Review

Johannes R. Becher, 'Metamorphosen eines Dichters' Een dichter als functionaris

Johannes R. Becher, 'Metamorphosen eines Dichters' en 'Der gespaltene Dichter', uitg. Aufbau Taschenbuch, 271 resp. 231 blz. - per deel DM 19,80; 'Briefe' en 'Briefe an Johannes R. Becher', uitg. Aufbau, 678 resp. 740 blz. - beide delen samen DM 168.

In feite waarschuwde hij zichzelf. De grote vraag is of Becher (18911958), door zo'n geprofileerde rol te spelen in allerlei politieke organisaties en uiteindelijk op te klimmen tot minister van cultuur van de door de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands geregeerde Deutsche Demokratische Republik niet ontrouw werd aan zijn diepste roeping als dichter.

Buiten de DDR was Johannes R. Becher nauwelijks bekend. Na het verdwijnen van de DDR is het met de bekendheid van deze dichter verder bergafwaarts gegaan en zal in Chemnitz of Zwickau hooguit nog iemand het hoofd schudden bij het horen van zijn naam.

Zou Becher tijdens de Eerste Wereldoorlog gesneuveld zijn (zoals vele van zijn collega-schrijvers in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk) dan zou hij nu herinnerd worden als een der meest karakteristieke expressionistische dichters.

Daarom is het op zijn minst een risico dat de Berlijnse Aufbau-Verlag zojuist twee kloeke delen publiceerde met de brieven van Johannes R. Becher in het ene en de brieven aan hem in het andere.

In 1992 was bij dezelfde uitgever al een tweedelige editie verschenen van gedichten, toespraken en brieven van deze schrijver. Een waagstuk, maar door de inhoud van alle vier boeken volledig gerechtvaardigd. Voor 1989 kon de vraag naar de oprechtheid van de tot communistische hofdichter opgeklommen Becher niet gesteld worden. Dat is hiermee gebeurd.

Al op zeer jonge leeftijd schreef Becher, zoon van een kantonrechter in Munchen, gedichten vol elementen die voor het Duitse expressionisme typerend zijn. Het gedicht 'Kotholle' ('Stronthel') uit 1913 is een mooie illustratie hiervan. In dit gedicht is sprake van het 'openbreken van alle plee's van het hele rijk', van 'gas en urine die de bredere stroom ontdampen' en van de 'villa's van lichte steden die in een moerassig gat wegglijden'. Het zijn apocalyptische beelden van een wereld die in elkaar stort. Verrotting overheerst de wereld. Van Becher zou Kurt Pinthus een flink aantal gedichten opnemen in zijn beroemde bloemlezing 'Menschheitsdammerung' (1920), een boek dat nog altijd als programma van de expressionistische dichtkunst geldt.

Tien jaar daarvoor had zich in het leven van Johannes R. Becher een drama afgespeeld. Hij had besloten om samen met zijn geliefde, de ettelijke jaren oudere sigarettenverkoopster Fanny Fuss zelfmoord te plegen. Fanny werd inderdaad dodelijk gewond door de kogel uit Bechers pistool, hij zelf verkeerde lang in levensgevaar, maar kwam er uiteindelijk toch weer bovenop. Aan de nagedachtenis van Fanny wijdde Becher een cyclus van gedichten. De liefde voor de ziekelijke, maar niettemin er enkele minnaars op na houdende Fanny, was voor Becher mogelijk ook een kwestie van liefdadigheid naar een vrouw uit het volk toe. Die liefde voor de berooiden van de samenleving zou vanaf de lente van 1923 een vaste plaats in zijn leven krijgen. Daarvoor bracht Becher lange perioden door in sanatoria om van zijn verslaving aan morfine af te komen. Hij moet zo verslaafd zijn geweest dat hij op sommige dagen veertig injecties kreeg toegediend. Na een korte flirt met het christelijk geloof moest Becher concluderen: 'Gods aangezicht aanschouwde ik: niet' en in 1923 werd hij voorgoed lid van de communistische partij van Duitsland.

Dat Becher zijn verslaving de baas werd en als dichter actief bleef, had hij voornamelijk aan de enorme financiele steun van mensen als Harry Graf Kessler te danken. Zonder steun van zijn vriend was hij een wrak gebleven. Tijdens de Weimarer Republiek werden zijn boeken verboden en kreeg hij een proces wegens 'literair hoogverraad' aan zijn broek. Maar als echt gevaarlijk beschouwde hij diegenen die op 30 januari 1933 aan de macht kwamen en daarom koos hij domicilie in Parijs in 1933 en twee jaar later in Moskou.

Becher zag al vroeg in dat de strijd tussen communisten en socialisten heilloos was en daarom zette hij zich voor een gezamenlijk front tegen het nationaal-socialisme in. Hij was de initiator van de grote internationale schrijversconferentie tegen het fascisme, ter verdediging van de cultuur, in 1935 in Parijs. Van 1935 tot 1945 verbleef Becher in Moskou in het bekende schrijvershotel Lux. Hier onderhield hij contacten met de leiders van de Duitse communistische partij en met collega's die eveneens geemigreerd waren. Hier in Moskou lukte het hem om de Hongaarse communist Georg Lukacs uit de gevangenis vrij te krijgen.

Twee maanden na de overwinning op het Duitse leger was Becher al in Berlijn om daar aan de opbouw van het cultuurleven in de vorm van uitgeverijen, tijdschriften en verenigingen te werken. Het was aan hem te danken dat zoveel geziene schrijvers als b.v. Arnold Zweig, Anna Seghers en Heinrich Mann zich in de Sowjetische Besatzungszone, resp. de DDR vestigden of dit overwogen. Daaruit blijkt tevens dat Becher alom gerespecteerd werd. Zijn benoeming tot minister van cultuur der DDR volgde in 1954. Enkele jaren daarna begon het lidteken van de kogel uit 1910 te zweren en moest Becher de officiele zaken vanuit zijn ziekbed regelen. In 1958 stierf hij.

Hoewel Becher eerder een begaafd dichter dan een begenadigd briefschrijver was, correspondeerde hij met zeer veel schrijvers: de gebroeders Mann, Klaus Mann, Leonhard Frank, Gorki, Anna Seghers, Alfred Doblin en onder meer ook met Luise Rinser van wie de brieven aan hem het karakter van liefdesbrieven hebben. Het interessante verschijnsel doet zich voor dat Becher door zijn vrienden uit het Westen nooit als exponent van de DDR werd gezien, eerder als goedwillende maar onmachtige individuele persoon. Daarom roepen zij vaak zijn hulp in wanneer iemand in de DDR ten onrechte in de gevangenis zit. Of zijn hulp werkelijk effect had, moet betwijfeld worden. Enkele jaren lang was hij slechts in naam minister, terwijl Alexander Abusch de bevoegdheden bezat.

Het is heel moeilijk, zo niet onmogelijk om nu al een afgerond beeld van de dichter en politicus Johannes R. Bechen te geven. Hij schrijft hymnen op Stalin en prijst hem de hemel in. Lenin ziet Becher als zijn geestelijke vader, omdat hij (Lenin) hem bevrijdde van Nietzsche. Becher zette zich in voor Lukacs maar in 1957 liet hij zijn vriend Walter Janka in de steek. Naar buiten toe verdedigde Becher de DDR, maar uit de nu gepubliceerde verslagen van interne partijdiscussies blijkt dat Becher flink te keer kon gaan tegen collega's en ook Walter Ulbricht niet spaarde. De officiele toespraken van Becher laten zien dat hij laveerde tussen zijn trouw aan het marxisme en aan de DDR en zijn nog wezenlijker trouw aan de dichtkunst. Dat laveren biedt niet altijd een even heldhaftige aanblik. En toch is Johannes R. Becher door deze publikaties menselijker geworden. Zowel zijn brieven als zijn gedichten en essays laten zien dat hij zocht naar een menselijkheid die niet echt aan de grenzen tussen Oost en West gebonden was.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden