Interview Jonas Hassen Khemiri

Jonas Hassen Khemiri: Soms moet je een heel boek schrijven om tot een bepaalde scène te komen

Jonas Hassen Khemiri Beeld Getty Images

Jonas Hassen Khemiri’s roman ‘De papaclausule’ gaat over een verscheurd gezin. ‘Toen ik ze opschreef veranderden al die kleine handelingen in een spannende actiefilm.’

Liet Jonas Hassen Khemiri, de in Stockholm geboren zoon van een Zweedse moeder en Tunesische vader, zich in eerder werk kennen als een geëngageerd auteur die thema’s als immigratie en terreur niet schuwt, zijn laatste geestige maar ook ontroerende roman ‘De Papaclausule’ gaat ‘gewoon’ over een gezin in Zweden. Er is een vader wiens wortels in een niet-Europees land liggen, maar dat is verder niet direct het onderwerp. ‘Cultuurverschillen zijn het probleem niet hier’, meldt hij desgevraagd. Khemiri’s (niet-politieke) gedetailleerde blik op het instituut familie zit hem alleen al in het feit dat hij de personages geen namen geeft maar hen aanduidt op basis van de positie die ze innemen: zo spreekt hij over ‘een opa die een vader is’, en ‘een dochter die een zus is die een moeder is’. Hij vertelt het verhaal steeds vanuit een ander familielid waardoor je op pijnlijke, maar ook komische wijze getuige wordt van onderlinge misverstanden.

Khemiri is te gast in Den Haag voor een optreden op festival Crossing Border. De schrijver oogt ingetogen, maar hij praat makkelijk en glundert trots als ik hem complimenteer met zijn roman. Het gesprek gaat over familiebanden, ouderschap en schrijverschap. Prikkelend aan Khemiri’s ‘portret van een familie’ is dat de oudere vader en zijn zoon zo totaal verschillend over ouderschap en kinderen nadenken. Schetst hij niet vooral een portret van twee generaties vaders?

Wie is Jonas Hassen Khemiri?

Jonas Hassen Khemiri (Stockholm, 1978) schrijft romans, toneelstukken en essays. Zijn debuutroman ‘Ett öga rött’, die in 2003 uitkwam, was meteen een groot succes. Het boek werd verfilmd en werd het best verkochte boek in Zweden van 2004. Khemiri won verschillende prijzen, waaronder de Zweedse August Prijs voor ‘Alles wat ik mij niet herinner’. Hij is de eerste Zweedse schrijver van wie een kort verhaal werd gepubliceerd in The New Yorker. Zijn nieuwste roman ‘De papaclausule’ zal in ruim dertig talen worden vertaald, waaronder ook in het Arabisch en het Chinees.

“Een van de beginpunten was, heel eenvoudig, mijn nieuwsgierigheid naar wat het betekent om een goede ouder te zijn”, vertelt Khemiri. “Toen ik zelf ouderschapsverlof nam, vroeg ik me telkens of ik er misschien te laat achter zou komen dat ik een slechte vader was. En wat doe je dan, als je erachter komt dat je het niet goed hebt gedaan? Ik wil niet zo worden als mijn vader, is de mantra van de jonge vader in het boek. Maar zolang je daar zo nadrukkelijk mee bezig blijft, kom je er niet van los. Hij vindt dat een goede ouder iemand is die nooit weggaat, die altijd bij zijn kinderen is. Maar hierdoor staat hij zichzelf niet toe om de verschillende gevoelens te erkennen die hij als vader ervaart. Hij ergert zich bijvoorbeeld vaak aan zijn kinderen, hij is doodmoe en boos, maar hij wil dit niet toegeven. Hij wil niet bekennen dat hij er soms aan toe is om even weg te gaan, om alleen te zijn, zonder zijn kinderen.”

Ik kreeg de indruk dat de jonge vader ook voortdurend naar erkenning verlangt. Niet alleen van zijn ouders maar ook van de rest van zijn omgeving. Als hij zijn dochtertje naar de crèche brengt, wil hij dat de andere ouders zien hoe goed hij met zijn dochtertje omgaat.

“Hij leeft onophoudelijk in het bewustzijn van de blik van de ander. Hij groeide op in een wereld waarin je het goed moest doen om geaccepteerd te worden. Hij zou niet zomaar geaccepteerd worden, hij moest uítblinken om geaccepteerd te worden. Dat zegt natuurlijk veel over zijn achtergrond, hij heeft het gevoel dat als hij iets fout doet, dit direct consequenties zal hebben. Vooral toen hij jonger was zag hij hoe mensen werden geregeerd door vooroordelen, door onderhuids racisme. Hij heeft sterk het gevoel dat hij moet bewijzen dat hij er bij hoort. Hierdoor is hij zich er ook voortdurend van bewust dat niet alleen hijzelf, maar de blik van de ander zijn waarde als ouder bepaalt.

“Dit bewustzijn belemmert hem. Het is erg moeilijk om echt iets te ervaren als je steeds nadenkt over hoe je op anderen overkomt.” 

Juist doordat hij zich zo hyperbewust is van zijn omgeving, heeft hij er misschien moeite mee om er werkelijk voor zijn kinderen te zijn?

“Is het genoeg om er fysiek te zijn, als je er met je aandacht eigenlijk niet bij bent? Hier denk ik zelf ook vaak over na. Ik ben vaak met mijn kinderen, terwijl mijn gedachten ergens anders zijn, bij het uitdenken van een verhaal of een idee. Dan is de aanwezigheid van mijn kinderen eigenlijk storend. Maar uiteindelijk zijn mijn kinderen juist heel goed voor mijn schrijverschap. Voordat ik kinderen had, deed ik niets anders dan lezen en schrijven, maar nu moet ik soms ineens een deel van de dag opofferen aan het spelen met lego. Mijn kinderen dwingen mij om uit mijn hoofd te stappen.”

En het levert goed materiaal op. De stukken waarin u de waanzin van jong ouderschap beschrijft, hoe de vader zich redt te midden van de chaos van rondvliegende kinderhapjes, volle luiers, snotneuzen en plakkend speelgoed, zijn erg komisch.

“Ik weet nog dat toen mijn kinderen heel klein waren, ik geloofde dat ik onmogelijk over die tijd zou kunnen schrijven. Ik kan geen fictie maken van het verschonen van luiers of naar speeltuinen gaan, want een boek moet over iets groters gaan, dacht ik. Ouderschap was iets wat repetitief en on­interessant leek. Maar toen ik op een gegeven moment heel eenvoudig probeerde elke kleine handeling van een ochtend met de kinderen op te schrijven, merkte ik hoe een gewone dagelijkse ochtend zich transformeerde tot een actiefilm. Alles wat gebeurde was zo chaotisch en bizar intens. Het ­geschreeuw van de kinderen, het speelgoed dat in de toiletpot werd gegooid, het gehuil, het geduw, het weigeren mee te werken.

“In het boek worden deze dingen nog intenser omdat hij zichzelf niet toestaat te voelen wat hij voelt. Hij wil de ideale vader zijn en probeert de ergernis, de woede, de verveling weg te drukken, maar juist daardoor wordt de situatie voor hem bijna ondraaglijk.”

Het lijkt er ook op alsof hij eigenlijk jaloers is op de vrijheid die zijn kinderen genieten?

“Hij voelt dat hij zelf nooit zo vrij is geweest. Op een gegeven moment zegt zijn vierjarige dochter: Ik ben de snelste van de wereld, ik ben de beste in alles! Voor de vader is die vrijheid bijna bedreigend. En al knikt hij zijn dochtertje instemmend toe, denkt hij van binnen: Om de dooie dood niet. Je bent helemaal niet de beste in alles. Ik ben beter dan jij.” Khemiri lacht. “Dan ben je eigenlijk zelf nog een kind, als je zo reageert.”

Beeld Getty Images

Tijdens het lezen had ik aanvankelijk de indruk dat de grootvader een egoïstische man was, veel weg en later verhuisd naar een ander land. Maar dan vertelt de moeder hoe liefhebbend hij was, dat hij de eerste jaren thuisbleef om voor de kinderen te zorgen. Zijn kinderen hebben eigenlijk een vertekend beeld van hem?

“Dat was een van de dingen die mij tijdens het schrijven bleef verrassen, dat dit soort momenten ontstonden. Ik leerde de oudere vader tijdens het schrijven steeds beter kennen. Ik begreep steeds beter hoe moeilijk hij het eigenlijk had. Hij is een man die op vrijwel iedereen neerkijkt, zegt dat ze dom zijn, dat ze het leven niet begrijpen, dat ze zich afhankelijk maken. Hij doet alsof hij als enige een vrij mens is en niemand nodig heeft, maar eigenlijk is hij erg kwetsbaar en verlangt hij naar een goede band met zijn kinderen. Hij is weliswaar geen perfecte vader geweest, maar op het moment dat hij werkelijk nodig is, is hij er ook. Hij zorgt voor de kleinkinderen wanneer dat nodig is.”

Dat zijn ontroerende momenten.

“Soms moet je een heel boek schrijven om tot een bepaalde scène te komen. Ik denk dat het moment waarop de grootvader met zijn kleinkinderen een besneeuwde heuvel opklimt om te gaan sleeën, het moment was waar dit boek voor geschreven moest worden.

“Hoewel de personages door dit soort momenten dichter bij elkaar komen, wordt niets helemaal opgelost. Ik wilde niet dat het zou eindigen met een grote groepsknuffel. Maar ik geloof toch dat ze elkaar tegen het eind van het boek net ietsje beter begrijpen. Misschien is het maar 3 procent, 3 procent meer begrip. Maar 3 procent is in wederzijds begrip toch heel veel.”

De moeder komt het minst in het boek voor. Waarom?

“Ik denk dat dat komt omdat zij er vroeger altijd is geweest. Zij heeft zeventien jaar lang alles voor haar kinderen gedaan. Maar nu de kinderen volwassen zijn, kan het de moeder niet zoveel meer schelen. Ik werd daar blij van, het was alsof ik tijdens het schrijven de moeder bevrijdde van haar veeleisende kinderen. Zij vindt het geklaag van haar volwassen zoon vermoeiend en heeft eenvoudig geen zin om naar hem te luisteren. Zij heeft er zoveel energie in gestoken om de kinderen op te voeden dat ze op een punt is aangekomen waarop ze denkt: nu moeten jullie het zelf maar redden.”

U spreekt over uw personages alsof u nu nog aan het ontdekken bent wie ze eigenlijk zijn. Ook geeft u ze geen namen. Betekent dit dat deze personages ver van u afstaan?

“Nee, ze zijn eigenlijk heel dicht bij me. Ik houd ervan om me tijdens het schrijven door hen te laten omringen, maar de momenten waarop ze me verrassen, waarop personages dingen doen die je niet had zien aankomen, die momenten zijn het allermooiste. Het is als toen je als tiener boeken las en de verhalen bijna echter werden dan je werkelijke leven. Dat gevoel krijg ik ook als de personages zich ineens anders gedragen dan ik had verwacht. Ik had dat gevoel bij de moeder, maar ook bij de overleden dochter. Ik had me voor­gesteld dat zij ontstellend kwaad zou zijn op de vader, maar eigenlijk is zij de enige die ziet dat hij, ondanks al zijn fouten, zijn best heeft gedaan. Dat had ik van tevoren niet kunnen bedenken. Zij en de moeder zijn de meest vrije personages, omdat zij in staat zijn om te kunnen vergeven. Er schuilt een grote vrijheid in vergeving.”

Het boek gaat ook over de eindeloze pogingen om tot de ander door te dringen. Er wordt in het verhaal veel gewacht, telefoons worden niet opgenomen, berichten komen niet aan. Op een gegeven moment zit de oudere vader in de bar tegenover het huis van zijn tweede dochter, waar zij op hem wacht.

“Ja, fysiek zijn ze zo dichtbij, letterlijk een paar meter van elkaar vandaan, een paar etages hoger. Hij herinnert zich de code van de deur niet en hij wil haar niet bellen. Hij vindt dat zij hem moet bellen. Het gaat inderdaad letterlijk, maar ook figuurlijk over de pogingen elkaar te bereiken en de misverstanden hierin. Er zijn veel misverstanden, ze begrijpen de dingen allemaal op een andere manier. Daarom schrijf ik hun belevingen ook steeds vanuit hun eigen perspectief op. Zo krijg je de hele gefragmenteerde werkelijkheid, waarin niet alles op elkaar aansluit.

“De familieleden hebben voortdurend kleine conflicten, wie gaat er voor de koffie betalen, wie haalt het kind van de crèche, kleine schijnbaar onbelangrijke conflicten. Maar in een familie worden deze kleine ongemakkelijke momenten beladen door oude meningsverschillen of gevoelens van wrok en verdriet die erin doorwerken. Als je over een familie schrijft, kunnen zulke kleine momenten eigenlijk over veel grotere problemen gaan.”

Zelfs als je je uiterste best doet om van je familie los te komen, blijf je aan haar gebonden?

“Voor mij draait het in dit boek om de vraag: hoe kunnen we een familie zijn en toch de personen blijven die we zijn. Hoe kunnen we verbonden blijven, ondanks alle verschillen. In mijn eerste romans was ik geïnteresseerd in de verbeelding, in hoeverre de verbeelding het mogelijk maakt om aan je concrete bestaan te ontsnappen. Maar in mijn laatste twee boeken onderzoek ik juist de moed die nodig is om niet te ontsnappen. Ik zie dit laatste boek bijna als een hommage aan de mensen die hun gewone leven niet proberen te ontvluchten.” 

Jonas Hassen Khemiri
De papaclausule
Vert. Janny Middelbeek-Oortgiesen
Nijgh & Van Ditmar; 288 blz.; € 20

Lees ook: 

Wat te doen met vader die steeds weer komt logeren?

Boekrecensie over ‘De papaclausule’. Jonas Hassen Khemiri tekent subtiel en realistisch de ingewikkelde familieverhoudingen van nu.

Een authentieke poging om zin te vinden in een versplinterde wereld

Recensie over Khemiri’s vorige roman ‘Alles wat ik me niet herinner’ die, meer dan je als lezer aanvankelijk doorhebt, gaat over uitsluiting, discriminatie en maatschappelijke klasse. Heel subtiel weeft de schrijver deze thema’s door zijn roman heen, in kleine, veelzeggende scènes. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden