalst cynisme de plak zwaait in het dorp Comala -, op de proef wordt gesteld.

Rulfo laat zijn mensen in hun eigen, zij het door hem gestileerde volkstaal aan het woord, zonder te vervallen in opzettelijke couleur locale. Een reconstructie van de verbrokkelde en in een ritueel tijdschema gevatte plot doet Rulfo's originele schepping ongetwijfeld onrecht aan. Een dergelijke kunstgreep, die we gemakshalve toch maar hebben uitgevoerd, brengt aan het licht dat 'Pedro Páramo' uiteenvalt in twee delen, en dat het tweede chronologisch aan het eerste voorafgaat.

De jongeman Juan Preciado, een natuurlijke zoon van Pedro Páramo, onderneemt na de dood van zijn moeder een pelgrimstocht op zoek naar zijn wortels. Deze tocht voert hem naar het dorp Comala, waaruit hij indertijd samen met zijn moeder door Pedro werd verdreven. Een modern Telemachus-verhaal dus, dat tegelijk een zoektocht naar het verloren paradijs betekent, en dit op uitdrukkelijk aandringen van de moederfiguur. Voortdurend spelen flarden herinneringen aan zijn moeders idyllische beschrijvingen dan ook door Juans hoofd. Ze krijgen in de roman een aparte typografie, en in combinatie met de functionele afwisseling van vertelstandpunten bezorgen ze 'Pedro Páramo' de aanblik van een lappendeken van stemmen en citaten.

Juan heeft zich volgezogen met mythische beelden als het volgende: “Iedere ochtend, in de vroegte, trilt het dorp door de karren die voorbijkomen. Ze komen uit alle richtingen, hoog opgeladen met salpeter, maïskolven en pará-gras. De karren trillen en de mensen worden wakker door het geknars van de wielen. Het is dezelfde tijd waarop de ovens opengaan en het dorp ruikt naar vers brood.”

De karren die Juan voorbij ziet rijden zijn lege karren “die de stilte onder hun wielen fijnmaalden”. Alle leven lijkt uit Comala te zijn weggeëbd. De ezeldrijver Abundio, die de klassieke Charon-functie vervult en eveneens - zoals trouwens de meeste kinderen uit Comala - een zoon van Pedro Páramo blijkt te zijn, had hem er nochtans voor gewaarschuwd dat het dorp intussen leeggelopen was en Pedro Páramo allang dood.

Toch trekt Juan erheen, en de halfwakkere toestand waarin hij uiteindelijk in Comala aankomt, maakt bij hem hallucinaties los, bevreemdende kennismakingen met dorpsbewoners die al even onverwacht opdoemen als ze weer verdwijnen. Zo constateert Juan ineens, terwijl hij met een toevallige voorbijgangster praat, dat “haar gezicht van was leek, alsof er geen bloed door stroomde, en dat haar handen verwelkt waren. Verwelkt en doorgroefd. Haar ogen waren niet te zien”.

Verzonken in het web van zijn dromen dwaalt Juan door het vervallen dorp, dat bevolkt lijkt door echo's die in de holten van de muren zijn opgesloten of onder de vloerstenen zijn verzonken. Hij hoort stappen, gekraak, gelach en geluidloze stemmen. Halverwege de roman sterft de verteller ten slotte zelf, hij stikt letterlijk in de overweldigende hoeveelheid schimmen, hoewel de auteur hier en daar laat doorschemeren dat Juan eigenlijk al die tijd al niet meer tot de levenden behoorde.

In wat deel twee genoemd kan worden, beweegt Juan zich niet langer als een hedendaagse Orfeus door de onderwereld, maar verstrekt hij ons allerlei gegevens over de omgang tussen de dorpelingen. Het wordt de lezer pas nu geheel duidelijk dat Juan zich van meet af aan niet tot hem had gericht - een illusie die op grond van de samenzweerderige toon in het eerste deel was ontstaan - maar tot Dorotea, een dorpsvrouw die samen met hem begraven ligt. Op alle niveaus vindt vanaf deze sleutelscène een omslag in het verhaal plaats, een metamorfose die alle informatie in een geheel nieuw daglicht plaatst.

In dit tweede deel halen Juan en Dorotea herinneringen op die nog een stuk verder teruggaan en die doortrokken zijn van de gewelddadige sfeer van de revolutie (ruwweg 1910-1920) en haar nadagen. Hierbij baseren beide personages zich op eigen ervaringen, maar veelal ook op mondelinge bronnen die her en der door de tekst heen gevlochten zijn. Er wordt in dit stadium ook een wat genuanceerder portret geschetst van Pedro Páramo, een personage dat opvallend veel gelijkenissen vertoont met Carlos Fuentes' latere Artemio Cruz.

Behalve als een hatelijke en geldzuchtige despoot wordt Pedro ons hier voorgesteld als een gekwetste vader en een gepassioneerde minnaar. Zijn grenzeloze liefde voor het wonderlijke meisje Susana San Juan doorbreekt voor het eerst het zwaar machistische man-vrouwstramien dat tot dan toe Pedro's leven had beheerst. Bij Susana's dood grieft het gebrek aan medeleven van het dorp Pedro zo diep, dat hij zich uit wraak voorneemt Comala van alle verdere levenskansen af te snijden. En hij houdt woord.

Voorts neemt hij het besluit zijn herinneringen angstvallig te verdringen, uit vrees dat de ene de andere met zich mee zou brengen en omdat hij nu eenmaal “een tot barstens toe gevulde baal maïs was”, die bij de minste verzwakking zou openscheuren en “waarvan hij dan de korrels zou moeten trachten tegen te houden”.

Rulfo is erin geslaagd 'Pedro Páramo' aan de wisselende, eindige tijd van de geschiedenis te onttrekken door die als het ware te betoveren. Te oordelen naar het volume van dit 'Verzameld werk' valt de auteur enkel te verwijten dat hij zijn principe van de schaarste té niets ontziend opvatte: na 'De vlakte in vlammen' en 'Pedro Páramo' overleefden immers slechts een paar verhalen de laconieke onverbiddelijkheid waarmee Rulfo al wat hij schreef te lijf ging. En dat is jammer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden