InterviewJessica Durlacher

Jessica Durlacher: ‘Misschien schrijf ik wel om greep te krijgen op de ongrijpbare tijd’

Jessica Durlacher: ‘Het grote wroeten in het verleden is wel uitgezweet’. Beeld Jildiz Kaptein
Jessica Durlacher: ‘Het grote wroeten in het verleden is wel uitgezweet’.Beeld Jildiz Kaptein

In haar nieuwe roman De stem rakelt Jessica Durlacher de heftige jaren na 9/11 op. ‘Voor mij is de schok van toen nog onverwerkt eigenlijk, alsof het net gebeurd is.’

Tien jaar na De held – een bestseller destijds – verschijnt een nieuwe roman van Jessica Durlacher: De stem. “Ik wilde dit boek in 2012 al schrijven. Ik kocht iedere keer weer een nieuw schrift. Ik heb nu een hele stapel met schriften met beginnetjes. Het eerste beeld had ik al vrij vroeg in mijn hoofd: een gesluierd meisje in de sneeuw. We hadden hier in de buurt vroeger een azc en er liep een keer een meisje door de straat met slippers aan. Dat zag er zo erg uit: die koude teentjes. Ik dacht steeds: met dat beeld moet ik beginnen.”

Het beeld van ‘de zwarte prinses’ die in doeken gehuld, met de sokken in teenslippers door de sneeuw wandelt, duikt nu op bladzijde 50 op in de nieuwe roman, als de ik-figuur, Durlachers alter ego Zelda, haar ­opmerkt op straat, enigszins bevangen wel, ‘sinds New York was dat het verlies, de onbevangenheid ten opzichte van de vroomheid van vreemden’.

De kennismaking met deze Somalische zet het verhaal in gang in een roman die opent in New York op 9/11 en dan oprakelt hoe dat erin hakte, de aanslagen op die dag, in de jaren daarna in Nederland. De jaren van Ayaan Hirsi Ali, de moord op Theo van Gogh, massale terreur elders, alarmerende stukken in de krant, analyses, steunbetuigingen, onder meer van Durlacher zelf.

In De stem worden de heftigheid en verwarring van die tijd gevangen in een psychologische roman die in personages en situaties aanschurkt tegen de werkelijkheid, maar waarvan de thriller-achtige plot verzonnen is. “Het is geen sleutelroman. Het is een uitvergroting, een poging ervan weg te komen.”, vertelt Durlacher, aan tafel in de serre van haar huis in Bloemendaal waar ze woont met haar gezin, een schrijversfamilie, een dynastie zo langzamerhand. Man Leon de Winter en dochter Solomonica schrijven ook. Durlachers vader was G.L. Durlacher, bekend van boeken over zijn kamp- en oorlogservaringen, ervaringen die in het leven en ­de romans van de dochter een belangrijk motief vormen, ook in deze nieuwe roman, zij het hier meer op de achtergrond.

Na de proloog verplaatst de handeling zich naar een villa ergens in Nederland. In het gezin met drie kinderen – hij advocaat, zij therapeut, beiden kinderen van Joodse oorlogsslachtoffers – komt een Somalische oppas te werken, een vrouw uit het naburige azc, die een fantastische zangstem blijkt te hebben. De vrouw doet mee aan het tv-programma ‘De Stem’, betovert het publiek, en ontdoet zich in de liveshow van haar sluier. In interviews bevestigt ze haar afvalligheid. Doodsbedreigingen volgen. Ze duikt onder in het tuinhuis van de familie. Nu komt het erop aan. ‘Wachtte ik niet al mijn hele leven op zo’n kans?’ noteert de vertelster. ‘Boete voor de jaren in vrijheid, zonder oorlog, voor alles wat we niet hadden hoeven ondergaan, alles wat ze mijn grootouders en vader hadden aangedaan en ons nog niet.’

Het zijn vertrouwde thema’s in de romans van Jessica Durlacher: het geweld dat zich van buitenaf binnendringt in gewone levens; moed, engagement, verantwoordelijkheid die gevraagd worden, de zoektocht naar wie ‘de rechtvaardigen en de dapperen zijn’ - zoals het aan de Talmoed ontleende motto aankondigt. Indirect biedt de roman ook een zelfportret; een inkijkje in waar de auteur zich ongeveer bevindt in haar leven nu, met heldere observaties over rouw, ouder worden, moederschap, los laten.

U opent met de aanslag in New York die door de vertelster wordt ervaren als een meedogenloze aanval op haar manier van leven. Was dat voor u ook zo?

“Ik was zelf niet in New York toen, maar het voelde wel zo. Dichtbij. We reisden veel op en neer naar Amerika in die tijd. Al-Qaida viel in haar publicaties de wereld aan waar ik me bij betrokken voel. Ik zag het als een aanval op de intellectuele wereld, de wereld van de cultuur, maar vooral op de onwetendheid en verwendheid.”

Waarom wilde u nu een roman schrijven over die periode?

“Ik wilde een vorm vinden voor die tijd. Dingen die raken aan een diepe angst moeten een vorm krijgen vind ik. De terreur van toen is niet verdwenen. Er gebeuren nog steeds allerlei gruwelen maar toch is bij de generatie van nu die hele periode die zo indrukwekkend was al gewoon geworden. Voor mij is de schok van toen nog onverwerkt eigenlijk, alsof het net gebeurd is. Ik ben er sowieso niet zo goed in om te begrijpen hoe tijd zomaar voorbij gaat, hoe dingen herinnering worden. Misschien dat ik daarom wel schrijf, om greep te krijgen op het ongrijpbare daarvan. Ook wat betreft de rouw over een gezin dat ouder wordt bijvoorbeeld. Hoe je het onbekende ingaat met kinderen en je jezelf vijftien jaar later terugvindt als een ander, de weemoed die daarbij hoort. Ik had zelf twee jonge kinderen toen, in de roman heeft de ­vertelster ook nog een zoon van negentien. Leeftijden die ik nu allemaal ken maar op andere momenten.”

U steunde Ayaan Hirsi Ali destijds. U trok met haar op. Hoe heeft u toen de weerstand tegen haar ­ervaren?

“Die weerstand tegen haar, aversie haast, vind ik nog steeds moeilijk te begrijpen. Ze werd veel te fel gevonden, vreemd fel. Het was misschien een soort beschaafde pavlovreactie die mensen hier hadden. We hadden geleerd, ook door de oorlog, dat we alles wat onbegrijpelijk is aan andere culturen met egards en respect tegemoet moeten treden. Dat iemand die ook uit een andere cultuur komt het geloof op zo’n botte manier verwerpt, dat vonden we shockerend. Terwijl Ayaan juist ontzettend gegrepen was door ónze samenleving, dat hier vrijheid was. Ze bleef maar benadrukken: hou je vrijheid vast! Die wordt bedreigd! Ze werd niet geloofd..”

Ging het niet meer om haar strategie? Ze stapte vanuit een monocultuur in de multiculturele samenleving. Hier werd een ander gesprek gevoerd.

“Dat klopt. Ayaan was blunt soms. Ze had hier van alles geleerd, kennis vergaard, tegelijk voelde ze sommige dingen niet goed aan.”

De Somalische zangeres in het boek betovert het publiek. Anders dan Hirsi Ali krijgt ze snel veel fans.

“Ayaan heeft ook heel veel fans hoor, veel mede-afvalligen steunen haar. Maar in de roman gaat het me meer om de roem en de moed, de snelle opkomst. Ayaans verhaal is uniek maar wat me erin fascineerde voor mijn roman is hoe iemand zo snel kan oprijzen uit het niets: als een ­Eliza Doolittle. Ze heeft hier van alles geleerd, vertrekt naar Amerika en wordt veel groter dan wij allemaal.”

‘Een boek van je ouders lezen, dat is te intiem voor woorden.’ Beeld Jildiz Kaptein
‘Een boek van je ouders lezen, dat is te intiem voor woorden.’Beeld Jildiz Kaptein

De ik-figuur merkt ergens op dat de zangeres wars is van schuldgevoel. Dat lijkt ze benijdenswaardig te vinden.

“Ja, dat is misschien onze joods-christelijke traditie, je schuld belijden. Soms is dat gratuit. Het is ook een gewoonte. Ik doe het wel maar ik voel me schuldig. De zangeres in mijn boek toont zich nooit berouwvol om de dingen die ze tegenover haar nieuwe wereld fout doet – maar misschien heeft ze haar voorraad schuldgevoel eerder al opgebruikt. Ik vind schuldgevoel fascinerend – het zegt alles over iemands concept van goed en kwaad.”

Het oorlogsverleden van de vader speelt een rol in al uw romans, in deze meer als motief op de achtergrond. Is dat verleden weer meer aanwezig nu met het ouder worden?

“Het verdunt juist een beetje – niet in intensiteit bij mezelf maar wel in de behoefte om het te thematiseren. Dat ligt wel achter me nu, het grote wroeten is uitgezweet. Het verleden is wel nog steeds een instigator van een bepaald perspectief. Dat kan ik niet ontkennen. In dit boek had het een functie maar ik probeer het los te laten. En in mijn volgende boek ga ik iets heel anders doen. Ik kan me niet voorstellen dat het dan toch weer omhoog kruipt.”

Zelf bent u pas gaan schrijven toen uw vader niet meer over uw schouder mee kon kijken. Nu heeft u zelf een dochter die schrijft. Heeft zij last van haar schrijvende ouders?

“Mijn dochter schrijft literaire fantasy – dat is veel vrijer. Ze heeft zoveel verbeelding. Het gaat niet over háár. Ik kon niet vrij zijn, over moraal en schuld gesproken, ik was zo bevangen. Ik mocht er niet zijn. Of eerder: ik deed er niet toe. Dat gevoel. Wat had ik nou meegemaakt. Alles wordt je aangereikt, je kan alles doen wat je wilt. Terwijl dat niet zo was, achteraf, misschien moesten we ons zelf wel zo’n beetje opvoeden. Maar het duurde lang voor ik dat zag. Ik had het er laatst met mijn zoon over, die zei: ik begin nu pas te zien wie jullie zijn. Zien hoe je ouders gewoon mensen zijn, met fouten, dat duurt zo lang. Het heeft ook iets van verraad en daar moet je sterk genoeg voor zijn. Ik ben er met mijn kinderen niet zo bang voor, maar mijn vader vond het heel akelig. Hij vond het niet onze plaats om iets over hem te vertellen. Wie dachten we dat we waren?”

Was dat ook de generatiekloof. Het grote verdringen van na de oorlog?

“Maar mijn vader schreef zelf wel, hij was open over wat hij had meegemaakt. Dat was wel onder zijn con­trole. Wij kinderen bleven er klein en zwijgend bij. Toen ik wilde schrijven toen hij er nog was, lukte het niet, al wist ik best wat ik wilde zeggen. Nu zou ik het wel kunnen met hem erbij denk ik, maar toen niet.”

De vertelster in De stem zegt ergens dat ze moeite heeft met ­bewondering. Ze denk dat het ­afdoet aan haar kracht.

“Het is een bekend fenomeen dat mensen met een grote vader moeten strijden voor zelfrespect. Ik voelde het toen niet als bewondering, maar misschien was het dat wel. Hij was groot, maar ook moeilijk, heel moeilijk.”

Uw dochter laat u wel haar werk lezen?

“Dat wel, maar ik betwijfel of mijn kinderen onze boeken graag lezen. Ze zijn gewend dat we publiceren en leven mee, maar bij het lezen ligt toch een drempel. Eén keer moesten ze wel. Op de Internationale school moesten ze voor het bijvak Nederlands mijn roman Emoticon lezen. Hebben ze eerst zitten vogelen met uittreksels maar het boek moest van de lerares heel zorgvuldig gelezen worden. Haha. Ik kon me hun gene goed voorstellen.

“Ik vond het ook moeilijk om de boeken van mijn vader te lezen. Ik stond niet te springen. Als ik iets had gelezen, vergat ik het meteen weer. Verdringing. Moest ik het weer lezen. Ik heb zijn boeken vier of vijf keer gelezen. En ze waren prachtig al maakten ze me droevig maar het blijft te intiem voor woorden, een boek van je ouders. Ik snap het goed als mijn kinderen daar moeite mee hebben.”

Jessica Durlacher

Jessica Durlacher (1961) debuteerde in 1998 met de roman Het Geweten, die werd bekroond met de Debutantenprijs en de Gouden Ezelsoor. Voor haar voorlaatste roman De Held, die ook werd verfilmd, ontving ze de Opzij-literatuurprijs.

Durlacher vertaalde de graphic novels Maus I en Maus II van Art Spiegelman. Samen met haar man Leon de Winter bewerkte ze in 2013 het dagboek van Anne Frank tot het toneelstuk Anne. De stem is haar vijfde roman.

null Beeld
Beeld

Jessica Durlacher
De stem
Arbeiderspers, 452 blz. € 24,50

Lees ook:

Nooit meer buitenstaander

Tot Bevrijdingsdag bespreekt L&G iedere week een klassiek oorlogsboek. Allereerst ‘Quarantaine’ van G.L. Durlacher uit 1993.

De Tien Geboden met Jessica Durlacher

Jessica Durlacher (Amsterdam, 1962) is schrijver en publicist. In 1997 debuteerde zij met de roman ‘Het Geweten’. Vorig jaar (2004) kwam haar tweede boek, ‘De Dochter’, uit. Het is geen autobiografisch verhaal, maar de worsteling met het verleden speelt daarin wel de belangrijkste rol.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden