Review

JOAO GUIMARAES ROSA, 'DIEPE WILDERNIS: DE WEGEN' Uniek en grillig jongensboek over het goed en het kwaad

Joao Guimaraes Rosa, 'Diepe wildernis: de wegen', vert. August Willemsen, uitg. Meulenhoff, 574 blz. - f 55,-.

ILSE LOGIE

Joao Guimaraes Rosa (1908-1967) is voor de Nederlandstalige lezer geen onbekende meer. Van hem verschenen in 1977 de intrigerende verhalenbundel 'De derde oever van de rivier', en vorig jaar de novelle 'Het uur en ogenblik van Augusto Matraga'. Met 'Diepe wildernis: de wegen' (1956) zette Guimaraes Rosa de kroon op zijn werk, aangezien deze roman als zijn magnum opus moet worden beschouwd.

'Diepe wildernis: de wegen' is een verbluffend geschakeerd boek waarin ontzettend veel gebeurt en waarin grondig wordt nagedacht. Het heeft de recensenten al enige hoofdbrekens bezorgd, want noem je dit nu nog een epos of hou je het toch op 'hedendaagse roman'? In zijn nawoord bij de vertaling stelt Willemsen op verzoek van de auteur dit compromis voor: 'Uit de hand gelopen en in schriftelijke neerslag te lezen fabel of sprookje'.

Guimaraes Rosa's roman is opmerkelijk ambitieus en de vrucht van een drieledige betrachting: het schrijven van een spannend jongensboek, het aan de orde stellen van diepgaande metafysische vraagstukken (de verhouding van goed en kwaad, de strijd tussen God en de duivel) en het virtuoos goochelen met taal.

Spilfiguur in deze allegorie is de oudgeworden grondbezitter Riobaldo alias de Vuurrups alias de Witte Ratelslang, die aan een zwijgende toehoorder - een erudiete stedeling wiens geleerdheid Riobaldo benijdt en die veel weg heeft van de schrijver zelf - zijn spectaculair verleden als lid van een gewapende bende (jagunco) vertelt. Alle thematische kenmerken van het middeleeuwse ridderverhaal, zoals de erecode van de oorlog, de ongeschreven wetten van loyaliteit en vergelding of de aanwezigheid van een perfide verrader en een onbereikbare geliefde, zijn in deze roman terug te vinden. Ook op verteltechnisch vlak heeft de auteur naar hartelust geput uit de orale traditie, temeer daar heel Riobaldo's verhaal tussen aanhalingstekens staat en bijgevolg gepresenteerd wordt als een lange biecht. Guimaraes Rosa citeert als het ware Riobaldo's relaas, maar ook procedes als het pardoes van wal steken en het inlassen van eindeloos epische flash-backs waarin de aan de held opgelegde beproevingen uit de doeken worden gedaan, roepen herinneringen op aan de vertrouwde ridderroman.

Riobaldo's voornaamste opdracht is om, geholpen door zijn vriend Diadorim, de dood van de mythische bendeleider Joca Ramiro - tevens Diadorims vader - die door verraad van hun voormalige kompaan Hermogenes werd vermoord, te wreken. Bij het zich ontvouwen van de intrige volgen episoden van haast ondraaglijke spanning keurig op vredige taferelen. Niets aan de hand, dus, was het niet dat Riobaldo's vatbaarheid voor de moderne twijfel en zijn latere positie van buitenstaander het op zich vlakke plot doet ontsporen, dat neerkomt op de nu eens aan- en dan weer afwezigheid van 'kogels als kolibri's' die de lezer om de oren fluiten.

De twijfel nestelt zich al heel snel in het hoofdpersonage en geeft aanleiding tot oeverloos existentieel gepieker. In een aantal opzichten is Riobaldo in hart en nieren een jagunco gebleven. Hij beschrijft met zichtbare betrokkenheid dat leven van zwervende bandiet, en looft er niet weinige kanten van. Op menselijk vlak deelt hij in het saamhorigheidsgevoel en de gulle vriendschap. Ook de tastbare alomtegenwoordigheid van de natuur wil hij voor geen goud hebben missen, het zien van zulke lange vluchten ara's in de lucht, of de oeroude schildpadden die zich behaaglijk in de rivier aan de zon warmen.

Ondanks zware tegenslagen en de hem tot wanhoop drijvende sertao, het dorre binnenland, die niet op mensenmaat gesneden 'wildernis', verliest Riobaldo nooit de vereda uit het oog, de ontsnappingsroute van de bekoorlijke waterloop omzoomd door ruisende palmen waarlangs de mens zijn weg zoekt.

Sertao en vereda, de twee bouwstenen uit de titel, zijn in Riobaldo's leven onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit besef van de onherleidbare ambivalentie van alle dingen maakt het hoofdpersonage dan ook tot een buitenbeentje, dat langzaam tot het inzicht komt dat zelfs bij de “volkomen vijand” niet alle manschappen 'uitsluitend rabiate hellehonden' zijn, maar in zekere zin ook mensen, en die in staat is tot verontwaardiging op louter ethische gronden. Vooral in het eerste deel, dat loopt tot aan de berechting van de kleurrijke hoofdman Ze Bebelo, “bepoedert dat beetje stof van de twijfel” Riobaldo's gedachten. Zijn aarzelingen beschrijven steeds ruimere cirkels en gaan verder dan het mentaal afzweren van het rechttoe rechtaan geleide leven van de jagunco met zijn ruige primitiviteit en onbuigzame trouw.

Maar al nemen de dilemma's soms verscheurende vormen aan, Riobaldo hoedt zich voor al te cartesiaanse denkpatronen, die immers op hun beurt ontoereikend zijn en een ontoelaatbare onttovering van zijn wereld in zouden zetten. Hij kijkt toe “hoe hij gebeurt, stuurloos”, hij constateert dat het leven hachelijk is, dat de wetten van goed en kwaad onkenbaar zijn en op beslissende momenten legt zoveel kritische distantie zijn daadkracht lam. Hij veroordeelt zichzelf zowaar tot het sluiten van een pact met de duivel, wiens bestaan hij nochtans ontkent, en nadien beschikt hij over haast bovennatuurlijke krachten en is hij zelfs bij machte het leiderschap te dragen. Na even de illusie te hebben gekoesterd dat hij nu alles onder controle heeft, breken al snel weer flitsen van bewustzijn door zijn zelfvoldaanheid heen, en ziet hij de voetangels die het leven “zo gevaarlijk” maken: “Men wil zwemmend een rivier oversteken, en steekt over, maar men komt aan de overkant op een veel lager gelegen plaats, heel ergens anders dan men eerst had gedacht.”

Riobaldo's behoefte aan voortdurende reflectie komt eveneens tot uiting in de excuses die hij zijn toehoorder aanbiedt voor zijn chaotische verteltrant. Zijn verhaal verloopt niet chronologisch, maar vertellen is nu eenmaal “zeer, zeer moeilijk. Niet vanwege de jaren die verstreken zijn. Maar vanwege de listigheid die sommige voorbije dingen hebben om te verspringen, van plaats te veranderen.” De fysieke rusteloosheid van de jagunco is bij Riobaldo immers overgeslagen op de geest. De onophoudelijke omzwervingen doen zijn perspectief telkens weer verschuiven en overtuigen hem van het belang dat het toeval in ons leven speelt. De gebeurtenissen doen zich voor “op een haarbreed na, een draad, een maanhaar van een paard”. In zijn eigen leven betekent de ontmoeting met de Jongen, of Diadorim, zo'n toeval. Niet alleen de erotisch geladen initiatiescene aan het begin van de roman, ook de tweede ontmoeting had net zo goed niet kunnen plaatsvinden, maar blijken ze naderhand doorslaggevend te zijn geweest. Als Riobaldo het jagunco-bestaan niet veel eerder vaarwel zegt, heeft dat namelijk alles te maken met zijn broeierige genegenheid voor Diadorim, waar hij zich voor schaamt. De schrijnende onmogelijkheid van deze als vriendschap vermomde passie ('dit overvloeien van het hart') kent een verrassende ontknoping die, op uitdrukkelijk verzoek van de auteur zelf, niet mag worden onthuld.

Wat Riobaldo doet uitstijgen boven het modale romanpersonage is de uitgesproken overgangspositie die hij bekleedt. Met een voet nog in de stijgbeugel van zijn sertao-paard, begeeft hij zich op weg naar een nieuwe, ongrijpbaar meerduidige wereldbeschouwing waarin hij zich vooralsnog onwennig voelt. Het is deze combinatie van ongecomplexeerde vertelkunst (Riobaldo die argeloos opgaat in een vuurgevecht) en eigentijdse gespletenheid (dezelfde Riobaldo in wie de twijfel “als een arpeggio opstijgt”) die de roman onuitputtelijk maakt.

Tegelijkertijd is 'Diepe wildernis: de wegen' een uniek, grillig en zeer vernieuwend taalkunstwerk waarin de auteur aansluiting zocht bij de bronnen van het gesproken Portugees, en het heeft willen bevrijden uit het al te strakke keurslijf van de grammatica. Het lijkt wel of hij aan alle woorden die het niet hebben gehaald (te oud, te vreemd of te regionaal) een eresaluut heeft willen brengen, wat zijn tekst er niet toegankelijker op maakt.

Uiteraard zijn veel facetten van die 'rosiaanse revolutie' in de vertaling weggevallen, hoewel ook het Nederlandse proza weerbarstig is, bezaaid met leestekens, en her en der doet opschrikken door een telegrafische zinsbouw of een grenzeloze uitbarsting van metaforen. In het licht hiervan mag het geen verbazing wekken dat in de ogen van de auteur “de beste poetische bloemlezing een woordenboek was” en dat elk woord in zijn diepste wezen een gedicht bevatte.

De Nederlandse lezer kan zich troosten met de wetenschap dat ook zijn Braziliaanse lotgenoot in dit taallabyrint een woordenboek van 190 pagina's nodig heeft. Een notoir kenner van de Latijnsamerikaanse cultuur als August Willemsen biecht op slechts in slakkegang door de roman te zijn gevorderd, tot hij abrupt gegrepen werd door een onweerstaanbare helderheid en zich gewonnen gaf. Deze leeservaring zou vast erg naar Guimaraes Rosa's zin zijn geweest, en hem in zijn vermoeden hebben gesterkt dat het magische, dat wat zich schuilhoudt onder het oppervlak der dagelijkse dingen, de derde oever van de rivier, zich alleen openbaart aan wie daar oog voor wil hebben. Immers, “wanneer niets gebeurt, is er een wonder dat we niet zien”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden