Beeld Trouw

Poëzie

Jens Meij­en (1996): heel erg een dichter van nu

De tijd is rijp voor poëzie, zeker nu ‘Ma­drid’ deze winter met een slap akkoordje opnieuw bewees dat politieke grootmachten de ernst van de klimaatcrisis weigeren te zien. En dat terwijl het te warm wordt, poolijs smelt en eilanden verdwijnen in zee. Maar het is misschien ook lastig een voorstelling te maken van hoe de wereld, ons land, je woonplaats, er over een jaar of twintig bij zal liggen. Goed dus dat er dichters zijn die de rol van ziener op zich nemen. 

De jonge Jens Meij­en (1996) is zo’n ‘waarzegger’. Het toekomstbeeld dat hij in zijn debuut voorspiegelt, is er één om meteen van uit je auto te springen: “Iedereen is vertrokken naar koelere plekken, / waar mensen elkaar niet de kop inslaan voor een glas water. / Het zal niet lang meer duren of ook de bergen zullen vluchten / naar landen waar ze niet welkom zijn.” ‘Xenomorf’ is dan zijn eerste bundel, in Vlaanderen is Meijen geen onbekende. Hij publiceert regelmatig in tijdschriften en werd in 2016 België’s eerste Jonge Dichter des Vaderlands.

Meijen is heel erg een dichter van nu. Een voor wie een Facebookprofiel de bevestiging is van een bestaan, een die zijn kennis van Google en Wikipedia haalt – de betekenis van het woord ‘Xenomorf’, bijvoorbeeld: ‘Uit Google: niet de gebruikelijke vorm hebbend’. Hij staat midden in de wereld, de actualiteit is overal, de brand in de Notre Dame, de herinnering aan 11 september, series als ‘Game of Thrones’, een liedje als ‘Zoutelande’ van Bløf, en tegelijk wortelen zijn gedichten nadrukkelijk in een vroeger.

Zijn concrete taal schiet vaak raak

Hij mag ‘een encyclopedie van het uitsterven’ schrijven, een beeld van de toekomst kan niet zonder idee van hoe het was. In den beginne: “De mens kreeg de natuur om het lichaam open te plooien: vet en groot en naakt / werden we. / Gedrenkt in rivieren, appels, bessen slikten we wortels / maakten we wielen, dondervlammen.”

Dat de mens er sindsdien een zooitje van gemaakt heeft, dat zijn grootste nalatenschap ‘doorschijnend, verstikkend, onontkoombaar: plastic’ zal zijn, die boodschap blijft somber. Toch is deze bundel dat niet. En dat komt door de taal. Meijen zegt zijn ‘zinnen met ellipsen’ te vullen, omdat ‘een ontwrichte wereld geen mooie dingen’ verdient. Maar die zinnen prikkelen wel. Zich rekenschap gevend van een traditie, zwieren ze driest over de pagina. Zijn concrete taal schiet vaak raak, over grote vraagstukken als het klimaat en over kleine, het eigen verleden, bijvoorbeeld, als de dichter bij een bezoek overdenkt “waar al dat vroeger / naartoe is / is het uit mijn lijf gelopen, verdampt, verdund of er / met elke niesbui uitgeschoten?”

Soms weet Meijen zijn taal niet helemaal te beteugelen. Een heel voorzichtig positief slotgeluid gaat haast aan woorden ten onder: “Expansiedrift op negatief. Krimpkapitaal (…)”.

De grote vraag is: hoe kijken we over twintig jaar terug op de toekomst die Meijen hier schetst?

Khaleesi

Een mensenleven is poreus.
Doordringbaar, verzadigd met verhalen, schilderijen, spellen.

Soms lees ik op Wikipedia
de verhaallijn van een volledige serie;
The Wire, Breaking Bad, Game of Thrones
om te weten wie er leeft en wie er sterft.
Het laat me de toekomst voorspellen, sust
de waarzegger in mij,
een tarotlegger met de bandana
van David Foster Wallace.

Ik kan vertellen over hoe de tijd, over|
een flora en fauna van zonsopgang en -ondergang
over hoe de buitenwereld als kieuwen
open en dicht vouwt. Laat deze letters landen op je netvlies –
begrip ontstaat met één voet
in het verleden, één voet
in de toekomst.

Ik zie een video van iemand die trouwt
met een Japans tekenfilmfiguurtje.
hij staat voor het altaar
met een Virtual Reality-bril.
Vergelijk het met wat ik weet over iets als liefde:
onvoorspelbaar, tevergeefs, ontregelend
vormeloos vooral.

Ik vierendeel mezelf: ik vroeger, ik nu, ik later, ik nooit.
Vier versies die elkaar vermenigvuldigen, herhalen, voorspellen en vernietigen.
Soorten van mezelf die tarotkaarten
als schubben over mijn schouder leggen,
mijn rug bedekken, aan mijn oren likken,
fluisteren – rillingen –
dat wij dit gemaakt hebben
en dus ook
in een vingerknip, een muisklik
kunnen ontmaken.

Jens Meijen

Jens Meijen
Xenomorf
De Bezige Bij; 80 blz. € 19,99

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze woonde lange tijd op Bonaire waar ze als correspondent werkte. Monna werkte als redacteur Poetry International festival en was initiatiefneemster voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden