Johan van Hell heeft eindelijk zijn eerste overzichtstentoonstelling.

In een van de zalen van het Museum voor Moderne Kunst klinkt klassiekemuziek: stukken voor klarinet en piano van de componist Alban Berg. Eenzaal verderop galmen socialistische strijdliederen. Het contrast is groot,maar illustratief voor het leven en werk van de Amsterdamse kunstenaarJohan van Hell (1888-1952), aan wie het Arnhemse museum de eerste groteoverzichtstentoonstelling wijdt. Van Hell was een dubbeltalent: hij wasbeeldend kunstenaar en speelde als klarinettist in hetConcertgebouworkest. Daarbij was hij socialist in hart en nieren en dieovertuiging spreekt ook uit zijn schilderijen van eenvoudige mensen 'vande straat'.

Johan van Hell is relatief onbekend en dat is opmerkelijk, omdat detentoonstelling laat zien dat hij als 'sociaal-democratisch' kunstenaar eenuitgesproken positie inneemt in de Nederlandse kunstgeschiedenis. In 1976was weliswaar een bescheiden overzicht te zien van zijn werk, maar daarnaverdween Van Hell weer in de anonimiteit.

Dat had ongetwijfeld ook te maken met de dominantie van de abstracteschilderkunst. Nu het figuratieve en realisme een duidelijke herwaarderingbeleven, wordt er kennelijk ook weer met andere ogen naar het werk van VanHell gekeken. Voor het Museum voor Moderne Kunst was dat aanleiding om nuook eens grondig onderzoek te doen naar deze kunstenaar en recht te doenaan zijn werk.

Al op 14-jarige leeftijd wist Johan van Hell dat hij zijn beidetalenten gelijkwaardig wilde ontwikkelen. ,,Wanneer ik voor de schildersezel sta, ben ik geheel schilder, en wanneer ik met mijn klarinet achter mijn lessenaar zit, ben ik geheel musicus.“ Van Hellcombineerde zijn talenten ook. Op veel schilderijen beeldde hij musici af.Van Hell was een getalenteerd klarinettist. In 1915 begon hij zijncarrière als invaller bij het Concertgebouworkest. Hij verving regelmatigde tweede klarinettist Piet Swager. En omdat hij goed hobo speelde vielhij later ook wel eens in voor de hoboïst Haakon Stotijn.

Het orkest, dat toen al een internationale reputatie had, stond onderleiding van Willem Mengelberg, van wie hij een jaar na zijn debuut eenlitho maakte, gevolgd door een portrettekening. Tien jaar later beelddehij hem nog eens af, aan de piano, in het schilderij Kwartet, naast PietLentz (cello) en Johan Feltkamp (fluit). Van Hell zelf staat er leunendop de piano met zijn ogen dicht genietend bij, zijn klarinet onzichtbaar.Hij staat te dromen van zijn ideale kwartet, dat in werkelijkheid nooitin deze samenstelling heeft gespeeld. Een vaste aanstelling bij hetConcertgebouworkest sloeg Van Hell een paar keer af, omdat hij zijnvrijheid wilde behouden en zijn hart bij de moderne kamermuziek lag. In1927 leverde hij zijn klarinet in bij het orkest, omdat hij ook niet meer wilde invallen. Dat had waarschijnlijk te maken met de ziekte van zijn(eerste) vrouw, de kunstenares en socialiste Pauline Wijnman, die aanParkinson leed en in 1930 zou overlijden op 40-jarige leeftijd. Van Hellging thuis klarinetlessen geven en als tekenleraar aan de slag opmiddelbare scholen.

Gestimuleerd door zijn vrouw raakte Van Hell actief betrokken bij deArbeiders Jeugd Centrale (AJC), de jongerenafdeling van de SDAP. Deexpressionistische landschappen die hij aanvankelijk schilderde en zijnportretten van boeren en veenwerkers maakten plaats voor voorstellingenvan het leven van gewone Amsterdammers in de crisisjaren voor de TweedeWereldoorlog. Zijn modellen vond hij op straat: een olieman of kolenboer,straatventers, muzikanten en kleedjeskloppende vrouwen. Van veel schilderijen maakte hij ook litho's die betaalbaar waren voor minderdraagkrachtigen.

Rond 1925 ontwikkelde Van Hell zijn typische stijl met gestileerdefiguren en voorwerpen. De invloed van De Stijl en het constructivisme ismerkbaar in de vaak geometrisch opgezette composities. Zijn gestileerdestijl lijkt op die van Bart van der Leck, maar bij Van Hell blijven demensen wel als individu herkenbaar. Met zijn figuratieve schilderijenwilde hij ook de kloof tussen volk en kunstenaar overbruggen. Kunst moesthet volk verheffen en dus toegankelijk zijn voor iedereen.

Van Hells liefde voor muziek klinkt door in veel schilderijen. Destraatmuzikanten zag hij als collega's, omdat ze vaak goed waren opgeleiden gewend aan het concertpodium. Door de economische malaise waren zegedwongen hun brood op straat te verdienen. Sommige muzikanten duiken opmeerdere schilderijen op, zoals de tubaspeler met zijn diepegelaatsgroeven die doen denken aan de verweerde gezichten van delandarbeiders die Van Hell in het begin van zijn carrière schilderde.

Dat hij zich verbonden voelde met de zwakkeren, komt misschien wel het sterkst tot uiting in het schilderij Straatmuzikant (1944), waar weer detubaspeler opduikt, dit keer op de rug gezien. De tuba staat werkloosnaast hem op straat. Op de achtergrond de contouren van een tramhalte,waar elegant geklede mensen staan te wachten, een onbereikbare wereldvoor de straatmuzikant maar misschien was het voor Van Hell ook eenverwijzing naar een betere toekomst.

Veel van zijn schilderijen balanceren op die grens van treurnis enoptimisme. Maar sentimenteel of melodramatisch is zijn werk nooit. Neembijvoorbeeld de glazenwasser die hij in 1927 schilderde als een soort martelaar van de arbeid. Op een wiebelende ladder doet hij zijn gevaarlijke werk voor de hogere klassen, gesymboliseerd in het decor vanvitrages met een patroon van burgerlijke engeltjes. Toch slaagt Van Hellerin elke gedachte aan zieligheid uit te bannen door de glazenwasser af te beelden in een koningsblauwe overall, waardoor hij een superieureuitstraling krijgt. De politieke overtuiging van de kunstenaar spreekt ookuit zijn schilderijen van lezende mensen. Volk verhef u, ga lezen! is deimpliciete boodschap. Daarnaast maakte Van Hell ook affiches, pamflettenen illustraties voor boeken en zangbundels van de AJC, SDAP en OSP, eensplinterpartij waarnaar hij in 1932 overstapte. Samen met anderekunstenaars richtte hij de vereniging De Brug op en de SocialistischeKunstenaars Kring met de doelstelling de kloof tussen kunstenaar en volkte overbruggen met heldere, figuratieve schilderijen.

In zijn persoonlijke leven deed Van Hell er ook veel aan om de kunstenonder het volk te brengen. Hij was actief als teken-, schilder- enmuziekleraar op diverse scholen. Getalenteerde kinderen gaf hij gratis les,als de ouders dat niet konden betalen.

Zijn enorme werklust hielp hem ook bij het verdriet in zijn leven. Zijntweede echtgenote, de concertpianiste Caroline Lankhout, overleed eveneensop vrij jonge leeftijd aan Parkinson. Net als Pauline Wijnman was zij eensocialiste en drukte ze haar stempel op het werk van Van Hell.

Groot is zijn oeuvre niet. Op de expositie hangen ongeveer 70 schilderijen. Stuk voor stuk maken ze duidelijk dat Van Hell's geschilderde commentaren op de samenleving een eigen plek verdienentussen de vaak veel bekendere realisten uit het Interbellum.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden