Review

Japanse architecten kiezen zuivere vormen

Het Nederlands Architectuurinstituut besteedt een jaar lang aandacht aan Japan. Ter voorbereiding op de overzichtstentoonstelling reisde Robbert Roos mee langs het werk van een aantal hedendaagse Japanse architecten. En zag dat hun verstilde eenvoud bedrieglijk is.

In de buitenwijken van Tokio voel je hoe monotoon de stad feitelijk is: een eindeloze plak van laagbouw, waar de metro als een mes doorheen snijdt. Het enige dat er enige sjeu aan geeft, zijn de felblauw geglazuurde daken vol ornamentele details, als echo's van de oude tempelarchitectuur. Aan de metrorit naar de nieuwe medische faculteit Saitama Prefectural University lijkt daarom geen einde te komen. Plots is dat einde er toch en sta je meteen op het platteland. Rijstvelden gaan zich mengen met de straatprofielen van de uitlopers van de grootstad. In deze landelijke omgeving doemt de universiteit op. Een lang, strak, modernistisch blok van architect Riken Yamamoto. Het blijkt de opmaat voor een reusachtig complex dat je in de landelijke omgeving niet verwacht.

De door Yamamoto ontworpen universiteit is een sprekend voorbeeld van hedendaagse Japanse architectuur. In oktober komt in het Nederlands Architectuurinstituut een tentoonstelling over architectuur in Japan die zal inzoomen op de diverse dichtheden in het Japanse landschap: van metropolen via urbane omgevingen naar kleinschaliger steden, naar plattelandsgebieden, naar losse bebouwing in de natuur. De tentoonstelling zal uitgebreid ingaan op de manier waarop Japanse architecten omgaan met ruimte. Tegelijkertijd is het een mooi platform om een aantal fraaie staaltjes hedendaagse Japanse bouwkunst te laten zien. Een bouwkunst die drijft op een zuiverheid in vormentaal, een hoogwaardige detaillering en een fascinatie voor het gebouw als een coherent sculpturaal blok (of een collage van sculpturale blokken).

In de Japanse architectuur zijn gebouwen dikwijls op zichzelf staande objecten. Veel minder dan in Nederland is er een stedenbouwkundige inbedding. Hooguit zijn er formele verwijzingen, bijvoorbeeld naar een straat of de maat van een gebouw in de omgeving. Het gaat in de meeste gevallen echter over puur zelfstandige uitspraken.

Zo ook bij de universiteit van Yamamoto. Het complex bestaat uit een U-vorm, met twee lange rechthoekige volumes (in het rigide metrum van het minimalisme) tegenover elkaar en een lager blok hier haaks op. Het binnenterrein is een oplopende tuin die een verzonken bibliotheek en werkruimtes afdekt. Straten doorsnijden dit gebied met zowel patio's op grondniveau als zitplekken op tuinniveau. De enige doorbreking van deze strakke systematiek zijn collegezalen die als fiere, vrijstaande dozen over het binnenterrein zijn gestrooid.

Yamamoto sublimeert simpele dozen tot superesthetische objecten. Hij doet dat in een perfecte, zuivere vormentaal waarbij hij zijn minimalisme tot in de laatste details uitwerkt. Voor sommigen te perfect, want de detaillering gaat zo ver, dat de aluminium bekleding van luchtafvoerpijpen gecapitonneerd is. Er zitten geen rafelrandjes aan de bebouwing, waardoor er een zekere kilte heerst. Daarnaast is het loopgebied in de langwerpige blokken met leslokalen zo hoog, dat je er als mens nietig in bent. Verder ontbreekt iedere kleur. Het grijs van beton en staal overheerst. Het onherbergzame gevoel dat dit oproept, stuit sommige bezoekers tegen de borst. Als architectuur is de universiteit echter fascinerend in de zorgvuldige compositorische opbouw en de bespeling van het binnengebied. Daar kun je dwalen. In dit 'park' wordt uiteindelijk toch enige chaos toegestaan binnen de afgemeten orde. En Yamamoto zorgt voor prachtige panoramische uitzichten over de rijstvelden rond de universiteit.

Yamamoto's minimalisme (al is er door de duizend-en-een kleine details bijna geen sprake meer van minimalisme) kom je, in minder ver doorgevoerde vorm, veel tegen in de hedendaagse Japanse architectuur. Een architecte als Kazuyo Sejima bijvoorbeeld, voelt zich het prettigst bij een strakke rechthoekige doos. In het interieur van die doos kan dynamiek zitten, maar het totaalbeeld is één helder statement. Zo ook bij haar sociale woningbouwflats in Gifu, een stadje tussen Tokio en de oude hoofdstad Kyoto.

Het complex functioneert in samenhang met drie andere hoogbouwcomplexen. De uitstraling ervan roept in eerste instantie de associatie met de Bijlmer op, maar het binnengebied is door een kunstenares veel spannender ingericht en ook de flats zelf hebben visueel meer te bieden. Sejima bedacht een basisconcept van vijf modules die in wisselende ensembles zijn gebruikt. De flats vormen daardoor een perfect sluitende puzzel van steeds anders geordende blokken, die soms over twee verdiepingen doorlopen. Het zijn een open balkon, een keuken/woonkamer, twee slaapkamers en een tatami-kamer (een kamer waar zo'n typisch Japanse mat ligt en die in veel Japanse woningen nog steeds is terug te vinden). Iedere woning heeft daardoor een individueel karakter, terwijl het geheel toch heel homogeen oogt. Als compositie is het verstild, maar er zitten ook dynamische elementen in, zoals lange trappen, die als dwingende diagonalen over de gevel lopen. Sejima ontwerpt op dit moment het nieuwe theater van Almere, waarin ook een gesloten doosvorm het uitgangspunt is.

Het verraderlijke van Japanse architecten is dat ze ogenschijnlijk streven naar verstilde eenvoud, maar dat die verstilling uiteindelijk met vrij complexe middelen tot stand wordt gebracht. Zoals bij Yamamoto stikt het van de details in de bouwwerken. Een spannend voorbeeld is het Tofu-huis van Jun Tamaki in Kyoto. In een gewone buitenwijk van de stad duikt ineens een hagelwit doosje op. Het staat iets opgetild van de grond en het schijfvormige dak ligt er ook iets opgetild boven. Zo zweeft de witte vorm (de tofu) als een autonoom doosje in het straatbeeld. Het witte vlak wordt alleen doorbroken door een venster dat een kleine meter diep in de wand is 'uitgehouwen'. Ervoor ligt een soort witte balk, die een bankje lijkt, maar feitelijk een soort stootblok is tegen al te wild rijdende auto's.

Het interieur is een spektakel van schuivende panelen, die à la Rietvelds Schröderhuis in Utrecht de woning in kamers kunnen opdelen, maar hem ook kunnen omtoveren in een grote open ruimte. Zo is de woonkamer op het eerste oog een rechthoekige kamer met vier hoge monochrome schilderijen. Deze schilderijen blijken echter schuifdeuren te zijn met ruimtes erachter, die (net als het venster in de voorwand) uitgehold lijken in de tofu. Vergelijk het met middeleeuwse kastelen met hun dikke wanden, waarin ruimtes verborgen zitten. Het meest doordachte detail: een sleuf in de wand waarin precies een kunstboek past dat de eigenaren van het huis lief is. Het is de enige boekenkast in de woning.

Tamaki voert een koorddans uit tussen esthetiek en functionaliteit (een dilemma waar wel meer Japanse architecten mee lijken te worstelen). Het huis is een sculptuur en tegelijk een vernuftig wooninstrument, waarin iedere vierkante meter effectief wordt gebruikt. Tegelijkertijd is de serene perfectie zo totaal, dat je er bijna niet in durft te wonen.

Een architect als Tadao Ando buit die hang naar sereniteit uitmuntend uit in zijn Church of the Light, in een buitenwijk van Osaka. De sereniteit wordt omgebogen in sacraliteit. De kerkzaal is bijna spartaans door de naakte betonnen wanden en de simpele houten kerkbanken, maar die leegte wordt gecompenseerd door het goddelijke licht dat door een kruisvormige incisie in de wand naar binnen valt. Het kruis is wandbreed en reikt van vloer tot plafond. Een simpele ingreep, met een fenomenaal effect.

Natuurlijk draait niet alle Japanse architectuur om deze gecomprimeerde minimalistische vormentaal. Een grote stroming werkt met collages van bouwblokken en ook expressieve hightech-achtige constructies zijn populair. Een fascinerend project is het eigen kantoor Organ I van FOB Association in Kyoto. Voortbordurend op de constructivistische principes van midden jaren zestig, is een koker-achtige module bedacht. Deze is in een ingewikkelde gestapelde compositie steeds herhaald, waardoor het gebouw een soort slang met uitstulpingen (ramen, daklichten) lijkt, die grillige hoeken maakt. Het is feitelijk één doorlopende gang, waarin de werkplekken zijn gecreëerd. Het enige nadeel is dat het er erg smal is. Het gebouw van F.O.B. oogt heel hedendaags met de gehoekte beeldtaal en de conceptuele, 'Koolhaasiaanse' aanpak.

Representatief voor de collage-aanpak is Itsuko Hasagawa. Haar cultureel centrum midden in het hart van Tokio is een samenspel van drie bouwdelen die ieder apart zijn gedetailleerd, maar wel een coherent complex vormen. Hasagawa maakt vooral in de constructies en de gevelbekleding uitbundig gebruik van materialen. Ze geeft haar details extreme afmetingen, waardoor ze op een dwingende manier als ornament gaan werken. Het geeft het gebouw een sterke landmark-functie, maar het volume breekt ook bruut in op de verfijnde structuur van de wijk.

Eenzelfde overdaad aan detaillering zit in het Yatsushiro Municipal Museum van Toyo Ito in de provincie Kumamoto op het zuidelijke eiland van Japan. Het oogt als een deconstructivistisch ensemble, met vleugelachtige luifels die naar buiten priemen aan de voorkant een spannend busvormig bouwdeel dat opgetild boven de achterzijde zweeft. Binnen blijkt de exuberantie van het exterieur echter volledig op zichzelf te staan. De netto-expositieruimte is beperkt en als museumzalen zijn de ruimtes weinig efficiënt.

Het museum van Ito benadrukt nog eens de fixatie op vorm die door de hele Japanse architectuur klinkt. Waar in de Nederlandse architectuur het concept en het (denk)proces meestal op de eerste plaats komt, is dat in Japan het object. En dat soms in extreme mate. Ook al is Rem Koolhaas heel populair, zeker onder de jonge architecten in Japan (hij heeft ook een woningproject in Fukuoka gedaan), het lijkt de Japanners niet te lukken om tot uitdagende interpretaties van een programma te komen. Altijd is er het esthetische aspect dat een dwingende rol speelt.

Zeldzaam is een gebouw als het bejaardenverzorgingstehuis van Toyo Ito in Yatsushiro. Het is een vrij simpele, langgerekte doos, waarin op een heldere manier wooneenheden, verblijfruimtes en utilitaire ruimtes over twee lagen zijn ondergebracht, met patio's als welkome onderbrekingen. Geen spectaculaire architectuur, wel een goed doordachte. Net als veel hedendaagse Japanse architectuur staat het echter volledig op zichzelf, heeft het niets met het omliggende stadslandschap te maken. Dat kan ook niet, want dat is zo amorf, dat er geen aanknopingspunt in is te vinden. En als je dat vindt, houdt hij niet lang stand. Achter het bejaardencomplex wordt op dit moment hard gewerkt aan een enorme vierbaans snelweg hoog boven het landschap. Ooit hadden de bejaarden een vrij uitzicht over een aardig kustgebied. In het overvolle Japan wordt die genadeloos opgeofferd aan stedelijke woestenij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden