Jan Siebelink: Waarom zou je niet de hulp van de religie inroepen? Waarom moeten we zo flink zijn?

Jan Siebelink Beeld Koen Verheijden

Jan Siebelink begint zijn Boekenweekgeschenk met de beroerte die hij ternauwernood overleefde. Op de achtergrond lonkt het hiernamaals. ‘Ik wil geen plat verhaal schrijven, maar een aards en sensueel boek met een hemels vergezicht.’

Het is nog winter, maar de zon geeft al een lenteachtige warmte af. Op schoenen van zuurstokroze suède en in een Blanc du Nil-overhemd van roomwit katoen toont Jan Siebelink (81) trots de tuin van zijn vrijstaande woning in Ede. “En dit is Sarah”, zegt hij met een handgebaar naar de beige ‘whippet’, een windhond die zich naast de stenen vijver uitrekt in het weldadige zonlicht. Zijn vrouw Gerda schikt bloemen in een vaas.

Over een week is het zover: dan vliegt zijn Boekenweekgeschenk de winkel uit. Op 13 februari vorig jaar, op zijn tachtigste verjaardag, hoorde Siebelink dat hij het boek mocht schrijven. Zes weken later was ‘Jas van belofte’ af.

Hoofdpersoon is de 79-jarige Arthur Siebrandi, schrijver en oud-leraar Frans. Hij krijgt op de eerste bladzij meteen een beroerte. Terwijl de ambulance hem wegvoert, overpeinst hij zijn leven, ‘al bijna vanaf de overkant’. Arthurs grote worsteling is geweest om zijn jeugdjaren, waarin zijn vader plotseling verdween, te verwerken tot een boek. Ook Siebelink zelf heeft lang geploeterd voor hij invoelbaar kon opschrijven hoe hij als kind zijn eigen vader, de bloemenkweker uit Velp, aan een calvinistische sekte verloor.

Een paar maanden nadat ‘Jas van belofte’ voltooid was, ontstond er ineens commotie. Het zojuist onthulde thema van de Boekenweek, ‘De moeder de vrouw’, zou ongeëmancipeerd zijn. Tot overmaat van ramp had de organisator van de Boekenweek, de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB), de jonge Nederlands-Turkse auteur Murat Isik aangewezen als schrijver van het Boekenweekessay. Nu waren er dus twee mannelijke auteurs, naast dat gewraakte thema. Honderden schrijvers en mensen uit het boekenvak ondertekenden een protestbrief in de NRC.

Siebelink hield destijds zijn mond, op aanraden van de CPNB. Maar nu het conflict is opgelost met de belofte om het Boekenweekgeschenk en -essay voortaan exact gelijk over vrouwen en mannen te verdelen, voelt Siebelink zich vrij om te praten. Althans, min of meer. “Het blijft oppassen, ik wil geen heisa.”

Was u verbaasd toen vorig jaar de bom barstte?

“Nou, zelf had ik ook wel verwacht dat ik voor het essay een vrouw naast me zou krijgen. Zo is het de afgelopen jaren steeds gegaan: vorig jaar Griet Op de Beeck met Jan Terlouw, in 2017 Herman Koch met Connie Palmen. Ik kan goed met vrouwen overweg, dus zo’n verdeling had me hartstikke leuk geleken. Maar het liep anders. Ineens zat ik in het oog van een storm. Ik vond de reacties erg heftig en venijnig. Waarom meteen zo’n petitie? Waarom niet eerst even praten met de CPNB? Je kunt de CPNB absoluut niet van kwade wil betichten. Ze hadden vast goede redenen voor hun keuze. Bijvoorbeeld een oude schrijver, samen met een auteur van Turkse afkomst die de helft jonger is. Twee mannen ja, maar literair maakt dat niet zoveel uit. Het gaat niet om de schrijvers, maar om hun boeken. Ik ben trouwens een schrijver met een groot vrouwenpubliek. Mijn stijl wordt ‘feminien’ genoemd; ik schrijf sensibel en kan de kleinste details van gevoelens verbeelden. Een verdedigbare keuze dus.”

Vindt u dat het conflict bevredigend is opgelost?

“Op zich wel. We krijgen een mooi Boekenweekgedicht, geschreven door een vrouw, en de komende jaren worden de rollen keurig over de seksen verdeeld. Maar het heeft iets gekunstelds dat het zo moet worden geregeld. Er zijn genoeg vrouwen in Nederland die prachtig schrijven. Ik denk dat ze ook vanzelf wel meer aandacht zouden krijgen.

Ik was even bang dat het Boekenweekgeschenk geschreven zou mogen worden door een van de dames die zo fel reageerden. Dan was het boek misschien voor een emancipatoir doel gebruikt, ter verdediging van vrouwelijke schrijvers. Dat zou ik heel erg hebben gevonden, want daar is de literatuur niet voor geschikt. Dan moet je een pamflet schrijven. Gelukkig is het overgewaaid.”

Jan Siebelink Beeld Koen Verheijden

Terug naar uw boek. De openingsscène met die beroerte komt uit uw eigen leven.

“Ja. En daar moest het verhaal mee beginnen, wist ik meteen toen ik de schrijfopdracht kreeg. Híer is het gebeurd, aan deze eettafel, mei 2017. Ik stond op en mijn been deed het niet meer, dus ik viel om. En toen begon mijn arm ook heel raar te doen. Mijn vrouw was uit met een vriendin, het was een zaterdagmorgen met prachtig weer. Ik kon nog net de keuken in strompelen. Toen riep ik heel hard de buurman, maar die hoorde me natuurlijk niet.

Ik probeerde het noodnummer 112 te bellen, maar door mijn weigerachtige vingers kwam ik uit bij 113, de zelfmoordpreventie. Zij verbonden me door, of ik belde zelf opnieuw, ik weet het niet meer precies. In elk geval werd ik zeven minuten later op een brancard de ambulance ingeschoven. Vogels floten om het hardst in de zon en ik dacht: ‘Dit huis, deze tuin, hier kom ik misschien nooit meer terug.’”

Hoofdpersoon Arthur denkt in de ambulance aan het hiernamaals en aan de doden. Dacht u zelf ook terug aan uw vader en moeder, over wie u zo aangrijpend heeft geschreven?

“Zeker. Ik denk sowieso dagelijks aan mijn ouders en de kwekerij in Velp. Het was thuis weliswaar conflictueus, door het strenge geloof van mijn vader, en er waren geldzorgen. Maar tegelijk was het liefelijk en fijn. Mijn ouders hielden intens van elkaar. In de jaren zeventig, toen ik in Dieren lesgaf en in Den Bosch een opleiding volgde, reed ik tussendoor met mijn Renault Dauphine vaak even langs de kwekerij. Ik had maar een paar minuten. Mijn ouders wachtten me bij het waterbassin op met een kopje koffie. Ik omhelsde hen en ging als er een speer weer vandoor. Ik dacht dat het altijd zo zou doorgaan, maar binnen enkele jaren was alles verdwenen. Ik verlang enorm terug naar die tijd, in feite gaat mijn hele oeuvre daarover. Ja, ik hoop mijn ouders weer te zien. Maar je kunt je bijna niet voorstellen dat je dan in hetzelfde lichaam zit. Paulus zegt dat we in een ondeelbaar ogenblik een geestelijk lichaam krijgen. Maar hoe dat eruit ziet… Ach Gem, heb je even een glaasje water voor mij?”

Breekt u met dit boek een lans voor de godsdienst, die uit de gratie is geraakt?

“Niet per se, maar ik wil wel graag dat mensen erover nadenken. Tommy Wieringa praat met zijn overleden moeder en zegt dat zij hem kan horen. Hij voelt dat zo. Ik ook. Het is toch onvoorstelbaar dat je moeder helemaal weg is? Daarom denkt de mens van nature religieus. Je wil de angst voor de dood bezweren met rites. Zo blijf ik vasthouden aan het vertrouwen dat ik straks word opgevangen en dat er een weerzien volgt. Het geloof is buitengewoon moeilijk, maar zelfs als je enorm twijfelt, maakt het je leven mooier. Ik begrijp niet dat de secularisatie zo om zich heen slaat. Waarom zou je niet de hulp van de religie inroepen? Waarom moeten we zo flink zijn? Ik vind het jammer als er weer een klein mooi kerkje wordt omgevormd tot damclub. Er gaat dan iets wezenlijks verloren. Dat geldt ook voor de literatuur: ik wil geen plat verhaal schrijven, maar een aards en sensueel boek met een hemels vergezicht.”

Arthur krijgt bij het schrijven van zijn levensverhaal advies van de auteur Loet IJzertje. Gaat achter deze vrijgevochten katholiek iemand schuil van wie u hulp kreeg bij het schrijven van ‘Knielen op een bed violen’?

“Loet IJzertje staat voor de schrijver Louis Ferron, een bijzondere vriend aan wie ik veel steun heb gehad. Wij wilden allebei de literatuur veranderen. Geen Hollands realisme, maar overdadigheid: excessief en hartstochtelijk. Louis was een meedenkende lezer. Hij voelde diep mee en begreep wat ik wilde: de voorbije tijd terughalen, het vergankelijke onvergankelijk maken. ‘Ik zie het voor me, het grijpt me aan’, zei hij dan. Toen ‘Knielen’ uitkwam, in 2005, heeft hij een prachtige rede gehouden. In ‘Jas van beloften’ overlijdt hij. In het echt is dat ook gebeurd, maar dan anders. Hij is geëuthanaseerd, bij hem thuis in Haarlem. Ik heb nog een sigaretje voor hem mogen draaien. Dat kon hij precies tussen de slangetjes door in zijn mond krijgen. Hij nam een paar flinke halen, goed over de longen. Hij sprak een paar laatste woorden en schreef nog wat zinnetjes voordat de dokter dat spul in zijn lichaam inbracht. We namen afscheid. Het gif bereikte zijn hart. En toen heb ik voor het eerst gezien – ik had al wel het sterven van mijn vader meegemaakt – hoe het lichaam slechts een omhulsel is. Hij zakte in elkaar, het was ineens alleen maar vel. Je kunt je voorstellen wat men in de Middeleeuwen dacht: de ziel vliegt uit het lichaam in de vorm van een duif. Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren. Maar de geest gaat terug naar God, waar hij vandaan komt. De ziel, al schijnt die tegenwoordig niet meer te bestaan, maakt dat wij mens zijn. Dat heb ik nog nooit zo sterk gevoeld als toen.”

Leeft u erg naar de dood toe?

“Kijk, ik ben 81, dus mijn tijd is beperkt. Tegelijk heb ik in de tuin net een hele mooie reine-claude aangeplant. Daar hoop ik de komende jaren nog veel vruchten van te plukken. Mijn leven zal een keer eindigen, maar nu nog niet. Ik voel me gezond, ik heb mijn hersens nog bij elkaar, ik ben levenslustig. Er kan zo weer iets gebeuren; de bloedverdunners verkleinen alleen het risico. Toch ben ik bezig alsof ik nog veel tijd heb. Ik maak afspraken voor lezingen over een halfjaar. Ik ren veel met onze jonge hond. We hebben een mooi huis, we zijn niet afhankelijk. Ik ben dankbaar. Ik had er ook niet meer kunnen zijn.”

Ophouden met schrijven, is dat een optie?

“Het Boekenweekgeschenk zou mijn zwanenzang kunnen zijn, maar dat wordt het niet. Ik werk hard aan een nieuw boek. Het verkeert in zo’n ver stadium dat mijn redacteur het kan afmaken, mocht mij iets overkomen.

Hier in mijn werkkamer zie je mijn nieuwe elektrische schrijfmachine, een oud model dat ik net op de kop heb getikt. Het was een klus om passende inktpatronen te vinden, maar ik heb nu inkt voor nog minstens een heel boek. Dat vind ik wel grappig, op mijn leeftijd. Nee, ik houd niet op. Integendeel, ik keer graag terug naar dit plekje achter mijn bureau. Zolang ik schrijf, komt de dood me niet halen, daar ben ik van overtuigd.”

Biografie Jan Siebelink

Jan Siebelink, oud-leraar Nederlands en Frans, debuteerde in 1975 met de verhalenbundel ‘Nachtschade’. In het oerverhaal ‘Witte chrysanten’ zijn alle motieven uit Siebelinks latere werk al aanwezig: de bloemenkwekerij uit zijn jeugd die geleidelijk het karakter krijgt van het verloren paradijs, het streng-calvinistische geloof waarmee zijn vader zichzelf en zijn gezin teisterde, en het middelbaar onderwijs. Deze elementen keren terug in romans als ‘De herfst zal schitterend zijn’ (1980), ‘En joeg de vossen door het staande koren’ (1982) en ‘De overkant van de rivier’ (1990). En uiteraard in ‘Knielen op een bed violen’, de vaderroman waarmee Siebelink in 2005 doorbrak bij het grote publiek. Van dit bekroonde boek zijn zo’n 600.000 exemplaren verkocht. In de tegenhanger ‘Margje’ (2015) stelde de schrijver zijn moeder centraal.

Boekenweek

De 84ste editie van de Boekenweek duurt van 23 maart tot en met 31 maart. Het Boekenweekgeschenk is gratis bij besteding van minstens 12,50 euro aan Nederlandse boeken. Het Boekenweekessay (3,75 euro) is geschreven door Murat Isik. Dit jaar wordt ook een Boekenweekgedicht onthuld van een vrouwelijke dichter. Op de laatste zondag van de Boekenweek mogen reizigers op vertoon van het Boekenweekgeschenk gratis met de trein.

Lees ook:

Jan Siebelink: Boekenweekgeschenk is bekroning van 40 jaar schrijverschap

Het verzoek om het Boekenweekgeschenk te schrijven bereikte hem op zeer theatrale wijze. En het kwam precies op het juiste moment, vertelde Jan Siebelink vorig jaar.

Griet Op de Beeck: De opluchting die ik had verwacht, is absoluut niet gekomen

Tijdens de Boekenweek van vorig jaar stond de Vlaamse schrijfster Griet Op de Beeck centraal. De publiciteit werd gedomineerd door haar verhaal over seksueel misbruik.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden