Review

Joodse voornamen vertaaldHebreeuwse Chanah kan in het Nederlands Kaatje zijn

Jits van Straten en Harmen Snel: Joodse voornamen in Amsterdam. Een inventarisatie van Asjkenazische en bijbehorende burgerlijke voornamen tussen 1669 en 1850. Uitgave: Gemeentearchief Amsterdam, Amsteldijk 67, 1074 HZ Amsterdam. Aldaar te koop of te bestellen. Prijs: 45 gulden.

ANITA LOWENHARDT

Dit alles maakt de joodse genealogie al behoorlijk ingewikkeld en daar komt nog bij, dat tot nog toe onbekend was of er een verband bestond tussen de in het Hebreeuws geschreven joodse voornaam, die men vroeger in eigen kring gebruikte, en de voornaam die iemand in de niet-joodse 'buitenwereld' hanteerde.

Het net verschenen boek 'Joodse voornamen in Amsterdam' schept duidelijkheid in deze problematiek. Het is het resultaat van drie jaar zwoegen door Jits van Straten en Harmen Snel.

Jits van Straten is microbioloog. De joodse genealogie beoefent hij als liefhebberij. Bij het onderzoek naar zijn eigen familie van vóór 1811 stuitte hij op allerlei problemen, ondanks het feit dat hij goed Hebreeuws leest. Al doende bekwaamde hij zich in het ontcijferen van oude Hebreeuwse handschriften. Hij maakte een inventarisatie van alle joodse huwelijksacten van vóór 1811, dat in boekvorm verscheen.

Harmen Snel is als archivist werkzaam op het Gemeentearchief Amsterdam en is specialist genealogie. “Speciaal de joodse genealogie”, zegt hij, “omdat dat het moeilijkste is en wat het moeilijkste is, is in veel gevallen het leukst.” Hij is ook - samen met Dave Verdooner - de auteur van 'Trouwen in Mokum' en van het naam-aannemingsregister 1811.

“In de Napoleontische tijd”, vertelt Snel, “had iedereen een (achter)naam, behalve de meeste joden. Zij hadden wel een Hebreeuwse naam, maar dat was meestal niet meer dan de naam waarmee zij in de synagoge werden aangeroepen, zoals Jehuda Leib, zoon van Jacob. Soms ook waren ze in joodse kring bekend bij de naam, ontleend aan het land of de stad van herkomst: Polak (uit Polen), Preger (Praag), Hamburger (Hamburg) of noemden ze zich naar het beroep van hun vader: Voorzanger of Chazzan (Hebreeuws woord voor voorzanger).”

“Officiële achternamen waren dat echter nooit. Dat zie je ook in de huwelijksregisters, die niet werden getekend met Chazzan - dat was maar een 'roepnaam' - maar met bijvoorbeeld Jacob (zoon van) Marcus. En van die naam zijn er zo veel dat het bijna ondoenlijk is om daar die ene voorvader van jou uit te halen.”

Niet voorbijgaand

“Met het instellen van de burgerlijke stand door de Fransen moesten ook de joden een officiële achternaam aannemen, maar velen dachten dat dat iets van voorbijgaande aard was. Vandaar dat er zoveel rare joodse namen zijn, die vaak als grapje werden geroepen: Geringewaarde of Lamele; waarschijnlijk een verbastering van het Hebreeuwse Lama Lo dat 'waarom niet' betekent. Verder gaven veel joden hun beroep als achternaam op: Vischschraper, Brilleman, Brilleslijper, Uienkruier, Groenteman, of hun voornaam: Meier, Philips, Daniels.”

“Die nieuwe Nederlandse achternaam werd na 1811 echter (nog) niet altijd gebruikt bij de joodse huwelijks- of begrafenisregisters. Daar bleef het dus: Jehuda ben Jacob, eventueel met de toevoeging Preger of Chazzan. Dat maakt het zoeken naar familie ook zo ongewikkeld”, zegt Snel.

Hoe dan ook, na 1811 had iedereen een nieuwe, officiële, meestal Nederlandstalige, achternaam. En daar hoorde ook een Nederlands klinkende voornaam bij. “Dit omdat Hebreeuwse of Jiddische namen zover afstonden van wat een Nederlandse ambtenaar gewend was en om wat minder op te vallen. Het was veilig(er) een naam te hebben die niet al te joods klonk”, legt Harmen Snel uit.

Dus werd het Jiddische Jossele: Joseph, of het Hebreeuwse Jacov het Nederlandser klinkende Jacob. Chavah werd meestal Eva en het Hebreeuwse Chanah of het Jiddische Hindele kon van alles worden: van Hanna, Ganna, Anna, Naatje, Kaatje en Nannette tot Hendrika, Heintje, Jansje en zelfs Johanna.

En dat gegeven maakt het zoeken naar voorouders weer extra gecompliceerd, omdat de Hebreeuwse bronnen (huwelijks- en begrafenisregisters) toen al helemaal niet meer spoorden met de Nederlandse bronnen (bevolkingsregister). Vandaar dat Harmen Snel Jits van Straten vroeg om, als hij toch bezig was met het vertalen van joodse huwelijks- en begraafacten, een lijstje te maken van de verschillende voornamen.

“De bedoeling was”, vertelt Snel, “om alle (voor)namen waar een Hebreeuwse én een Nederlandse versie van is, naast elkaar te leggen en vervolgens lijstjes te maken van welke namen bij elkaar horen. Op die manier kan iedereen, ook de mensen die geen Hebreeuws kunnen lezen, proberen na te gaan of 'zijn' of 'haar' Jacov ben Mordechai nu wel of niet dezelfde is als Jaap Marcus Brilleslijper en of die oudtante Sophia dezelfde is die in de Hebreeuwse bron Tswiah heet.”

Het zoeken wordt straks nog eenvoudiger als begin volgend jaar het vervolgboek van Snel en Van Straten uit is over de joodse achternamen. “Daarin worden”, vertelt Snel, “de achternamen die joden vóór 1811 uitsluitend in eigen kring gebruikten, gekoppeld aan hun officiële, in de burgerlijke stand opgenomen namen van na 1811.”

Eveneens een behoorlijke klus, omdat ook bij de achternamen nogal wat varianten mogelijk zijn. “Neem een naam als Naskittel. Daar zijn wel tien 'nieuwe' namen aan gekoppeld, zoals Natkiel, de Natte, Witteboon, maar ook De Groot. Ook gebeurde het vaak dat men een hele traditionele joodse achternaam verruilde voor iets heel anders. Dat deden bijvoorbeeld mensen die zich hadden genoemd naar de plaats van herkomst: Kassel of Hanau en dan moet je maar weten dat die na 1811 Goldschmid of Benjamins heten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden