Levenslessen

Journalist Sinan Can zou best burgemeester van Nijmegen willen zijn

Sinan Can Beeld Merlijn Doomernik

De Turks-Nederlandse journalist Sinan Can (41) maakte een tv-serie over Saudi-Arabië en doet begin volgend jaar mee aan ‘Wie is de Mol?’. Hij woont nog steeds in de Nijmeegse wijk Bottendaal waar hij geboren werd. ‘Ik wil iets terugdoen voor mijn stad.’

1. Hou vertrouwen in de mensheid

“Vroeger wilde ik arts worden: kinderen helpen in Afrika. Later dacht ik aan geschiedenis studeren, mijn lievelingsvak, maar uiteindelijk koos ik voor iets wat aansloot bij mijn maatschappelijke betrokkenheid: journalistiek. Zo wilde ik de macht controleren en misstanden aan de kaak stellen. Dat paste bij mijn idealistische opvoeding: mijn jongere broertje en mij werd geleerd dat iedereen een kleine bijdrage kan leveren aan een betere en rechtvaardige wereld.

Mijn ouders, die allebei een lintje hebben gekregen voor dertig jaar vrijwilligerswerk, geloven in de goedheid van de mens: het zijn de omstandigheden die iemand slecht maken. Vroeger vond ik dat heel naïef, nu denk ik: misschien is het goed om zo te leven, want dan raak je niet verbitterd, verlies je niet helemaal je vertrouwen in de mensheid. Makkelijk is dat niet, want er is weinig vooruitgang in de beschaving.

Toen ik voor een documentaireserie door IS-gebied reisde, was ik bijna vier weken depressief. Alles was er kapot en ellendig, je verzoop in het verdriet. Ik ontmoette een vader die drie kinderen had verloren en de wereld in brand wilde steken. Vanuit zijn perspectief snapte ik dat. Toch zijn er ook op de meest duistere plekken van de wereld lichtpuntjes: ik kom uiteindelijk altijd mensen tegen die zich verzetten, die compassie hebben of mij een hoopvol verhaal geven.”

2. Ook babystapjes zijn belangrijk

“Dit jaar heb ik voor een nieuwe documentairereeks door Saudi-Arabië gereisd. Je kunt daar heel pessimistisch worden: het is slecht gesteld met de mensenrechten, er zijn vijftien vrouwelijke activisten gearresteerd, van wie een aantal de doodstraf krijgt, alleen omdat ze gelijkwaardigheid eisen. De verschrikkelijke oorlog in Jemen, met dagelijks kinderen die doodgaan. Vooral sinds de moord op journalist Khashoggi is er angst: mensen kunnen niet in vrijheid praten, je mag geen kritiek op het koningshuis hebben.

De laatste keer dat we er waren, afgelopen oktober, reisden we onder hoogspanning. De stemming was heel anders dan begin dit jaar. Een cartoonist die ons bij een eerdere ontmoeting vertelde over persvrijheid en censuur in zijn land, zei dat hij dat interview nu niet meer zou durven geven. Toch zijn er, hoe gek het ook klinkt, positieve veranderingen. De hervormingen voor vrouwen zijn een voorzichtig begin. Ze mogen nu autorijden, zelf naar de bioscoop. Je kunt smalend doen, maar in dit conservatieve land, waar vrouwen mijlenver achterlopen op mannen, zijn zulke babystapjes heel belangrijk. We kwamen prachtige vrouwen tegen, die strijden voor elke centimeter vrijheid, de gesprekken met hen ontroerden mij.”

3. Doe iets terug voor een warm welkom

“Ik geloof in de kracht van verhalen: we begrijpen elkaar beter als we elkaars vreugde en verdriet begrijpen. Ik maak reportages om die verhalen te verzamelen en de huiskamer in te laten stralen. Tegelijk besef ik: ik heb makkelijk praten, ik woon in het vredige Nederland en heb een fantastische jeugd gehad. Ik ben opgegroeid in een liefdevol gastarbeidersgezin. Mijn opa van vaderskant was begin jaren zestig de eerste in de familie die naar Nederland kwam. Hij was een landheer die in Erzincan, in het oosten van Turkije, grote stukken land bezat, maar bij gebrek aan mensen die voor hem werkten, is hij naar Europa gekomen. 

Hier vond hij een baan in de metaalindustrie: een grote stap voor iemand die nooit echt hard had gewerkt. Mijn andere opa kwam ook uit Erzincan, maar ze leerden elkaar daar pas kennen toen mijn ouders verliefd werden op elkaar. Mijn ouders wilden trouwen, maar vooral de vader van mijn vader zag daar niets in: mijn moeder kwam uit een arm Koerdisch gezin, een milieu waar hij op neerkeek. Het contact tussen mijn ouders werd verbroken, totdat hun pad zich jaren later opnieuw kruiste in Nijmegen waar ze allebei inmiddels woonden. Weer wierp mijn opa barrières op, maar ditmaal zetten ze hun huwelijk door.

Mijn ouders en ook mijn opa voelden zich welkom en geaccepteerd in Nijmegen. Ook ik voel me verbonden met die stad en woon nog steeds in de multiculturele wijk, waar ik geboren en getogen ben en iedereen harmonieus met elkaar omgaat. Het is een groot liefdesverhaal met Nijmegen. Ik heb weleens gekscherend gezegd: ik wil er burgemeester worden, en dat meen ik eigenlijk ook. Niet zozeer vanwege die functie, maar omdat ik iets wil terugdoen voor de stad die drie generaties zo warm heeft ontvangen. Wij hebben er nooit iets gemerkt van discriminatie of pesterijen. De eerste keer dat ik voor kut-Turk werd uitgemaakt, was toen ik in Tilburg ging studeren.”

Sinan Can Beeld Merlijn Doomernik

4. Maak vrouwen zelfbewust

“Mijn vader werkte in hetzelfde bedrijf als zijn vader. Mijn moeder was maatschappelijk werkster en voorzitter van een vrouwenvereniging. Toen ik heel klein was, nam ze me daar altijd mee naartoe, later kwam ik er elke dag na schooltijd. Ik ben met vrouwen opgegroeid - daar heb ik denk ik mijn zachte, empathische kant aan te danken.

Ik heb gezien hoe mijn moeder in de jaren zeventig en tachtig hard streed voor de rechten van Turkse en Marokkaanse vrouwen. Ze wilde islamitische vrouwen, die veel bij ons thuis kwamen, mondiger en sterker maken. Meisjes die van huis waren weggelopen, vrouwen die met huiselijk geweld te maken hadden en onderdrukt werden door hun man, vrouwen die niet konden lezen en schrijven, die niet konden fietsen - zij konden altijd rekenen op de steun van mijn moeder. Haar strijdbaarheid heeft mij al op jonge leeftijd bewust gemaakt van de vaak ongelijkwaardige positie van vrouwen. Mijn moeder was echt een feministe, ik ben een mannelijke feminist.”

5. Laat je niet weerhouden door intimidatie

“Mijn interesse voor de journalistiek werd aangewakkerd door de journalisten die klant waren in het groenten- en kruidenwinkeltje dat mijn moeder en haar vriendin op een gegeven moment hadden geopend. Ik hielp daar in de weekeinden en leerde veel mensen kennen, onder wie Jos van Dongen met wie ik later ‘De heilige Ayaan’ heb gemaakt. Die documentaire, waarin we VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali doorlichtten, was voor mij een gekke binnenkomer: toenmalig minister Rita Verdonk kwam erdoor in de problemen, waarna het kabinet is gevallen.

Als beginnende onderzoeksjournalist kun je van zoiets alleen maar dromen, toch heeft het me ook hoofdpijn bezorgd. We kregen dreigbrieven en werden geïntimideerd: we waren ratten, die de arme Ayaan kapot hadden gemaakt, ook veel collega’s reageerden boos. Het was niet de leukste periode, maar snel opgeven zit niet in mijn karakter.

We hebben vaker vervelende reacties gekregen, maar het meeste last heb ik gehad van de serie ‘Bloedbroeders’ in 2015. Met de Armeense acteur Ara Halici was ik naar Turkije gegaan om te onderzoeken hoe onze beide families betrokken waren bij de Armeense genocide, honderd jaar eerder.

Mijn familie aan vaderszijde heeft toen niet zo’n frisse rol gespeeld: ik ontdekte dat mijn overgrootvader in 1915 veel landerijen heeft bemachtigd, nadat de Armeense bewoners massaal waren gedeporteerd naar de woestijn, waar ze zijn omgekomen. Ik vond dat pijnlijk en had het gevoel dat ik iets in mijn geschiedenis moest herstellen. Het hoogtepunt van die reis was het moment dat ik een 105-jarige overlevende van de genocide in mijn armen kon sluiten en namens mijzelf excuses kon aanbieden, die hij heeft geaccepteerd.

Het ergste is dat die genocide in Turkije nog altijd wordt ontkend, alsof de Duitsers nog steeds zouden zeggen dat de Holocaust een groot fantasieverhaal is. Je kunt er niet omheen, er zijn zo veel bewijzen, maar Turken sluiten hun ogen ervoor uit nationalisme, trots en uit schaamte. Daarom kom ik nu al ruim vier jaar niet meer in Turkije, ook omdat ik kritisch ben over Erdogan.

Destijds, bij de viewing van ‘Bloedbroeders’, zei iemand van de Turkse ambassade: ‘Denk maar niet dat je wegkomt met dit soort Armeense propaganda, dit krijgt nog een staartje’. Ik was voorbereid op boze reacties, maar de heftigheid had ik onderschat. Mijn ouders hadden er slapeloze nachten van. Ik had politiebewaking voor mijn deur en moest soms onder begeleiding ergens naartoe. Eigenlijk wil ik er niet te veel over zeggen: vanwege de bedreigingen die ik heb gehad, praat ik nooit over mijn privéleven. Ik hoop dat het uiteindelijk niet voor niets is geweest. Dat de Turken op een dag de Armeense genocide wel erkennen en ik kan zeggen: ik heb een heel kleine bijdrage geleverd aan de discussie en de toenadering tussen Turken en Armeniërs.”

6. Wees integer in je werk

“Niet wanhopen is een van de grootste uitdagingen in het leven. Het soefisme geeft me rust en hoop. Als ik teksten van de soefi-mysticus Jalal ad-Din Rumi lees, besef ik dat je altijd moet proberen het verschil voor een ander te maken, hoe klein ook. Na elke reis zie ik in de spiegel dat ik weer wat grijzer ben geworden, maar ik kijk vooral in de spiegel met de vraag: werk ik integer en zo humaan mogelijk?

Ik heb niet echt een schild, bij groot leed doet mijn hart fysiek pijn. Emotioneel het meest geraakt was ik door de serie ‘Uitgezet’, waarvoor ik vijf kinderen uit Afghanistan, Irak, Kosovo, Angola en Armenië achterna ben gegaan, die hier na jaren niet langer mochten wonen. Het gaf me zo’n machteloos gevoel, dat ik zelf nooit naar de serie op tv heb kunnen kijken.

Op reis slurp ik de verhalen op, thuis moet ik opladen, iets wat me steeds meer energie kost. Als ik naar oorlogsgebied ga, neem ik in mijn hoofd afscheid van dierbaren, ik weet dat er altijd wat kan gebeuren, maar moedig vind ik mezelf niet. De mensen daar zijn moedig. Ik ben een passant en besef: al maak ik een miljoen documentaires en win ik alle prijzen, hun leed neem ik er niet mee weg. De kinderen blijven daar achter, dat vind ik bijna niet te verkroppen aan mijn werk.

Als ik ooit stop, is het om die reden. Mijn wens is om een kinderdorp in Noord-Irak of Libanon op te zetten. Het gebied stikt van de wezen en kinderen zonder perspectief, het is een oneindige rekruteringsvijver voor groepen als IS. Je kunt dat alleen doorbreken door die kinderen een tweede kans te bieden. Ik zou daar wel oud willen worden tussen die kinderen, maar opvang moet niet afhankelijk zijn van mij alleen, er zullen altijd kinderen blijven die een huis nodig hebben.”

Sinan Can 

Journalist Sinan Can (Nijmegen, 1977) volgde een opleiding journalistiek in Tilburg en deed in 2002 een jaar werkervaring op bij CNN Türk in Istanbul. Hij begon als onderzoeksjournalist bij Vara-programma ‘Zembla’ en heeft spraakmakende tv-documentaires op zijn naam, waarin hij zich persoonlijk betrokken toont, zoals ‘Uitgezet’ (2013), ‘In het spoor van IS’ (2017) en ‘De verloren kinderen van het kalifaat’ (2018). De documentaireseries ‘Bloedbroeders’ (2015) en ‘De Arabische storm’ (2016) verschenen ook in boekvorm. In 2016 is hij onderscheiden met de prijs Journalist voor de Vrede en dit jaar ontving hij als ‘vredesheld’ de Pax Duif. Zijn nieuwe 4-delige serie ‘Voorbij de grenzen van Saudi-Arabië’ is vanaf 6 januari op tv. Vanaf 5 januari is Can te zien als deelnemer aan ‘Wie is de mol?’

Trouw vraagt wekelijks een bekende of minder bekende Nederlander: welke levenslessen heeft u geleerd? Eerdere afleveringen vindt u op trouw.nl/levenslessen.

Lees ook:

Tv-recensie: Sinan Can is een verrijking voor de Nederlandse documentaire

In mijn hoofd klinkt ingetogen applaus voor documentairemaker Sinan Can (40) en zijn reis naar IS-gebied in Syrië en Irak. Deze man is een van de moedigste programmamakers die we in Nederland hebben

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden